
M. Vasalis (1909-1998) is de schrijversnaam van M. Droogleever Fortuyn-Leenmans, psychiater. In 1940 debuteerde zij met de novelle
Onweer (die deel uitmaakte van het boekenweekgeschenk
Drie novellen); in hetzelfde jaar verscheen haar bundel
Parken en woestijnen bij Uitgeverij Stols, die bekroond werd met de Van der Hoogtprijs. Er volgden nog drie bundels:
De vogel Phoenix (1947),
Vergezichten en gezichten (1954) en recent de postuum verschenen bundel
De oude kustlijn (2002).
De dichteres ontving voor haar oeuvre de Constantijn Huygensprijs in 1974 en de P.C. Hooftprijs in 1982. Hoewel zij altijd is blijven schrijven, verklaarde zij het uitblijven van nieuwe publicaties na 1954 in haar dankwoord bij de inontvangstneming van de Huygensprijs als volgt: ‘Wat mij in en na de oorlog overkomen is komt hierop neer: een enorme relativering van mijn eigen lot... Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was.’ Dit neemt niet weg dat haar werk door steeds nieuwe generaties wordt ontdekt; zij behoort dan ook to de meest gelezen dichters in Nederland.
In 2006 zijn haar Verzamelde gedichten verschenen, die inmiddels al weer herdrukt zijn.
 | M. Vasalis Parken en woestijnen
ISBN 9789028201989 Poëzie, 32 pagina’s Verschenen in 1940 37e druk Ingenaaid € 12.50
bestellen
|
Voor deze debuutbundel, die in 1940 bij Stols verscheen, ontving de dichteres in 1941 de Van der Hoogtprijs (juryleden o.a. Bloem en Van Vriesland). In het eerste jaar na verschijnen werd de bundel al negen keer herdrukt. In deze inmiddels klassieke bundel zijn de volgende gedichten opgenomen: Drank de onberekenbare, Angst, In de herfst, De dood, De idioot in het bad, Tijd, Voorjaar, Begrafenis van mevrouw T., De trek, Luchtspiegeling, De krekels, Het ezeltje, De weg terug, Afsluitdijk, Fanfare-corps, Herfst, De onbekende van de Amstel, Vahine no te tiare, Herfst, Kind in het Licht, Onweer in het moeras
Afsluitdijk
De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos,
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar ‘t een droom, in ‘t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mijzelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.
Deze titel is tevens in de volgende uitvoering beschikbaar:Parken en woestijnen ()