Lezers

‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’

We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op een zinkend schip te zitten; hoe belangrijk de kleinste dingen dan worden. Een man en een muis die zich zij aan zij vasthouden aan het laatste droge stukje reling, met heel hun wezen opkijkend naar de wolken, naar de zon.

Toen mijn eerste verhaal vijftien jaar geleden verscheen verwachtte ik niet te kunnen leven van mijn eigen werk. Ik geloofde in dat verhaal en in alle verhalen die volgden, maar in mijn tijd en taalgebied is leven van de literatuur onmogelijk. Ik ben groot gekomen in een kleine vijver.

Soms draag ik ergens voor en merk dan hoe oud mijn publiek is – grijze haren in die paar bezette rijen van de schouwburg. Binnen twintig jaar valt de groep die nog opgroeide met lezen en de radio weg.

Toch geloof ik dat er altijd echte lezers zullen zijn, zoals er altijd mensen zullen zijn die willen leren haken, die een obscuur soort keelzang onder de knie willen krijgen, die Sloveens willen leren.

Ik zie ze als ik achter de bar sta in De Druif, zelfs op de drukste avonden: jonge mensen komen binnen met een roman onder hun arm en wachten lezend op hun vrienden – soms blijven ze lezen als die vrienden er zijn.

Een tafel vol open boeken in een druk café – ze ontroeren me, die lezers. Het zijn mensen met een grote interesse in de ander en een nog groter hart, die steeds weer bereid zijn om die eerste stap te zetten, zich over te geven aan dat verhaal. Ze doen moeite om de ander echt te snappen.

Nu ik het zo opsom: als het lezen ooit stopt, dan is de hele wereld reddeloos verloren.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

DE MENS ALS BIOPIC 13 Catherina

Catherina had drie vriendinnen. Deze vrouwen zijn nooit in levenden lijve gesignaleerd. Ze zijn bedacht en op jonge leeftijd overleden. Zo gaat dat met helden, met personages die we kennen van films en televisieseries.

Ik was een seizoen lang scriptredacteur bij een dramaserie over Catherina, Babette, Robin en Donna:

ROZENGEUR & WODKA LIME

Waarom ik voor die klus gevraagd werd weet ik niet meer, en ook niet waarom ik er weer werd uitgegooid. Maar het was een ervaring.

Mensen die werken aan soaps, aan langlopend relatiedrama zoals Oogappels of aan sitcoms bewonder ik. Het is ploeteren. Er moeten dagelijks vingers aan de pols worden gehouden van het publiek, de actualiteit, kijkcijfers en commerciële belangen. En dat allemaal zonder een gram originaliteit en creativiteit te verliezen.

Er wordt nogal lacherig gedaan over dat machinaal produceren van tv-drama, het woord ‘soap’ is spreekwoordelijk geworden. Toch is het juist de anonimiteit van makers en producenten die dit genre zo’n autonome status geeft: het is er gewoon, zoals water uit de kraan, zoals soepblikken van Campbell.

Nog steeds ben ik verbaasd over mijn onstilbare verlangen naar film. Zijn alle dramatische middelen niet allang tot op het bot toe afgekloven? Niet wéér foute ouders, nare kinderen, misdadigers, extraterrestrial aliens, natuurrampen, misbruik. Niet weer een terminale ziekte. Komt er dan nooit dat nou-weet-ik-het-welmoment? Het antwoord is nee. Hoe kan dat?

In dit verband wordt het woord ‘spiegel’ vaak gebruikt, of ‘herkenning’. Maar herken ik mijzelf in een Smurf, in een Marvel-zombie, in een hoogbejaarde courtisane? Niet letterlijk natuurlijk, maar de smurf, de zombie en de courtisane representeren mij. Acteurs, in welke idiote gedaante ook – Sara de Zebra – moeten menselijke emoties vertegenwoordigen, anders zijn ze ongeschikt voor een verhaal. Zo zijn ook Catherina en haar vriendinnen slechts dummy’s gehuld in kostuums van verdriet, ambitie, haat, liefde, angst, zorg en verlangen, heel veel verlangen.

*

Voor ik aan Rozengeur & Wodka Lime begon hield ik me tijdelijk bezig met het ontwikkelen van een daily soap. Ik werd al snel wanhopig van de protocollen, de richtlijnen en wetten die wij als scriptschrijvers dienden te hanteren. Voorbeelden:

‘Scenes met twee mensen die een scène lang op de bank zitten te praten zijn verboden.’

‘Iemand die gaat staan kan niet nog eens gaan staan zonder tussendoor te gaan zitten.’

‘Laat niemand uit het raam staren, want alles is studio.’

‘Laat je karakters ook alledaagse dingen doen: een boodschap, toiletbezoek, een kapotte magnetron e.d.’

‘Zo min mogelijk figuranten.’

‘Overdag wordt er geen alcohol gedronken.’

‘Geen harde seks. Geen lichaamsdelen benoemen.’

‘Vechten tegen tranen levert meer drama op dan de tranen zelf.’

‘Nooit twee onderwerpen in één scène.’

‘Een woord mag maar één keer in de scène gebruikt worden, uiteraard wel lidwoorden.’

‘Gebruik geen stopwoordjes als joh, hé, ik bedoel, trouwens.’

‘Geen scheldwoorden, en nooit koosnaampjes.’

‘Gebruik weinig spreekwoorden of gezegden. Als iemand zegt “We gaan de koe bij de hoorns vatten”, of “Daar kraait geen haan naar”, dan denkt het publiek dat we op een boerderij zijn.’

‘Elke scène moet een mini cliffje hebben.’

‘Buit een conflict uit of pomp het op.’

‘Neem als schrijver je eigen twijfels en óf problemen mee in de scènes.’

‘Dus ga uit van jezelf.’

Dit alles en veel meer verlamde mij. Vooral dat ‘Ga uit van jezelf’ zat me dwars. Schrijvers moeten niet, of zelden, uitgaan van zichzelf. Maar daar zijn de meningen over verdeeld.

*

Ik bel met de ‘echte’ Catherina: actrice, schrijfster en redacteur Sabine van den Eynden. Ik vraag naar haar ervaringen bij R&WL.

‘Toen ik werd toegevoegd aan het R&WL-team waren ze al bezig met de constructie van de vier hoofdpersonen. Het karakter Catherina was gemodelleerd naar mij! Ik was stomverbaasd. “Catherina is impulsief, ongericht, een beetje dom en falend in alles wat ze probeert. De pias, die voor de komische noot moet zorgen.” Ik was diep beledigd en besloot de vergelijking tussen mij en fictieve Catherina te negeren.’

‘Maar had je geen last van alle beperkingen?’ vraag ik Sabine. ‘Want een aflevering moet precies 21’30’’ duren, de grote lijnen worden door anderen uitgezet, je moet bruggetjes maken, rode draden uitzetten, niet te veel informatie in één zin en ritmeverschillen. Dat is toch om gek te worden?’

‘Nee! Ik voelde me juist heel vrij om binnen de situatie waarvoor ik werd ingehuurd ideeën van anderen vorm te geven. Een heel prettige positie, want mijn expertise als schrijver en als vrouw van begin dertig, toen, werden gewaardeerd.’

Ik ben geen Sabine. Ik werd wanhopig van de do’s and don’ts, van al die wetten die soms ook nog ter plekke werden uitgevonden. Als ik voorstelde dat Babette zou zeggen dat… dan riep iedereen: ‘Oh nee nooit! Want Babette is…’

‘En als Catherine nou ‘s…’

‘Zou ze nooit doen!’

Geen Rozengeur & Wodka Lime voor mij.

*

Netflixfilms en -series en ook een nieuw seizoen van Oogappels, dat drama wordt voortaan allemaal geschreven door ChatGPT.

tirade blog Menno Hartman

Blauwbehoefte

Larousse 25

Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een laagje condens is.

Fragmentarisch blauw

Waarom aandacht besteed aan fragmentarisch blauw
in een vogel, of een vlinder hier en daar,
of in een bloem, een edelsteen, of een oog, waar
de hemelkleur zelf het in lagen toont aan jou?

Omdat de aarde aarde is; niet de hemel nog —
al zijn volgens sommige geleerden aarde en lucht één;
en blauw reikt zo hoog over ons heen
dat het onze blauwbehoefte slechts versterkt, toch?

Robert Frost

Wat mij nou fascineert is waarom de kennis van blauw achter de wolken niet voldoende kan zijn. En ook: hoe leer je te leven onder een grijze hemel in de wetenschap dat slechts een laagje je scheidt van die schitterende kleur? Maar misschien is dat onzin. Een laagje is alles. In de gevangenis scheidt slechts een laagje je van de vrijheid. Houd ik – zoals Frost suggereert – van de ijsvogel, van korenbloemen en van de vlindertjes icarus- bos- en heideblauwtje en de steen lapis lazuli omdat ze me een schok van heldere hemelliefde toedienen? Misschien wel.

Van lange, bepakte wandelingen met een loodgrijze Schotse, Waalse of Scandinavische lucht waar gestaag regen uit klettert, herinner ik me het de horizon afgrazen naar een teken van licht. ‘Daar wordt het al wat lichter!’ en dan, als er een stipje blauw verschenen is, de extase, en de ik neem aan oud Hollandse kleermakerswijsheid dat ‘zolang je er geen pak uit kunt snijden’ het niet zal gaan doorzetten…

In Dordrecht in het museum fotografeerde ik zondag alle ‘Hollandse Meester-blauwtjes’ die ik tegenkwam. ‘Aandacht besteed aan fragmentarisch blauw’ noemt Frost dat.

De elementaire vraag blijft; hoe ontwikkel je de wetenschap van blauw achter de wolken? Blauwbesef? Het voortdurend geruststellend weten dat het tijdelijk is wat je bedrukt? Een vraag die velen kwelt in bijvoorbeeld de lange, lange februarimaand. Ik herinner me een uitzending met Kees Momma, ’s lands beroemdste autist, die niet van ‘mooi weer’ houdt. Gewoon weer, dat was fijn, en dat is helemaal bewolkt. Hij heeft dus onder meer op mij voor dat hij eenvoudigweg niet lijkt te verlangen naar blauw. Of? Wie heeft het meteorologisch nu het best in Nederland, Kees of ik? Het KNMI zegt: ‘Gemiddeld over het hele land neemt het aantal zonuren in de loop van het jaar toe van 68 uur in januari tot 92 uur in februari, 144 uur in maart en 194 uur in april. Dit komt doordat de dagen langer worden en het overheersende weertype verandert gedurende het jaar. Normaal is eind mei, begin juni de zonnigste periode van het jaar. Daarna ontstaan er door de grotere warmte landinwaarts gemakkelijk stapelwolken, waardoor het hartje zomer in het algemeen iets minder zonnig is dan aan het eind van het voorjaar. In het najaar en de winter kan het dagen achtereen grijs zijn. Januari telt normaal (landelijk gemiddeld over het tijdvak 1991-2020) negen zonloze dagen, februari zes, maart vier en mei nog maar één dag zonder zon.’ Voor Kees wordt het vanaf nu minder.

Het zijn twee verschillende zaken: hoewel blauw impliceert dat er zon is, en er dus meer licht is en alle kleuren feller oplichten, wat op zich al helpt, gaat het me eigenlijk specifiek om de aanwezigheid van blauw, ook een klein beetje. Want een klein beetje blauw is een opening, een opening naar iets anders, impliceert ruimte, verder kunnen kijken. Betekent ook contact met de wereld: kijken naar iets dat een levend wezen duizenden kilometers verderop ook kan zien. Het gegeven dat blauwe lucht rijmt met blauwe zee, de associatiekracht van de kleur dus ook. Ook sterren zien (geen zon, maar geen wolken) heeft een gelijksoortig effect: de opluchting van ruimte. En dat dichte bewolking een dwangbuis is, iets wat je ergens vanaf houdt. Misschien betekent bewolkt voor mij claustrofobisch. En is dat voor Kees juist geruststellend: een afgemeten wereld.

Geweldig is dat een gedicht over blauwe lucht al helpt: de verrekijker wordt in werking gesteld. En of Frost dat nu vreemd vindt of niet: een pimpelmees helpt met zijn beetje blauw ook al.

Er is blauw achter wolken.

Lezen: Elisabeth Lockhorn En blauw zal alles zijn. Een bloemlezing
Maggie Nelson Bluets

Luisteren: Reinhard May – Über den Wolken

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Humor

Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor.

Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe persoon met wie ik – als was ik zonder uit te kijken een hoek om gerend – plotseling te maken had.

In mijn herinnering duurde dat onwennige een halve dag, daarna was Nadim volop de mijne. Best kort als je bedenkt dat je geen woord met zo’n kind kunt wisselen. Daarna leerde ik hem in stappen beter kennen: toen hij begon te lachen, te eten, te praten – telkens bleek hij los van mijn verwachting en meer zichzelf. Daarna ging hij schrijven, appen: weer een nieuwe man om te ontdekken.

Bij het uitharden van zijn gevoel voor humor komt Nadims persoonlijkheid tot in de laatste puntjes uit de verf. Humor is natuurlijk al heel vroeg aanwezig, maar ik doel hier op de dingen die hij grappig vindt nu hij (op zijn veertiende) een nagenoeg volwassen begrip heeft.

Vorige week moesten we naar een afspraak bij de specialist. Zijn appgedrag is vaak gekmakend, zo kortaf dat het bot aandoet. Nu was ik bereid twee uur van mijn werkdag op te offeren om hem te steunen bij iets wat hij makkelijk zelf kon.

Dag lieve man, schreef ik. Heb je een fijn dagje? Je weet dat we zo een afspraak hebben, toch? Ik ga met je mee, hoor. Kun je me bij De Balie ophalen na mijn werk, of ga je van school naar huis en fietsen we vanaf daar als we een boterham gegeten hebben?

Na een paar tellen schreef mijn jongen: Thuis

Jezus, stuurde ik. Je weet dat je voor appjes niet per letter betaalt, hè?

Even knipperden de puntjes bovenin het scherm. Hij antwoordde met alleen de letter J

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Het oude thuis – over het geluk van herinneren

Larousse 24

Ik rust met mijn hoofd tegen een tuinmuur in Lissabon. Een muur aan mijn rechterzijde is begroeid met wingerd. Links klatert een fonteintje. Vannacht werd ik wakker met gierende doodsangst. Ik dacht dat ik dat wel achter me gelaten had. Ik word nooit meer zo wijs als ik was toen ik 30 was. Vanuit een raam hoor ik pianomuziek. Een herinnering aan een gedicht vlamt op. Het is een Pessoa’s ‘Un soir à Lima’. Wat op zichzelf weer een gedicht over herinneren is, ik woon in een Drostedoos. Het is een prachtig, tweeënhalf meter lang gedicht. Pessoa hoort op zijn beurt een radio:

De stem van de omroeper kondigt
even langzaam als gevoelloos aan:
‘en dan nu
“Un soir à Lima”’…

Mijn glimlach verstart…
Mijn hart staat stil.

Wat volgt is een dromerig melancholieke herinnering aan Pessoa’s moeder die op een avond in Zuid-Afrika – waar Pessoa als jongen woonde – ‘Un soir à Lima’ speelt op de piano, terwijl hij als oudste nog op is. Buiten de warme Zuid-Afrikaanse nacht. Een bitterzoete herinnering, want zijn moeder is dood. Het muziekstuk is een serenade voor piano van de componist Dieudonné-Félix Godefroid (1818-1897), een beroemdheid in de 19e eeuw, zij het meer als uitvoerder dan als componist en dan nog speciaal op de harp. (Zijn dochter trouwde met Adolphe Sax, de uitvinder van de ….sax)

Ik denk dat je gaande het lange gedicht Pessoa’s promillage kunt zien toenemen. Ik heb in mijn uitgave van de vertaling (door Harrie Lemmens Een spoor van mezelf) in de kantlijn drie keer ‘drank’ genoteerd, waar ik denk dat je kunt zien dat hij weer wat dieper in dronkenschap tuimelt. Niet als een oordeel, maar als een fascinerend zichtbaar bijeffect. En ook wel een manier om als matig drinker nog eens onmatig te zijn: je voelt de roes… Drank schiep dit meesterwerk, denk ik.

Pessoa beleeft hier wat Julian Barnes in – wat hij zegt dat zijn laatste boek is – een ‘involuntary autobiographical memory’ noemt. Een IAM. Barnes jongste boek is een afscheid. Departure(s) is onder veel meer een studie naar herinnering. Via Proust en hersenafwijkingen naar veel meer (stel je je voor dat je iedere taart die je ooit at opeens precies kunt herinneren, het bestaat. En onplezierig, vooral als je niet zo dol meer op taart bent). Hoe onvrijwillig een te binnenschietende herinnering ook kan zijn, dikwijls houden ze geluk in. Een gelukkige herinnering. Maar bitterzoet van nature: het was mooi, maar het is voorbij. De kunst gaat zijn te denken: het is voorbij, maar het was mooi. De omdraaiing is je mogelijkheid tot geluk.

Ik woon in het huis waar mijn kinderen opgroeiden en vertrokken de wereld in. Soms, eveneens mijmerend draai ik de film terug af van vertrekkende adolescenten naar schoolkinderen, naar kleuters etc. en zie de kamers in mijn herinnering daarmee terugveranderen naar wat ze toen waren. Een diachrone huisbeschouwing.

Ik zie alles helder!
Ik ben weer daarginds.

Klinkt het dan bij Pessoa. De herinnering van geluk is ook geluk.

Hoeveel, hoeveel
is voor mij slechts droom geweest,
slechts treurig
blije verrukking
dat ik het had gedroomd,
wie weet het heimwee
veranderd in half menselijke mijmering
over wat er allemaal is in die verre nacht
waarin jij, mama, in het harde lichtschijnsel
op de piano speelde
‘Un soir à Lima’.

Mij intrigeert hierin: ‘wat er allemaal is in die verre nacht’. Pessoa probeert zijn herinnering uit te breiden, of liever nog: de wanden van zijn herinnering op te rekken en daar te kunnen leven in die verre Afrikaanse nacht. Dat is naast herbeleven nog een truc voor geluk. Het daar zijn en die wereld uit te breiden. Voor even.

En ik stond voor het raam en zag
alle maanlicht van heel Afrika het landschap
in mijn droom overspoelen.

En het is een onverschillige zender
die mij door een onbewust toestel
in muziek, alleen in muziek,
de sterke doodsangst bezorgt die ik krijg
van het zien van jou, omdat ik me herinner
dat je, mijn moeder, mijn moeder,
zo rustig speelde
‘Un soir à Lima’.

De floers van de tranen verblindt niet,
huilend zie ik
wat die muziek mij aanbiedt –

de moeder die ik had, het oude thuis,
het kind dat ik was,
de verschrikking van de tijd omdat hij verglijdt,
de verschrikking van het leven omdat het uitloopt op de dood.
Ik zie en ik val in slaap,
en in de verdwazing waarin ik vergeet
dat ik nog besta in deze wereld die er is…
zie ik mijn moeder spelen.
Die kleine witte handen,
die mij nooit meer liefkozend strelen,
spelen voorzichtig en sereen op de piano
‘Un soir à Lima’.

Ik droom omdat ik baad
in de irreële rivier van de opgeroepen muziek.
Mijn ziel is een haveloos kind dat
in een donker hoekje ligt te slapen.
Het enige wat ik heb in de zekere, wakkere werkelijkheid,
zijn de vodden van mijn verlaten ziel
en mijn hoofd, dat droomt tegen de tuinmuur

Lees: Fernando Pessoa Een spoor van mezelf vertaling Harrie Lemmens
Julian Barnes Departure(s)

Naar de volgende

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Telefoon van school

Toen ik in de pauze van mijn les gehaast naar buiten ging om mijn voicemail af te luisteren bleek het bericht dat ik gekregen had niet van de school van mijn zoon. Het kwam van de speciaalzaak die mijn rijbewijsfoto had gemaakt; het bestand bleek beschadigd – of ik deze week nog langs kon komen.

Niemand had me dus gebeld om te vragen waarom Nadim (14) niet op school was aangekomen. Ik weet niet waarom ik zo zeker had geweten dat er verschrikkelijk nieuws zou zijn, maar de angst bleef de rest van de werkdag bij me; mijn zweet stonk en mijn handen bleven koud.

Ik kon me niet meer concentreren op de les die ik zo goed had voorbereid. Steeds zag ik die politiewagen, wachtend voor ons huis – een agente zou uitstappen terwijl ik mijn fiets parkeerde. Ze zou haar pet afzetten en vragen of mijn naam Van der Loo was – Bent u de vader van Nadim?

Toen ik thuiskwam stond de fiets van onze jongen gewoon tegen de boom. Ik trof hem binnen aan de keukentafel met de poes, bezig aan de achterlijk grote puzzel waaraan hij al maanden werkt.

Steeds als er een dodelijk ongeval is in Amsterdam, weet ik zekerder dat het om mijn kind moet gaan. Meestal wordt er de eerste uren niets gezegd over geslacht of leeftijd.

Nadim moet op school zijn telefoon in een locker stoppen – ik kan hem dus niet bellen, en ik ben niet gek genoeg om de conciërge lastig te vallen met mijn angst.

Hoe ouder ik word, hoe heviger ik reageer op dodelijke ongevallen. De stress houdt tegenwoordig aan ver voorbij het heelhuids thuiskomen van mijn kind.

Ik wil hier eigenlijk zeggen dat ik me daarvoor schaam, dat het een vorm van ramptoerisme is – beledigend voor de ouders van de jonge vrouw die onlangs in De Pijp onder een vrachtwagen raakte.

Maar ik ben niet de enige die zo reageert – vrienden die ik hierover sprak herkenden het; nog weken na zo’n ongeval vrezen ze dat telefoontje, die politiewagen voor de deur.

Hier zit ergens schoonheid, denk ik.

Als in onze stad één kind niet thuisgekomen is, dan is het voor heel even alsof al onze kinderen niet zijn thuisgekomen.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.