DE MENS ALS BIOPIC Vincent van Gogh en de anderen 1

Afwezigen behoren tot de meest aanwezige karakters in verhalen. Ze zijn er niet, maar beheersen alle fictie en non-fictie van sprookjes tot nieuwsfeiten, van mythe tot cult movie, van Homerus tot Harry Potter.

Favoriet in de categorie der afwezigen zijn God en Allah, maar wat te denken van een nog steeds rondlopende seriemoordenaar, een verdwenen geliefde, de ondergedoken dictator, een onvindbare erfgenaam, de al te stille buurvrouw, de slimme veelpleger, de geheime aanbidder, Dr. Livingstone, de geest van vader, Bolle Jos?

Het zijn de niet-aanwezigen die spanning en dynamiek genereren. AMBER Alert! 

Dit dramaturgisch gegeven gebruikte ik in de achtdelige dramaserie Langs de Kant van de Weg. De serie gaat over mensen die tijdelijk een rol speelden in het leven van Vincent van Gogh. Mensen die straal vergeten – niet aanwezig – zouden zijn wanneer zij niet kort beschenen werden door het licht en het genie van Vincent van Gogh. Zij vormen de acht hoofdrollen in deze tv-serie.

*

Deel 1 VROUW MET KIND

Clasina (Sien) Maria Hoornik (1850–1904)

De serie begint met een hoogzwangere vrouw in een ziekenhuisbed. Haar dochtertje Willemien – vijf jaar – tikt as van een sigaar die haar moeder daar rookt. Sien Hoornik werkte als prostituee en hoogstwaarschijnlijk hebben Van Gogh en Hoornik elkaar op die manier ontmoet. Ze woonden twee jaar samen. Vincent timmerde een wiegje voor de baby – niet de zijne – en hij tekende alles wat los en vast zat in hun Haagse buurtje. Van trouwen kwam het niet.

Dat er over de aard van hun samenleven niet veel bekend is, maakte het mij voor makkelijk scènes te bedenken over Vincents artistieke ambities en hoe die ten slotte het samenzijn met Sien onmogelijk maakten.  

SIEN:

‘Jij bent geen kunstschilder, want die zijn rijk.’

‘Die rotzooi van jou, daar kan ik nog geen kachel van stoken.’

‘Ik ben ook niks, maar ik heb wel twee kinderen.’

VINCENT:

‘Als jij niks bent, zou ik je niet kunnen tekenen!’

Vincent wil weg. Naar Drenthe.

SIEN:

‘Ga dan! Ik zit niet verlegen om die Jezuïeten-smoel van je.’

Vincent vertrekt, op 11 september 1883. Op 22 september 1904 wordt aan rand van de Provenierssingel in Rotterdam het lichaam van een vrouw gevonden, ‘zeer vermagerd en met loshangend haar’. Sien.

*

Deel 2 DIE VERREKTE VAN RAPPARD

Anthon Gerard Alexander van Rappard – vijf jaar jonger dan Vincent – is ook zo’n naam die alleen genoemd wordt in relatie tot Van Gogh. Is dat jammer?

Zijn werk is opvallend vergelijkbaar met dat van George Hendrik Breitner, maar Van Rappard lijkt meer betrokken bij de mensen die hij schilderde en dat verbond hem dan weer met Van Gogh, met wie hij veel optrok.

De twee mannen werden goede vrienden, kameraden zelfs. Ze schilderden de watermolen van Nuenen, markante koppen van boeren, wevers, drukkers en arbeiders in hun werkplaatsen.

Anthon van Rappard was ook de eerste mens op aarde die oog in oog stond met De Aardappeleters.

Daar ging, zoals vaker bij Van Gogh, een ruzie aan vooraf.

VINCENT:

‘Anthon… Jij denkt schilderen te leren zoals je dansen leert, of eten met bestek. Ga weg van die academie, een ijzige, kouwe hoer.
De zucht naar harmonie is de dood!’

Hierna zagen de twee vrienden elkaar een tijd niet. Maar dan gaat Anthon toch onaangekondigd naar Nuenen. Vincent is daar niet, zo blijkt.

Anthon staat ten slotte achter de pastorie in het atelier/de schuur van zijn kunstbroeder.

Het is er doodstil.

Voorzichtig trekt hij uit een tiental onaffe doeken een nogal groot schilderij tevoorschijn. Hij bekijkt eerst de achterzijde, draait het dan om en ziet een boerengezin rond een tafel. Bij lamplicht prikken ze aardappelen uit een grote schaal.

ANTHON:

‘Dit is…
Dit is verschrikkelijk.
Een vloek. Een vloek is ‘t.
Ik kan jou hierin niet volgen.’

Zonder op Vincent te wachten, vertrekt Anthon van Rappard uit Nuenen.

*

Deel 3 DIRECTEUR IN ANTWERPEN

Michiel Karel Verlat (1824–1890)

Karel Verlat was een groot kunstenaar, maar werd te laat geboren. Dat was tragisch, althans zo portretteer ik hem in Langs de Kant van de Weg.

Verlat maakte tableaus met dieren in actie en verbleef een paar jaar in Jeruzalem om daar Bijbelse taferelen te schilderen. Hij werd gerespecteerd, maar Verlat komt ook de eer toe een van onze allergrootste kunstenaars van zijn Antwerpse academie geschopt te hebben met teksten als: ‘Kunst is moeder en dienares van het volk, maar zij is ook mannelijk, stoer en strijdbaar. Indien nodig is kunst vernietigend, streng en onbarmhartig.’

En tegen Vincent persoonlijk:

‘Uw boer Theo heeft in Parijs een… kunsthandel. Daar verkoopt hij kinderlijke uitsmeersels gemaakt door hasjies-gebruikers, absintdrinkers, impressionisten!’

En als Vincent nota bene een sigaret rokende schedel heeft geschilderd:

‘Er is in onze academielokalen geen plaats voor primitieve, onbeschaafde gemoedsuitstortingen, geen… verf-ophopingen! Ons monument van Schone Kunsten zal niet aangevreten worden door… charlatans.’

Het was voor mij een wellustig genoegen om de academievorst Verlat – prachtig gespeeld door Julien Schoenaerts – te zien vechten tegen het aanstormend modernisme. Ik had met hem te doen en dus zegt Verlat ten slotte ook tegen Vincent:

‘Mogelijk is er enig genie in u, Vincent van Gogh. Maar u zult begrijpen dat nabijheid van genie voor mij onverdraaglijk is.’

*

Deel 4 BROER IN PARIJS

Theodorus van Gogh (1857–1891) steunde zijn broer Vincent in elk opzicht, een aangrijpende broederliefde die legendarisch werd.

Als je zielsveel van iemand houdt, hoelang verdraag je dan diens kuren, diens stapels door iedereen afgewezen tekeningen en schilderijen? Hoe rekbaar is Theo’s geloof in zijn broer, met wie hij ook nog eens samenwoont: Rue Lepic 54.

Kunsthandel Boussod Valadon aan Boulevard Montmartre, najaar 1887. Theo is daar bedrijfsleider, maar heeft het moeilijk.

VALADON:

‘Hoe vaak heb ik u al gezegd dat ik nooit meer die rommel van uw broer in mijn zaak wil. Wanneer u nog eenmaal die smerigheid durft op te hangen, dan vliegt u eruit!’

Theo geeft toe, waarna het tussen de broers opnieuw hoog oploopt.

VINCENT:

‘Je stagneert een evolutionair proces, Theo. De generaties die na ons komen zullen je met de vinger nawijzen.’

Nu glimlacht Theo toch even. Hij herkent door alle teleurstellingen heen het vermogen van Vincent om de schilderkunst, zelfs het hele begrip ‘afbeelden’, te vernieuwen. Theo weet zich overigens wel gesteund door tijdgenoten als Claude Monet, Edgar Degas, Paul Gauguin, Toulouse Lautrec en Paul Signac.

Het was voor regisseur Jan Keja, voor mij en het hele productieteam een feest om al deze kunstenaars te laten leven en om te horen hoe zij lacherig op het werk van Vincent reageerden.

En dat allemaal in de schaduw van een nog half gebouwde Eiffeltoren.

Aan het eind van de aflevering wordt de situatie tussen de broers aan de Rue Lepic onhoudbaar.

THEO:

‘Je bent bloeddorstig. Elke kruimel brood die je eet, elke vezel textiel aan je lichaam komt uit mijn zak. Ik wil me niet schamen voor jou. Ga weg uit Parijs.
En eh…
Ik ga trouwen.’

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

recent

Dingen kwijtraken

Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp.

Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet aanspraken. Het verbaasde me hoe weinig duurzame spullen ze in zestig jaar samen hadden verzameld. Ik nam een schilderij van mijn grootvader mee, B draagt nu mijn moeders ringen.

Een paar praktische spulletjes waren er natuurlijk wel, waaronder een vulpotlood van Jos en een e-reader die ik in haar laatste maanden nog voor Ine heb gekocht. Nadim (14) wilde graag de kristallen snoeppot die altijd bij zijn opa en oma had gestaan. Een paar maanden geleden sneuvelde die pot, schijnbaar vanzelf. Opeens was hij gebarsten.

Nadim tilde het deksel eraf en de onderkant viel uiteen in twee doodenge scherpe ringen. Hij was verdrietig, onze jongen. ‘Nu heb ik niets meer van opa en oma,’ zei hij, en probeerde alles weer zo te stapelen dat het overeind zou blijven, maar ik gooide de scherven weg. Te gevaarlijk.

Het vulpotlood van mijn vader raakte ik ergens in de stad kwijt; het had in mijn binnenzak gezeten tot het daar na een late avond in het café opeens niet meer in zat.

Je hechten aan spullen is onverstandig omdat ze uiteindelijk altijd stukgaan of kwijtraken; toch voelde ik het verlies van dat potlood sterk. Het was van zilver en ik had het aan mijn vader gegeven als dank voor al zijn jaren hulp bij mijn boekhouding en belastingaangiften. Hij was duidelijk ontroerd door het cadeau en de nieuwe autonomie van zijn zoon waar het voor stond (ik was net vijfenveertig geworden).

Gisteren is mijn moeders e-reader kwijtgeraakt – ergens in huis, want niemand heeft hem mee naar buiten genomen; hoe dan ook is hij onvindbaar. Een modern apparaatje zonder patina, los van herinneringen, maar wél een van de laatste dingen die ik van haar had. Mijn moeder heeft altijd veel gelezen en vertrouwde in haar laatste jaren op mijn smaak: die e-reader was ingelogd op mijn account.

Ik wil geen nieuwe kopen. Ik wil mijn moeders Kobo terug, met dat oranje hoesje met die barst erin.


beeld: mijn vader, voor zijn ouderlijk huis in Eindhoven, circa 1946

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Met een nog net coherent “goedenavond” eindigen,  dat is een ongeschreven wet’* – Over het café

De encyclopedie van het geluk 27

In een café rijg je drankjes aan elkaar.

Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De bestelling van de eerste borrel ontvalt hem vijf minuten later als een achteloosheid. Maar met die eerste begint een ketting, waaraan hij ‘s avonds om 10:00 uur nog staat te rijgen.’

Wanneer wij rustig bij elkander zaten
in de een of andre Amsterdamse kroeg,
wisten wij eigenlijk niet meer te praten
dan wat de dagelijkse dag ons vroeg.

Want, waar de één de late lucht gelaten,
de ander slechts de wilde meeuwen droeg,
schiepen drie zielen tijdens de hiaten
het zingend lied, en dat was ruim genoeg.

[…]

(Gerard den Brabander)

En even goed rijg je in je leven, cafés aan elkaar. Er is een eerste, er is een laatste en afhankelijk van je dorst zal daar van alles tussen zitten.

Mijn vader kieperde vroeger na zijn werk en voor het eten even twee jenevertjes naar binnen, ingeschonken op de ijskast. Daar bleef het dan ook bij.

De Reiger, Oorlam, Het Blaauhooft, De Ooievaar, Café Krom, Het Loosje, Bloemers, De Engelsche Reet, Brandon, het Molentje – het zijn enkele van de mooie Amsterdams kroegen waar ik heb zitten rijgen, en waar dat nog steeds kan.

En dus heb ik een beeld van wat een mooi café is. Uit de vaste elementen kun je je ideaal samenstellen: in mijn café is een L-vormige bar, met erachter een ruimte met voorraad, een keukentje. Spiegels in de drankkast, zodat je tussen twee Schotse whisky’s naar een bezoeker kunt staren. Er zijn tussen de vier en tien tafeltjes. De vloer is van houten planken met schelpenzand erop gestrooid. Hoge ramen in een hoge ruimte. Het is een hoekpand. Je moet kunnen uitkijken over een gracht en een straatje. Er is een donker hoekje voor wie daar behoefte toe voelt. De kastelein heeft een speciale kwaliteit. Hij of zij is een filosoof. Laconiek, zwijgzaam. Niet te jong. Geen pusher maar steeds aanwezig als het nodig is. Dat is een vak. Geen student beheerst dat vak. De kastelein is meester in het uitspreken van korte zinnen waar je alle kanten mee op kunt, geen gemeenplaatsen, maar vreemd filosofische meesterwerken die toch uit heel gewone woorden bestaan.

Er is een posterwand, die is zo dik als een dijbeen: decennia posters over elkaar heen geplakt. Het culturele leven in de hoofdstad maakt het café jaarlijks een paar millimeter kleiner. De vaste klanten zitten als een parlement uilen in hun glas te loeren. ‘Making love to his tonic and gin’ zong Billy Joel.

Gister zat ik in een café met een vrouw van 78 die fijntjes twee jonge klaren dronk terwijl ik mutsig aan mijn nulprocentje zat. ‘Zij smikkelde even uit haar kelkje op zo’n manier die tijdelijk geheelonthouders als ik het vuur aan de schenen legt,’ heet het bij Carmiggelt. En achter haar een man, eveneens uit Carmiggelt die ‘ouder was dan ik, maar miste de chagrijnigheid waarmee veel oude mannen hun niet langer gehonoreerd gelijk door het leven vervoeren.’

Ja het bestaat nog. Het Amsterdams café, en je mag het zelf vormgeven. Geen tapijtjes op de tafels, wel een bareitje voor 50 cent graag.

Het rijgen valt mij het meest op in een café: elk kroegbezoek vervolgt gewoon het vorige: het is een eigen universum met de tien vaste elementen in eindeloze afwisseling. De tijd staat niet stil maar gaat verder daar waar hij bij het vertrek uit de vorige kroeg gebleven was. Kroegtijd.

Die scharniert tussen de andere tijden, werktijd, vakantietijd, gezinstijd, kindertijd, relatietijd. Over of alcohol noodzakelijk is voor kroegbezoek ben ik nog niet uit. Een koffie of een thee kan ook. Maar enige beneveling helpt, al kan die goed opgedaan worden door traagheid van denken. Traagheid überhaupt. Een dromerige wereld is het eigenlijk. Daarom werkt gelijkvormigheid: god verhoede een ‘vormgegeven’, café, een nadrukkelijke omgeving weerhoudt het brein van doorrijgen in de stroom van Eerdere Cafés. En een overtreffende trap van wijze afwezigheid is een boek lezen in een café. Een binnenwereld in een binnenwereld. Een kroeg is een dromerige herhaling.

Het café moet zichzelf voegen naar het archetype van het café, zodat de bezoeker kan afdalen in alle cafébezoeken van zijn leven. En dromen van een wereld die heel even alleen maar dat is.

Een goed meisje droomt

Zij droomde, zij trof hem in een café.
Hij las en zat te eten
en keek haar aan en zei tot haar:
e hebt het boek vergeten!

Toen knikte zij en keerde om
en lachte verstolen en stralend.
En zij ging de late straten op
en dacht: ik zal het halen.

De weg was lang. Zij liep en liep
en neuriede een liedje teder.
Zij klom in de woning en bleef er een tijd
en eindelijk ging zij weder.

En toen zij het café betrad
zat hij nog altijd te eten.
Hij zag haar komen en riep haar toe:
Je hebt het boek vergeten!

Toen stond zij lang en geschrokken stil
en kon het maar niet verstaan.
Dan knikte zij weer en ging naar de deur
om de weg nog eenmaal te gaan.

Zij was zo moe en ging en kwam
en zij had toch zo gaarne gezeten.
Hij zag nauwelijks op en hij zei alleen:
Je hebt het boek vergeten!

Gerard den Brabander

lezen:

Patrick Modiano, alles, geen boek zonder uitgebreid café bezoek.
Gilles van der Loo Café Dorian
*uit S. Carmiggelt Gedundrukt

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.