Algemeen arrow Levi Andreas


David Pefko
Levi Andreas

ISBN 9789028241336
Fictie, 384 pagina's
€ 17,50

Bestellen

Rosa werkt in een stomerij in Oud-Zuid. Ze ervaart een grote leegte. Haar moeder heeft een fles gootsteenontstopper leeggedronken, haar broertje is naar Amerika vertrokken en haar vader kijkt avondenlang naar een spijkertje in de muur. Ooit studeerde ze psychologie, nu slijt ze haar dagen strijkend in gezelschap van de 'overhemdengodin' Angelica. 's Avonds zit ze alleen thuis. Haar leven neemt een wending wanneer ze in het borstzakje van overhemd nummer 217 een briefje vindt.

Terwijl de stomerij het podium wordt van een misdrijf, gaat Rosa op zoek naar de eigenaar van het overhemd. Als ze hem eenmaal op het spoor is, reist ze hem achterna via Brussel naar New York, Zuid-Amerika en uiteindelijk, in de woorden van de grootvader van Levi Andreas, 'een soort einde van de wereld'.

Levi Andreas is een boek over vluchten, leugens en bedrog. David Pefko beschrijft in deze knap geconstrueerde roman twee levens die met elkaar verknoopt raken. Zijn stijl is lichtvoetig en tragikomisch. Het boek is een brievenroman, een road novel, een geschiedenis van een stomerij en een oefening in afstand in één. De personages verliezen nooit hun menselijkheid. Hun zoektocht naar geluk is meeslepend.

Fragment

Als je erachter komt dat je het alleen niet zal redden in deze wereld ga je eerst op zoek naar iemand die je leed kan verlichten, die het draaglijk kan maken. Als je die persoon vindt, kom je er misschien achter dat je leed niet te verlichten valt. Dan ga je op zoek naar iets anders, bijvoorbeeld een chocoladecroissant, of als het leed ernstiger is een hele zak chocoladecroissants.

Dat is misschien wel wat iedereen doet, het leed zo proberen te verlichten dat het leven draaglijk wordt.

Er is nog een andere mogelijkheid, waar niet veel mensen gebruik van maken: de mogelijkheid van vluchten, heel ver weg vluchten, totdat je niet meer weet waar je vandaan komt, als je omkijkt zie je niets meer dan een onbemand tankstation, je staat op een zandweggetje waar de wind met kleine propjes papier speelt, ze vliegen hoog de lucht in, met verwondering kijk je naar het schouwspel. Je voeten doen pijn, maar je bent blijven rennen. Nergens is een einde te zien, maar dat maakt je niets uit; toen je nog niet gevlucht was zag je dat einde ook al niet.