
Tot voor de Tweede Wereldoorlog moesten Nederlandse lezers het voornamelijk doen met hervertalingen van deze meesterwerken uit het Duits, Engels en Frans en dan nog vaak met ingekorte versies daarvan.
In 1953 verscheen het eerste deel van onze Russische Bibliotheek. Deze dundrukreeks, ditmaal rechtstreeks en onverkort uit het Russisch vertaald, met zijn onmiddellijk herkenbare omslagontwerpen van Helmut Salden en later van Gerrit Noordzij, is sindsdien uitgegroeid tot pronkstuk in de privé verzameling van vele duizenden literatuurliefhebbers. Het fraaie uiterlijk herbergt het beste wat de Russische literatuur te bieden heeft, in veelal bekroonde vertalingen van vele gerenommeerde slavisten, waaronder Tom Eekman, Marko Fondse, Aai Prins, Karel van het Reve, Anne Stoffel, Charles B. Timmer en het vertalersduo Margriet Berg en Marja Wiebes. De bibliotheek werd gaandeweg uitgebreid tot de literatuur van de twintigste eeuw, met verzamelde werken van Boelgakov, Boenin, Majakovski en Marina Tsvetajeva.
In 2003 bestond de Russische Bibliotheek vijftig jaar, een mijlpaal die niet zou zijn bereikt zonder een zich steeds vernieuwende schare liefhebbers en verzamelaars van deze zo rijke literatuur, die gelezen zal blijven zolang er Nederlands gelezen wordt. Zij omvat intussen vijftig delen (tezamen ruim 30.000 bladzijden), is op één deel na nog altijd leverbaar en dat blijft zij de komende jaren ook, zodat de liefhebbers haar in hun eigen tempo kunnen verzamelen en completeren. Daarbij doen wij, niettegenstaande de almaar stijgende grondstoffenprijzen, ons uiterste best de Russische Bibliotheek zo betaalbaar mogelijk te houden.
Zoekt u een bepaalde titel? Een complete index op alle delen, alfabetisch gerangschikt per auteur, staat tot uw beschikking. Hieronder volgt een beknopte geschiedenis van de totstandkoming van de Russische Bibliotheek.

Op 9 november 1953 schreef Van Oorschot aan Timmer, die toen in Canada verbleef: ‘Wij verkeren in hoogst opgewonden toestand nu de verschijning van het eerste deel nabij is. Wij hopen dat er niet teveel fouten zijn gemaakt, hetgeen bij het eerste deel van zo’n geweldige onderneming gemakkelijk kan geschieden. [...] Ondertussen hoop ik vurig dat je met de vertaling van het tweede deel al een eind gevorderd bent, want het succes van reeksen hangt in de allereerste plaats af van het zo vlug mogelijk op elkaar volgen van de delen...’ De brief eindigde aldus: ‘Begrijp me goed: dat ik je niet haasten wil, alhoewel de grootste haast geboden is.’
Viel het besluit om de verzamelde werken van Tsjechow uit te geven in 1951, al snel rees het plan om ‘al die grote jongens’, zoals Van Oorschot de toonaangevende Russische schrijvers uit de 19e eeuw bijna liefkozend noemde, onder te brengen in veel groter opgezette reeks. Op 24 april 1953 verscheen in diverse dagbladen het volgende persbericht:
‘In een serie “Russische Bibliotheek”, zullen bij de uitgeverij G.A. van Oorschot ongeveer 33 werken van klassieke Russische schrijvers der 19e eeuw verschijnen in vertaling van Charles B. Timmer.
De uitgave in dundruk, waarvan de typografische verzorging is opgedragen aan H. Salden, wordt geopend met het verzameld werk van Anton Tsjechow in vijf delen; het eerste deel zal vermoedelijk in het najaar gereed zijn.
Verder worden in de serie opgenomen de verzamelde werken van Dostojewski, Tolstoi, Toergenjew, Poesjkin, Lermontow, Gogol, Gontsjarow, Pisemski, Saltikow, en Leskow.’
Dit is de eerste vermelding geweest van de Russische Bibliotheek. Het bericht bevatte de tamelijk absurde onjuistheid dat Timmer de vertaling van al die boeken op zich genomen zou hebben, hetgeen natuurlijk onmogelijk was. Aan de serie hebben tot de dag van vandaag dertig vertalers en vertaalsters meegewerkt. Timmer, die het plan ervoor opstelde en hoofdredacteur werd, zou daarvan twaalf delen voor zijn rekening nemen.

Voordien waren elders vooral krenten uit de Russische pap gehaald, zoals gezegd vaak sterk bekort en bovendien hervertaald uit het Duits, Engels of Frans. Ditmaal moest echter ‘onverkort en rechtstreeks uit het Russisch’ het parool zijn en zou het gaan om ‘verzamelde werken’: niet ‘compleet’ want wat aan te vangen met 12 of 20 delen brieven van respectievelijk Tsjechow en Tolstoj, of met minder geslaagde werken van schrijvers die één meesterwerk hadden afgeleverd? Voorts zou het gaan om delen van gemiddeld 600 à 800 dichtbedrukte bladzijden, in een noodzakelijk geachte, voorbeeldige vormgeving en ‘uiteraard’ gedrukt op het mooiste dundrukpapier en gebonden in het fijnste linnen, met fraaie goudstempels op rug en plat. Ten slotte moest de verschijningsfrequentie om commerciële redenen regelmatig én hoog zijn: een ongeschreven wet in uitgeversland voor de exploitatie van werken in serieverband.
Aan hoofdredacteur Timmer en een aantal talentvolle jonge vertalers/slavisten zou het niet liggen: zij konden aan de slag, werden ook aan het werk gezet en zo verschenen tussen 1954 en 1956 de delen Dostojewski 2, 5 en 8, Toergenjew 1, 2 en 3 en Tsjechow 2, 3, 6 en 7. De uitgever had echter drie kardinale problemen.
Het eerste was dat alle delen uit lood gezet moesten worden en dat loodzetsel zowel beslag legde op de zet-capaciteit als op de opslagruimte van de destijds voor geen kleintje vervaard zijnde (huis-) Drukkerij G.J. Thieme te Nijmegen. Dit maakte het laten ‘overstaan’ van loodzetsel zeer kostbaar, wat inhield dat de uitgever vrij snel genoodzaakt was ‘zijn’ zetsel op te geven, met het risico dat een plotseling noodzakelijke herdruk geheel opnieuw zou moeten worden gezet. Dit netelige vraagstuk deed zich gezien hun grote omvang bij alle RB-delen in extreme mate voor. Als oplossing werd gekozen voor een vlucht naar voren: er werd besloten tot een zó hoge beginoplage, dat men jaren vooruit zou kunnen. Voor de Russische Bibliotheek gold een beginoplage van 3000 à 4000 exemplaren, waarvan de ‘losse vellen’ integraal werden opgeslagen bij Boekbinderij Elias P. van Bommel in de Amsterdamse Kerkstraat. Hiervan werden in eerste instantie 1000 exemplaren ‘in de band gezet’. De overige 2000 à 3000 exemplaren bleven ‘plano’ liggen totdat opdracht kon worden gegeven tot ‘bijbinden’. Nadeel van deze handelwijze was het risico, dat men met een enorme stapel bedrukt, dus betaald maar toch waardeloos papier kon blijven zitten wanneer enig RB-deel niet verkocht. Het voordeel was dat vooralsnog niet behoefde te worden geïnvesteerd in bindkosten, en dat de opslagkosten voor het loodzetsel konden worden weggestreept tegen die van het bedrukt papier.
Het tweede probleem was dat de Russische Bibliotheek niet in aanmerking kwam voor rijkssubsidie, dit in tegenstelling tot soortgelijke edities van de Nederlandse Klassieken, die in diezelfde jaren in minstens zo hoge frequentie van de band begonnen te rollen. Een derde probleem was dat in die eerste jaren, ondanks ruime aandacht in de dagbladpers, de verkopen ruimschoots ten achter bleven bij de gekoesterde verwachtingen. Met name dit laatste probleem was hachelijk: er was een enorm project in gang gezet, een weg terug was er niet en een faillissement voor de nog tamelijk jonge uitgeverij lag op de loer.

Aldus luiden enkele passages uit een brief, in het voorjaar van 1955 toegevoegd aan een uitgewerkt plan waarmee Geert van Oorschot er later dat jaar in slaagde, externe investeerders te interesseren voor de oprichting van ‘G.A. van Oorschot’s Russische Bibliotheek N.V.’, voor een bedrag van 100.000 gulden (waarde anno 2004 ruim 150.000 euro). De boekhouding van deze naamloze vennootschap kwam los te staan van die van de uitgeverij. Als commissarissen van de N.V. traden toe Jonkheer Mr. L.H.N.F.M. Bosch Ridder van Rosenthal uit Rhenen en Mr. J. le Poole uit Den Haag. In de N.V.-statuten was de voor de uitgever belangrijke bepaling opgenomen dat hij, zodra alle schulden waren afbetaald, de aandelen van de naamloze vennootschap kon inkopen en de aldus gerealiseerde Russische Bibliotheek alsnog laten opgaan in zijn eigen uitgeverij.
Zo geschiedde. Niettemin: zonder het financieel vertrouwen in de goede afloop van de directies van papiergroothandel Bührmann-Ubbens, Drukkerij G.J.Thieme en Boekbinderij Elias P. van Bommel, die vaak zeer lang op de betaling van hun rekeningen hebben moeten wachten maar nooit één cent rente in rekening hebben gebracht, zou de Russische Bibliotheek mogelijk een vroege dood gestorven zijn.

Betrouwbaarder uitspraken deed Van Oorschot in een interview met Vera Illes in november 1972 toen de Russische Bibliotheek door de makers van het eerste uur als voltooid werd beschouwd: ‘Het heeft jaren geduurd, voordat de bibliotheek doordrong in Nederland [...] In tegenstelling tot geruchten heb ik voor het maken van deze boeken nooit een cent subsidie ontvangen. Ook niet van enige Russische instantie.’
Van de 38 delen waaruit de Russische Bibliotheek bij haar ‘voltooiing’ in 1972 bestond, waren de eerste 25 delen in ruim zeven jaar verschenen, over de resterende 13 was twaalf jaar gedaan. Eén deel was er niet van gekomen: de in 1958 op de flaptekst van Poesjkin 1 aangekondigde vertaling van Poesjkins beroemdste werk, de roman in verzen Jewgeni Onegin, dat vooralsnog als onvertaalbaar werd beschouwd. Ook twee andere delen waren niet helemaal geworden wat men zich ervan had voorgesteld. Het oorspronkelijke plan om aan Saltykows De familie Golowljow een reeks verhalen toe te voegen om aan de opzet van minimaal 500 bladzijden per deel te voldoen werd opgegeven. En het deel Werken van Lermontow, Herzen, Garsjin en Korolenko draaide uit op een ongemakkelijk samenraapsel. Het werd om die reden niet herdrukt.
Om de voltooiing van de reeks, waarover twintig jaar was gedaan, te vieren, ontvingen een trotse Geert en Hilly van Oorschot eind november 1972 alle vertalers, directies en personeelsleden van hun leveranciers en vele vrienden in de Amsterdamse Stadsschouwburg waar, na een speciale opvoering van Tsjechows toneelstuk Drie zusters door de Haagse Comedie, tot in de kleine uurtjes werd doorgefeest.
In de daaropvolgende jaren bleek dat de Russische Bibliotheek had wortel geschoten bij een groter publiek. Dit kwam vooral aan het licht na het sluiten van een overeenkomst met de latere D66-senator Marie-Louise Tiesinga, die de leiding had over ‘Plusproducties’, een dochteronderneming van de toenmalige Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC), welke voor zijn abonnees ‘exclusieve aanbiedingen’ verzorgde. Zo beleefden bijna alle 38 delen in korte tijd een herdruk van tenminste 2000 exemplaren.
Nadien is de Russische Bibliotheek feitelijk niet meer uit zicht geweest. Om te voldoen aan een groeiende belangstelling van veelal jongere lezers met een navenant smalle beurs verschenen tussen 1983 en 1990 ruim twintig, wereldwijd onbetwiste hoogtepunten uit de reeks in goedkopere paperback-uitgaven. Na 1990 kwam een exclusieve samenwerking tot stand met Uitgeverij Maarten Muntinga voor het onderbrengen van een aantal delen in de Russische Rainbow Bibliotheek. Ten slotte werd de oorspronkelijke serie na 1988 uitgebreid met drie delen brieven (Dostojewski, Poesjkin, Toergenjew), met W. Jonkers onvolprezen vertaling (alsnog!) van Poesjkins Jewgeni Onegin en met negen delen verzamelde werken van vooraanstaande twintigste-eeuwse schrijvers als Boelgakov, Boenin, Majakovski en Tsvetajeva. Ter onderscheiding van hun negentiende-eeuwse voorgangers kwam de uiterlijke vormgeving van deze nieuwe delen in handen van Gerrit Noordzij, wiens meesterlijke ontwerpen met volledig behoud van eigen stijl perfect aansloten bij die van Helmut Saldens fameuze vormgeving. Beide letterkunstenaars zijn zelfs fraai verenigd op de omslagen die horen bij de nieuwe vertaling van de verzamelde werken van Tsjechov, waarvan de eerste twee delen in 2005 verschenen en het derde deel in het najaar van 2006. Over deel 1 schreef Michaël Zeeman in de Volkskrant (18 februari 2005): ‘Als de nieuwe vertaling van Tsjechovs verhalen al een rechtvaardiging zou behoeven – de vorige, ook in de Russische Bibliotheek, die triomf van beschaving en uitgeefkunst in de geschiedenis van de Nederlandse literaire uitgeverij, is meer dan een halve eeuw oud – dan wordt die gevonden in de superieure kwaliteit.’