Kortsluiting

Vanochtend bracht ik Ada (8) naar school; het was nauwelijks licht en de hemel hing laag, gesloten.

Mijn dochter fietst nu elke dag zelf, gaat bijna nooit meer op het zitje op mijn stang. Dat is een vorm van winst, maar ook een groot verlies.

Ik laat haar voor me uit rijden omdat een jongen uit mijn buurt op deze route overleden is. Hij reed achter zijn moeder, die daardoor een vrachtwagen niet zag. Ook vind ik, dat een kind zelf moet leren kijken, zelf moet kiezen in plaats van dommelig achter een ander aan te gaan in het verkeer.

En in het leven. Maar goed, Ada heeft nog even tijd om aan het leven als geheel te wennen.

Ze deed het geweldig, zelfs bij het kruispunt waar ze in het midden moest wachten tot ze af kon slaan, het andere verkeer moest lezen. Ik glimlachte, maar voelde ook een steekje: heel binnenkort kon ze dit allemaal alleen.

‘Je doet het geweldig,’ riep ik.

Als je iemand goed genoeg kent dan kun je aan haar achterhoofd zien dat ze lacht.

Toen we de straat van haar school in reden werd mijn oog getrokken door een schitterende donkergroene plant. Nachtschade, dacht ik meteen. Maar dat kon eigenlijk niet, want nachtschade werd nooit zo hoog of recht. De stelen van paprika, tomaat en aubergine zijn slap, meer wingerd-achtig.

We reden verder en Aad parkeerde haar mooie blauwe fiets, verwijderde de lampjes zoals we dat geoefend hadden. Vanuit het perkje voor de school hield de nachtschade ons in de gaten.

Grote groene tomaten hingen aan haar krachtige steel; haar bladeren waren donkergroen, paars bij de nerven. De plant was razendsnel gegroeid, overeind gehouden door een bamboestok, had in de laatste warme dagen van het jaar nog vruchten aangemaakt en die gevoed tot een volwassen grootte.

Nog voor de eerste nachtvorst zou ze, tomaten en al, sterven door de schimmel, door de rot.

‘Pap,’ vroeg Aad. Met haar fietssleutels in de hand keek ze naar me op. ‘Ga je nog mee naar binnen?’

Binnen was het helverlicht en broeierig, de lucht trilde van de jeugdigheid. Ada liet me de tekening zien waar ze aan werkte, haar rekenboek en haar knutselwerkje boven de kapstok in de gang.

Mijn kind gedijt, op deze basisschool. Ze wordt elke ochtend zingend wakker.

Ik trok haar tegen me aan en rechtte mijn rug, waardoor haar voeten van de grond kwamen. Haar lijfje past nog altijd in het mijne zoals één puzzelstukje in het andere past; alsof we samen pas een plaatje zijn. Ik schoot vol, wat me de laatste tijd om bijna niets gebeuren kan.

‘Moet je nou huilen?’ vroeg Aad.

‘Dat heb jij nooit hè,’ zei ik, en zette haar weer neer. ‘Als je heel blij bent, dat je dan ook soortvan verdrietig bent, maar op een fijne manier? Dat je even kortsluiting hebt, vanbinnen?’

‘Als ik blij ben,’ zei Ada, ‘dan lach ik altijd.’

Terwijl ik mijn fiets losmaakte keek ik nog eens naar de plant. Haar tomaten zouden nooit rood kleuren, nooit zoet worden of zaad voor nieuwe planten gaan verspreiden, maar dat wist ze allemaal nog niet.

Ze was sterk. Ze groeide. Ze hing vol met schitterende vruchten.

Ze was geen volwassen mens als ik, die gek genoeg was om te huilen als hij blij moest zijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

recent

Normaalverdeling

Een jaar of wat geleden keek ik de Zomergastenaflevering van Paul Verhoeven terug. Het gaat op zeker moment over schoonheid. Naast de schoonheid in films, komt ook wiskundige schoonheid aan bod. Verhoeven vertelt dat er eens, toen hij lang geleden in Leiden wiskunde studeerde, een docent tijdens een mondeling in tranen was uitgebarsten: de beste man vond de wiskunde zó mooi. Ik vond het een intrigerende anekdote (en een prachtig beeld: een huilende docent in een lokaal en een student die niet zo goed raad weet met de situatie) en legde hem enige tijd later voor aan een vriend die wiskunde studeert.

‘Schoonheid,’ zei hij. ‘Ja, daar hebben we het ook veel over tijdens werkgroepen.’

Ik vroeg hem waar de schoonheid dan in school, want voor mij waren getallen of grafieken nog nooit mooi geweest. Ik associeerde ze eerder met mysterie en totale wanhoop dan met pracht: tijdens mijn middelbareschooltijd stak ik altijd vele uren in de voorbereiding van mijn wiskundeproefwerken (vaak met succes overigens, maar de angst voor getallen heeft mij om een of andere reden nimmer verlaten).

Mijn vriend zei dat er wat hem betrof vele vormen van wiskundige schoonheid waren. Het bewijs was daar bijvoorbeeld één van: dat een formule met behulp van andere formules en regels kon worden verklaard was schitterend, bijna te vergelijken met een symfonie van Gustav Mahler. Tegelijkertijd konden paradoxen en theorieën waarvoor verklaringen en bewijzen, vooralsnog, ontbraken volgens hem juist door die onverklaarbaarheid óók mooi zijn. In bepaalde gevallen waren ze misschien wel nóg mooier dan verklaarbare verschijnselen.

Helemaal begrijpen deed ik het niet. Het bleef wat te abstract, zelfs met de voorbeelden waar hij mee op de proppen kwam. Desalniettemin raakte ik geïntrigeerder. Ik wilde die schoonheid wel eens beleven. Maar hoe? Deze vorm van schoonheid is niet gemakkelijk op te zoeken: zij is geen muziekstuk dat je kunt opzetten of een gedicht dat je kunt lezen. Het kan je misschien alleen maar overkomen. In ieder geval overkwam het mij: laatst zat ik bij een college statistiek. De docent legde de normaalverdeling uit. Onder de hele curve zit honderd procent van je waarnemingen, zei ze. Tussen één standaarddeviatie naar rechts en één standaarddeviatie naar links 68 procent. Tussen twee standaarddeviaties naar links en rechts 95 procent. En tot mijn eigen verbazing dacht ik: dit is prachtig, dat die verdeling zó uitkomt is schitterend.

De vraag is waarom ik die schoonheid nu pas zie: de normaalverdeling was immers ook onderdeel van de eindexamenstof. Wellicht is het een kwestie van begrip: op een bepaalde manier heb ik de indruk dat ik de normaalverdeling pas bij dit vak door heb. Op de middelbare volgde ik alleen de aanwijzingen in het boek. Misschien is begrip wel dé voorwaarde om schoonheid te kunnen ervaren.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De oude leugen: Dulce et decorum est pro patria mori

Een paar weken geleden ben ik begonnen gedichten uit mijn hoofd te leren. Een directe aanleiding was er niet, maar het leek me leuk om – wanneer de gelegenheid zich voordoet – een gedicht te kunnen declameren, zoals ik vroeger altijd wel wat kon pingelen als er ergens een piano stond (tegenwoordig ken ik helaas geen hele composities meer uit mijn hoofd). Lang geleden had ik al eens op aandringen van mijn vader Rutger Koplands gedicht ‘Abe Lenstra’ van buiten geleerd. Nu begon ik met Wilfred Owens ‘Anthem for doomed youth’ en ‘Dulce et decorum est’. Het leken mij gedichten die bij deze tijd passen.

Op de dag dat Rusland Oekraïne was binnengevallen stond ik met een groepje studiegenoten na college te praten. Voor de verandering ging het gesprek over de wereldpolitiek, en niet over daten of drinken. De sfeer was ernstig. We maakten harde grappen, waarbij de punchline een variant was op ‘wat maakt het ook uit, over een jaar staan we misschien met een geweer in onze klauwen en een helm op ons hoofd bij Warschau’. Ik vroeg of zij het leger in zouden gaan als Nederland werd aangevallen. ‘En dan sneuvelen we bij de slag om Leiden!’ riep iemand. Niemand gaf een serieus antwoord. Dat had ik ook niet verwacht.

De situatie is er sinds die morgen niet veel beter op geworden. Weinig landen lijken zich nog te bekommeren om internationaal recht of mensenrechten. Oude bondgenootschappen verkruimelen. Op straat is er onvrede. Landen stellen zich expansionistischer op. Steeds vaker heb ik het gevoel dat we richting een oorlog rollen. Niet nu meteen, maar over een paar jaar: de wereldorde van vroeger met Amerika als vredesbewaarder en lichtend voorbeeld moet nog iets verder vergaan. De voortekenen zijn er: landen herbewapenen, op YouTube krijg ik vrijwel dagelijks advertenties van Defensie en er gaat geen week voorbij of er wordt op de radio of bij NOS gepraat over een nieuw plan van het leger waarmee ze jonge mensen willen werven. Een van de dingen die mij nog helder bij staat uit Oorlog en vrede is de stelling dat historische gebeurtenissen niet afhankelijk zijn van de beslissing van één persoon, maar het gevolg zijn van een collectieve beweging in een bepaalde richting. Tolstoj geeft, als ik het mij goed herinner, het voorbeeld van de plundering van Moskou. Die plundering had sowieso plaatsgevonden, stelt Tolstoj, of Napoleon hem had verboden of niet: de soldaten waren door een gedachte bevangen geraakt en zouden hoe dan ook zijn gaan plunderen. De inval leek naar dit moment te hebben opgebouwd. Er was ook niet één bepaalde soldaat geweest die dacht: nu ga ik plunderen en dat anderen hem volgden. Er waren op meerdere plekken in de stad vrijwel gelijktijdig soldaten geweest die waren begonnen. De herbewapening en de uitbreiding van de krijgsmacht kan eenzelfde beweging zijn, naar oorlog. Dat hoeft natuurlijk niet, zo heeft de Koude Oorlog laten zien, maar ik krijg de indruk dat de wereld van vandaag de dag instabieler is.

Begrijp me niet verkeerd: als er gevochten moet worden omdat mogendheden ons of onze bondgenoten aanvallen, dan moeten we dat zeker doen. Maar oorlog voeren is niet glorieus. Ten strijde trekken niet iets heroïsch. Dat moeten we niet vergeten. De heroïek duikt pas op in de verhalen van sommige overlevenden. Het is mythevorming, misschien een soort propaganda te noemen. Voor de anderen is de oorlog een hel. In de strijd sterven of gewond raken is niet mooi. Dat zag Owen: ‘If in some smothering dreams, you too could pace/ behind the wagon that we flung him in,/ and watch the white eyes writhing in his face,/ his hanging face, like a devil’s sick of sin,/ if you could hear, at every jolt, the blood/ come gargling from the froth-corrupted lungs’.

Toen ik laatst op een feestje Owens gedicht ‘Dulce et decorum est’ voordroeg (waar het fragment hierboven aan is ontleend), zei iemand: ‘Ik vond het wel grimmig. Ik heb liever Tennysons “The charge of the light brigade”. Dat is heroïscher.’

Ik heb meteen een tweede gedicht van Owen voorgedragen. Weg met de heroïek. Want als de heroïek postvat dan is de echte strijd niet ver weg meer. Dan heeft de beweging zijn definitieve richting ingeslagen.

Daarom zal ik morgen nóg een gedicht van Owen leren.

Foto: Australische soldaten bij Ieper, oktober 1917. Australian War Memorial. Publiek domein.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.