OORschot met Lieneke Frerichs

Voor de biografie van Nescio kreeg Lieneke Frerichs toegang tot het archief van de familie. Uit talrijke niet eerder gepubliceerde documenten schetst zij een fascinerend portret van de gecompliceerde man achter de schrijver Nescio. Ze laat zien hoe zijn verhalen, ‘De uitvreter’, ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’, een basis hebben in zijn eigen leven: zijn jeugd, zijn idealistische jaren, zijn verliefdheid op zijn latere vrouw, het gezinsleven en zijn carrière van kantoorbediende tot directeur. Hij maakte een maandenlange zakenreis door Brits-Indië, waarvan hij in brieven verslag doet. De vele brieven aan zijn dochter in Groningen geven een beeld van Amsterdam in oorlogstijd, het leven tijdens de hongerwinter en van de jaren daarna, toen hij eindelijk kon doen wat hij het liefste deed: zwerven door Nederland. 

In deze aflevering van OORschot vertelt Lieneke Frerichs hoe ze uit al dit nieuwe materiaal haar boek heeft gesmeed, en hoe ze als het ware de dialoog met Nescio zelf is aangegaan.

Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh is verkrijgbaar bij de lokale boekhandel, of online te bestellen.

Deze aflevering werd gepresenteerd en geproduceerd door Ignace Schoot.

Eindelijk: de Nesciobiografie!

In 1918 verschenen Nescio’s verhalen ‘De uitvreter’, ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’ voor het eerst in boekvorm. In de loop der tijd maakte J.H.F. Grönloh zich bekend als de man achter dit pseudoniem, maar hij bleef verder buiten de literaire wereld. Ook na zijn dood in 1961 hield zijn familie de deur voor biografen gesloten.

In Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh gaat die deur eindelijk open. Uit niet eerder gepubliceerde documenten rijst een fascinerend portret op van de gecompliceerde man die deze verhalen schreef. Verhalen die een basis hebben in zijn eigen leven: zijn jeugd, zijn idealistische jaren, zijn verliefdheid op zijn latere vrouw, het gezinsleven en zijn carrière van kantoorbediende tot directeur. Hij maakte een maandenlange zakenreis door Brits-Indië, waarvan hij in brieven verslag doet. De vele brieven aan zijn dochter in Groningen geven een beeld van Amsterdam in oorlogstijd, het leven tijdens de hongerwinter en van de jaren daarna, toen hij eindelijk kon doen wat hij het liefste deed: zwerven door Nederland.

Nescio schittert in de vele citaten uit de brieven. De biografie laat eens te meer zien wat een groot stilist hij was.

Willem die Madoc maakte

Na een storm in het jaar 1196 halen kustvissers een kleuter uit de branding. Die blijkt de enige overlevende van een schipbreuk te zijn. De jongen, vermoedelijk een koningskind, brengt zijn jeugdjaren door in een klooster nabij Brugge. Dat ontvlucht hij om zijn familie terug te vinden. Onder de naam Madoc leidt hij een leven als ridder en vecht duels op leven en dood uit, een leven waarin liefde evengoed een hoofdrol speelt.
Jarenlang is hij de rechterhand van de legendarische graaf Hincmar. In Parijs ontpopt hij zich tot agnost, vrijdenker en schrijver. Maar als de Inquisitie actief wordt krijgen de ketterjagers ook Madoc in het vizier.

In 2017 ontdekt een Vlaamse mediëvist een verzamelhandschrift uit de dertiende eeuw. Hij raakt ervan overtuigd dat dit eigenhandig werd geschreven door Willem, dichter van het fameuze Van den Vos Reynaerde en het mysterieuze boek Madoc. Hoe houden deze teksten verband met het levensverhaal van de veelzijdige middeleeuwse schrijver?

In een roman die tegelijk bloedstollend en intellectueel uitdagend is en waarin de Middeleeuwen in alle kleur oprijzen, speelt Nico Dros een vernuftig spel met de vermeende geschiedenis van de raadselachtigste middeleeuwer: Madoc.

Nu al tweede druk voor Willem die Madoc maakte!

‘Een heerlijke ouderwetse geweldige historische roman. ‘ Onno Blom in Nieuwsweekend

‘Deze historische roman laat zich lezen als een ouderwets jongensboek.’ Trouw

 ‘Laat je niet afschrikken door de omvang, als je er eenmaal in zit wil je alleen maar meer. Denk Brief voor de koning/Kruistocht in spijkerbroek voor volwassen lezers. Dit is een boek om in te verdwijnen.’ Katja de Bruin in de VPRO Gids

‘Hij mag er zijn, deze nieuwe roman van Dros. Het is een epos waarin gewone menselijkheid en intellectuele heldhaftigheid op een interessante manier verstrengeld zijn. Het verhaal schetst hoogten en diepten van de tijd van toen en tovert de mysterieuze Willem die ooit Madoc maakte om tot iemand die je heel nabij komt.’ Friesch Dagblad

‘Er verschijnen dit jaar veel historische romans, maar Nico Dros heeft de lat heel erg hoog gelegd. Het verhaal van de schrijver van de Reynaert, losjes – en in stijl – ingekaderd in dat van een onderzoeker. Alsof ik weer twaalf was en TH White’s Arthur las.’ Jan Peter Prenger (inkoper van Libris Blz.)

De wereld is niet stuk te krijgen

In zijn krachtige, onsentimentele en verrassende verhalen richt de Russische schrijver Maxim Osipov zijn blik op mensen die door ingrijpende gebeurtenissen – verraad, maatschappelijke commotie, ziekte of dood – grote veranderingen ondergaan. Net zo geraffineerd en veelzijdig als in een roman belicht hij de mensen van verschillende kanten en legt hen bloot tot in de kern van hun wezen en onzekerheden. Osipov ‘vangt’ zijn personages op momenten dat ze zich de vraag stellen die in veel negentiende-eeuwse literatuur werd gesteld: ‘Hoe moet een mens leven?’ Dat Osipov ook arts is bracht recensenten ertoe hem te vergelijken met beroemde voorgangers als Tsjechov en Boelgakov. Ook al wijst hij zelf zo’n vergelijking af, zijn psychologische inzicht, zijn vermogen tot pakkende karakteriseringen, zijn compassie en soms ironische blik maken dat die voor de hand ligt. Osipov is een schrijver die een moderne en zeer toegankelijke toon combineert met de klassieke Russische prozatraditie.

‘In deze verhalen zijn de grenzen tussen hoop, waanbeeld en leugen onduidelijk en wordt er op die grens stevig gesmokkeld. Dr. Osipov is een meester in de dramatische ironie, die bitterzoete humor wringt uit wat de lezer wel ziet maar zijn hoofdpersoon niet.’ The Wall Street Journal

En ook in Nederland wordt Osipov vol lof ontvangen:

Nu al 4e druk!

‘Met zijn voorliefde voor het korte verhaal en de theatertekst wordt Maxim Osipov gevierd als een eigentijdse Tsjechov. En net als Tsjechov beziet hij Rusland met compassie.’ De Groene Amsterdammer

‘In het Rusland van Vladimir Poetin is iedereen bezig met overleven en niet met leven. En toch lees je in dit boek een liefdesverklaring aan een onmogelijk land.’ ***** NRC Handelsblad

‘Osipovs verhalen zijn hartveroverend, maar ook hartverscheurend.’ De Limburger

‘In zijn krachtige onsentimentele verhalen richt Osipov zijn blik op mensen die grote veranderingen ondergaan.’ Standaard der Letteren

‘Maxim Osipov toont zich een meester in zwarte humor en wrange ironie, die zijn lezer steeds weet te verrassen. Met treurnis én met onverwacht optimisme.’ ***** De Volkskrant

Leesfragment: Willem die Madoc maakte

Willem die Madoc maakte

In het vroege voorjaar AD 1196 deden kustvissers een bijzondere vangst in de branding van de Noordzee. Het gebeurde ergens halverwege de middag en de storm die in de ochtend plots was opgestoken was nog niet geluwd. Een kleine menigte van haveloze lieden trotseerde de gure noordwestenwind en dromde bijeen op de smalle strook strand aan de voet van de duinen, net buiten bereik van het schuimend zeewater. Het waren niet alleen visserlui. Keuters en dorpers, onder wie een aantal vrouwen, en ook enkele kloosterbroeders waren te hoop gelopen. Met toegeknepen ogen zochten ze de donkere zee af. Een schip was in nood, ongeveer een halve mijl uit de kust. Degenen met de beste ogen zeiden dat het ging om een kogge van behoorlijke omvang. De zeilen ervan waren aan flarden gewaaid en het schip maakte slagzij. Het moest al veel water hebben gemaakt en blijkbaar waren de opvarenden niet in staat afdoende te hozen.

           De menigte bij de woelige vloedlijn bracht kreten van afschuw en ontzetting voort toen een reusachtige golf het schip verhief en daarna deed omrollen. Direct verdween het in de golven. Vanaf het strand dacht men drenkelingen te zien, spartelend in de grove branding. Boven de wind uit klonk geschreeuw om hulp. Niet veel later kwam een andere geest over het strandvolk. Iedereen snapte dat niemand op dat vervloekte schip enige kans maakte in het koude water. Maar het lag voor de hand dat de lading aan boord kostbaar was. Daarom bleef het volk de geselingen van storm en regenvlagen verduren, wachtend tot de lading zou aanspoelen.

           Enige tijd later, toen men geen enkele schipbreukeling meer hoorde of zag, gebeurde er iets wat velen op het strand in verbijstering bracht. Iemand meende een kind tussen de schuimkoppen te zien; anderen zagen het nu ook. Niemand begreep wat zich in de branding afspeelde en de vrouwen begonnen allemaal tegelijk te huilen. Het kind dreef niet in het woeste water, maar zat ineengedoken op iets wat met de golfslag mee voortbewoog. Enkele kustvissers waren zo kordaat dat ze de zee in liepen om het kind naar de kant te halen. Baert, tot zijn borst in het woelige water, was de eerste die wadend en struikelend de jeugdige schipbreukeling wist te bereiken. Hij zag toen ook wat er aan de hand was: een enorme bruinvis had het kind, dat de rugvin met zijn handjes krampachtig beethield, naar de kust gebracht! Intussen kwam Geurt ook nabij en die zocht naar zijn mes, want behalve dat kind redden wilde hij zich zo’n immens zeevarken niet laten ontglippen. Maar Baert schreeuwde: ‘Doe dat niet, ellendeling. Snap je dan niet dat dit nobele waterdier door God zelf is gestuurd?’ Een opdonder van Baert deed Geurt van zijn voornemen afzien. Daarna pakten ze het kind voorzichtig van de grote glimmende rug. De bruinvis keerde om en met stoere duikelingen zwom deze, tegen de aanstormende golven in, naar open zee terug.

            Ze brachten het kind naar het strand. Het scheen nog te leven, al oogde het wezenloos en helemaal vernikkeld. De vrouwen namen het over. Truda, de meest pronte, nam het kind in haar armen en droeg het, omgeven door de andere vrouwen, onder haar mantel naar de meest nabije hut in de duinen. Ze ontkleedden het kind, een jongen, en wreven het voorzichtig droog. Daarop maakte Truda haar kleren los en zonder aarzeling drukte ze het ijskoude lijfje tegen haar buik en boezem. Ook bedekte ze het kind met een deken van wol, de enige die in de hut aanwezig was. Elf vrouwen, bijeendrommend in de kleine ruimte, begonnen samen een rozenkrans te bidden en riepen de heilige Donaat aan. Ongeveer om het kwartier nam een andere vrouw het kind over om het tegen zich te verwarmen. Toen de duisternis al lang was ingevallen, was het jochie eindelijk een beetje doorgewarmd. Sliep het heel diep of was het nog steeds bewusteloos? Zijn ademhaling was in elk geval regelmatig en het leek niet buitengewoon koortsig.

            De mannen waren na het vertrek van de vrouwen aan zee gebleven en haalden een memorabele buit uit de golven. Vier van de elf dode drenkelingen op het strand waren, te oordelen naar hun fraaie kleding, gouden ringen en andere sieraden, van adellijke komaf. Het leek niet te gaan om Friezen of Denen, maar om lui uit onbekende oorden. Ze werden, ook de twee aangespoelde vrouwen, van alles wat ze droegen ontdaan en lagen naakt in het zand. Het strandvolk wist een handvol kisten te bergen en eveneens een paar vaten. Men sjouwde alles vliegensvlug de duinen in en verborg het onder laag struikgewas.

            Niet veel later klonken waarschuwingskreten: de baljuw van Damme en zijn trawanten kwamen in galop over het smalle strand aandraven. De magistraat had de rechten op de strandvonderij van de graaf gekocht en kwam zijn buit opeisen. De jutters maakten zich ijlings uit de voeten.

           Truda, die alle vier haar kinderen jong had verloren, wilde de kleine drenkeling adopteren.

            Haar man vond dat geen goed idee. ‘Ik ben niet dol op vreemd volk onder mijn dak,’ bracht hij naar voren, ‘maar dit ligt helemaal moeilijk. Heb je de kleertjes van het joch gezien? Hij is uit een hooggeboren familie afkomstig. Wat moet hij bij ons, armetierig volk?’

            Truda was niet zomaar van haar plan af te brengen. Ze zag voor zich hoe hij door al haar zorg en liefde een fiere jongen werd. Maar de volgende dag meldde zich de monnik Hubertus van de abdij Sint-Odulfus bij de hut. De kloosterbroeders die op het strand waren geweest hadden het merkwaardige verhaal van de kleine drenkeling aan hun abt verteld. Die liet nu het kind opeisen, omdat het wel zeker was dat de Goddelijke Voorzienigheid voor diens redding had gezorgd. Nog dezelfde dag werd het met een ossenwagen naar de abdij gereden. Het kind lag toen nog steeds half in zwijm, gewikkeld in een wollen mantel.

            De abt Adalbertus hoopte vurig dat de komst van deze kleine drenkeling het klooster in de nabije toekomst aanzienlijke voordelen zou bieden. Nog geen week later stelde hij de bisschop gedetailleerd in kennis van de scheepsramp en beschreef hoe het kind behouden was gebleven. Het was de abt erom te doen voor dit wonder een bisschoppelijke of zelfs pauselijke erkenning te verwerven, neergeschreven in een fraaie oorkonde die met pontificale zegels was behangen. Een zodanig geheiligd wapenfeit kon zijn in verval geraakte abdij een groter luister en aantrekkingskracht bezorgen.

            De bisschop reageerde in zijn epistel vooral terughoudend: ‘De getuigen die het verhaal van deze wonderlijke gebeurtenis in de wereld hebben geholpen, bestaan uit krabbenvissers en strandrovers. Niemand van enige statuur of ontwikkeling kan hun verhaal onderschrijven. Dat geldt jammer genoeg ook voor beide broeders uit het klooster die getuige waren van de schipbreuk. Het zijn immers, zoals u zelf schreef, eenvoudige, horige broeders met wereldlijke en praktische in plaats van spirituele taken. Wanneer wij alle koortsige wanen van het lage volk tot wonder verheffen, zal het einde zoek zijn.’ Men kon deze zaak natuurlijk nader laten onderzoeken,

vervolgde de bisschop, maar daarvoor moest de hulp van speciale kerkelijke gezanten worden ingeroepen, en dat was een kostbare aangelegenheid. De kans op toeschietelijkheid en erkenning door hogere klerikale autoriteiten was overigens bijzonder klein, en wel omdat de abdij niet in het bezit van de moederkerk was, maar nog altijd door de graaf als een leengoed werd beschouwd.

            Toch was de bisschop zo verstandig om de hunkerende abt niet alle hoop te ontnemen. ‘U schreef dat de kleren van het kind op een edele afkomst wijzen, al valt nog niet te zeggen uit welk land het afkomstig is. Stelt u de gravin in kennis van het verhaal en laat deze haar leenheer, de koning van Frankrijk, verwittigen. Doet u hetzelfde met het stedelijk bestuur in Brugge dat zo veel buitenlandse contacten heeft. Langs deze beide wegen kan het nieuws over de scheepsramp en de jeugdige overlevende over heel Europa worden verspreid. Zo kan het Deo volente gebeuren dat op een dag een adellijke of zelfs koninklijke familie zich bij uw abdij aandient. Wanneer zij hun beweende telg in goede gezondheid terugvinden, zal een grote beloning niet uitblijven.’

            Er restte de abt weinig anders dan met deze knagende hoop de toekomst af te wachten.

*

Het duurde bijna een half jaar voordat een speciale oppas een eerste woord aan de kleine schipbreukeling wist te ontlokken. Het jochie was al vrij snel na zijn komst in het klooster helemaal hersteld van alle beproevingen in de koude golven. Het at en dronk, zat tussen de andere wezen en oblaten, en speelde ook mee. Maar het sprak niet, geen woord, was nogal eens in zichzelf gekeerd, en toen dit bleef voortduren riep de abt, op aanraden van enkele monniken, de hulp in van mater Matthea uit Brugge. Matthea was een hooggeboren vrouw die, nadat rampspoed over haar familie was gekomen, als zuster van liefde in het gasthuis Sint-Jan boete deed door nooit aflatende zorg en bijstand te verlenen. Het was een vrouw die in weerwil van haar vroomheid en decentie nog steeds bevallig oogde en die een warmte om zich heen verspreidde waar jong en oud gevoelig voor was. Ze kwam speciaal naar de abdij van Sint-Odulfus, betrok er een afgelegen logeerverblijf en moeide zich weken achtereen met het kereltje dat stommetje speelde.

            ‘Ik zie het al,’ merkte ze na enkele dagen op, ‘een huilbui vanjewelste zit vast in zijn lijfje en drukt op zijn kleine ziel.’

            Ze speelde met hem, wiegde hem, zong hem in slaap met een keur aan liedjes. ’s Nachts hield ze hem bij zich en zag hoe hij woelde en streed tegen zijn angstdromen. Meer en meer wist ze zijn vertrouwen te winnen, totdat hij zich eens aan het einde van de dag overgaf aan haar. Een hele nacht lang stortte het jochie dikke tranen.

            Haar volgende stap bestond eruit hem de nodige woorden uit de streektaal bij te brengen. In enkele weken tijds leerde ze hem een behoorlijke woordenschat, al was het nog steeds niet duidelijk welke taal hij van huis uit sprak.

            Toen ze afscheid van hem moest nemen, iets wat haar zelf ook in tranen deed uitbarsten, beloofde ze hem af en toe te zullen opzoeken.

            De abt was zeer tevreden over de bemoeienissen en zielszorg van deze zuster vol liefde. Normaal zou hij zulke drukte niet aanhalen, maar het vooruitzicht van een riante beloning deed hem het welzijn van het jochie nastreven. Al die tijd had het nog geen naam gekregen, omdat men verwachtte dat het die zelf weleens zou uitspreken. Maar dat gebeurde niet. Daarom gaf de abt hem op een dag de naam Beda, want hij was uit het westen overzee gekomen en de blik in zijn blauwe ogen was glashelder.

Beda was de jongste in een kloosterklasje van twaalf jongens die monniken soms gekscherend als de twaalf aposteltjes aanduidden. Het elementaire onderwijs in het Latijn werd voornamelijk verzorgd door de monnik Basilius, een goedmoedige en meestal geduldige man. Een keur aan psalmen vormde de teksten voor beginners. Basilius droeg een strofe voor en de kinderen zeiden het hem regel voor regel na, totdat ze de hele psalm hadden gememoriseerd. Daarna deden ze leesoefeningen met de strofen van dezelfde psalm. Hiervoor maakten ze gebruik van een met krijt beschreven grote lei. Voor hun schrijfoefeningen gebruikten de kinderen wastafeltjes, waarbij een oudere een jongere vooruithielp.

            Beda, die aanvankelijk geen woord Latijn kende en niet vertrouwd leek met het evangelie, luisterde met de ogen wijd open en deed steeds zoals hem werd opgedragen. Lezen en schrijven bleken hem goed af te gaan en het duurde dan ook niet lang eer hij zijn achterstand op anderen had ingehaald. Wanneer de eerste basis was gelegd onderwees Basilius beginselen van grammatica, logica en retorica, op de wijze zoals het hem zelf vroeger ook was geleerd. Behalve Latijn leerde

           Basilius de kinderen ook Frans, de voornaamste taal van het grafelijk bestuur. Buiten de lessen om spraken de kinderen Diets met elkaar.

Leesclub ‘Willem die Madoc maakte’

‘Willem die Madoc maakte’, zo introduceert de middeleeuwse auteur zichzelf in zijn wereldberoemde Van den Vos Reynaerde. Maar waar het laatstgenoemde verhaal wist te overleven, deed Madoc dat niet. Wat was dit mysterieuze, door Willem geschreven, boek, en wie was ‘Willem die Madoc maakte’ zelf? In Nico Dros’ roman komt de vermeende geschiedenis van Madoc tot leven.

Zin om Willem die Madoc maakte samen met andere lezers te bespreken? Goed nieuws: vanaf 2 april is inschrijving mogelijk voor de Hebban Leesclub! Op deze pagina is informatie te vinden over de opzet van de leesclub en aanmelden kan via deze link. Veel leesplezier!

Nico Dros leest voor uit ‘Willem die Madoc maakte’

Speciaal voor de abonnees van onze nieuwsbrief leest Nico Dros een fragment voor uit Willem die Madoc maakte!

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief!

Bent u al ingeschreven voor onze nieuwsbrief? Zo niet, dan heeft u nu nóg meer reden dat wel te doen: deze maand verloten we vijf exemplaren van de nieuwe roman van Nico Dros, Willem die Madoc maakte, met handtekening van de auteur! Inschrijven kan hieronder:

OORschot met Guido van Hengel

Guido van Hengel gaat in gesprek met Ignace Schoot dieper in op Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië. In dit boek beziet hij deze roerige geschiedenis met de blik van straathonden in Bosnië en Servië. Door met ze mee te kijken ontstaat een heel nieuw perspectief op de verhouding tussen mens en dier, en tussen staat en burger. Guido van Hengel vertelt over mensen die alles opzijzetten om zelf zwerfhonden op te vangen terwijl de overheid werkeloos toekijkt. Een gesprek over de aanleidingen tot het schrijven van Roedel en de parallellen tussen het wrede dierenrijk en misschien nog wredere mensenrijk.

Zomeraanbieding 2021

De nieuwe Parelduiker

De Parelduiker 2021/1 verschijnt circa 20 februari, vanaf nu in kleur!

Triangel in de jungle: Frieda Koch, Bert Schierbeek en Lucebert

In 2020 dook de correspondentie tussen Bert Schierbeek en zijn eerste vrouw Frieda Koch op. Daar zaten ook acht brieven tussen die Frieda in 1950 en 1951 naar haar minnaar Lucebert stuurde. Haar visie op de driehoeksverhouding blijkt een noodzakelijke aanvulling op wat Lucebert erover schreef. Literaire tweespalt bestond er niet tussen Lucebert en Schierbeek, wel twist en bonje in de liefde.

Brieven van Godfried Bomans aan zijn vader

Godfried Bomans had een moeizame relatie met zijn dominante vader, die hij als een onneembare vesting ervoer. Twee brieven van de zoon aan zijn vader – hier voor het eerst integraal gepubliceerd – laten echter zien dat hun verstandhouding minder zwart-wit was dan die van de gegroeide beeldvorming.

Jac. van Looy spot met Herman Heijermans

Rond 1900 vormden de letteren als nooit tevoren een spiegel van wat zich in de samenleving voltrok. De ontwikkelingen volgden elkaar ook razendsnel op. Had eerst het individualistische elan van de Tachtigers de boventoon, snel daarna volgde het engagement van de socialisten. Het leidde tot aanvaringen tussen adepten van deze bewegingen. Zelfs schilder en schrijver Jac. van Looy, die allerminst bekendstond als een polemist, wilde de slag aangaan, met Herman Heijermans nog wel. Naast literatuur en socialisme bevatte Van Looys aanval ook een duisterder, antisemitische component.

Grofheden op de achterbank: Paul Celan en Martin Heidegger

Het was een van de meest besproken literair-filosofische ontmoetingen in het Duitsland van de vorige eeuw. Die tussen de Holocaust-overlevende, joods-Roemeense dichter Paul Celan en de Duitse filosoof Martin Heidegger, die in 1933 lid was geworden van de nationaalsocialistische partij van Hitler. Ze zagen elkaar in universiteitsstad Freiburg en bezochten Heideggers hut op de Todtnauberg in het Zwarte Woud. Wat bespraken zij en wat betekenden deze en latere ontmoetingen?

De Parelduiker is een uitgave van de Stichting Het Oog in ’t Zeil i.s.m. Uitgeverij Van Oorschot en wordt financieel ondersteund door het Nederlands Letterenfonds en de Stichting Vrienden van De Parelduiker. Redactie: Hein Aalders (eindredactie), Marco Daane, Marco Entrop, Marsha Keja, Menno Voskuil en Thijs Wierema. www.parelduiker.nl 

Sander Kollaard wint De Inktaap!

De Inktaap 2021 is gewonnen door Sander Kollaard, met zijn boek Uit het leven van een hond. Andere genomineerden waren Het wit en het purper van Willemijn van Dijk en De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo. Meer dan 1000 jongeren hebben de drie boeken gelezen en hun stem uitgebracht. Uit een van de juryrapporten:

“Het boek is prachtig geschreven en is ook humoristisch. Juist iets wat wij in deze tijd allemaal nodig hebben, is de levenslust, het gevoel dat de dag mooi is en dat het leven in het moment zit.”

Meer informatie is te vinden op de website van de Inktaap.