Everyman – de nieuwe McEwan als instant klassieker

Ik had nog niet eerder twee zeventigers op de vuist zien gaan. Het is een schrijnende scène, zo goed beschreven dat je woedend bent na afloop. Roland is te laat in zijn leven met Daphne getrouwd, die voor de tweede keer door Peter verlaten is. Kort na dat huwelijk blijkt ze ziek en ze sterft al snel. Eén ding moet Roland voor haar doen: haar as op een geliefde plek uitstrooien. En zorgen dat Peter er niet bij is. Maar wie doemt daar op, op die mooie zonnige dag?

Als Roland na een worsteling door een steen tegen zijn hoofd in het water belandt en even kopje onder gaat ziet hij Peter op de brug de as uitstrooien.

In Ian McEwans magistrale laatste boek Lessons heeft de Elckerlyc met de naam Roland veel te leren en een lange weg te gaan. Zijn levensloop wordt parallel gelegd aan grote gebeurtenissen in de 20ste eeuw, rond het Varkensbaaiconflict in 1962 neemt hij een levensveranderend besluit, en passant krijgen we de geschiedenis van Die Weiße Rose in München mee, we zien hem rondlopen langs de Muur in 1989 en in 2021 maakt hij de pandemie mee. Geboortejaar van Roland en Ian McEwan zijn hetzelfde.

McEwan weet het allemaal heel goed op spanning te zetten. Als jonge vader is Roland opeens zijn vrouw kwijt, ze vertrekt met de noorderzon, de politie verdenkt hem zelfs enige tijd. Vandaar duikelen we zijn geschiedenis in en komen bij het moment dat de cover zo kleurrijk toont, pianolessen van een mooie jonge juf die veel zal betekenen in Rolands seksueel ontwaken. Wat mooi is aan deze roman is de wijze waarop een betrekkelijk gewoon leven zo in verhaspelde vorm aangeboden wordt dat de spanning steeds voelbaar blijft: precies zoals dat tijdens een leven gaat, we weten nooit van iets hoe het afloopt. Wanneer je zo’n leven navertelt moet je dus technische oplossingen bedenken als alles door elkaar heen vertellen. Dat doet McEewan extreem vernuftig.

En de everyman leert veel: het bestaan is traumagestuurd, veel van wat we meemaken voelt eerst minder erg dan het later blijkt te zijn. We doen kwetsuren op en zien en voelen die vaak pas helder in retrospectief. Wat een spannende relatie leek, lijkt later meer op misbruik, de bijzonder getalenteerde pianist zal later zijn tijd slijten achter een vleugel in hotellobby’s waar mensen een taartje eten. De verdwenen moeder van zijn zoon wordt de grootste naoorlogse schrijver in Duitsland. Haar leven is veelbetekenend. En Roland rommelt maar wat aan. Maar McEwans antiheld vertelt de lezer veel over zichzelf, zijn tijd en wie we zijn op deze lange rocky road die het leven is.

En daarbij: bijna 500 pagina’s zonder een moment verveling. Jammer dat deze keer de Nederlandse vertaling niet gelijktijdig heeft kunnen verschijnen. Naar mijn smaak een niet te missen McEwan!


(hier iets over zijn vorige boek op dit blog)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Hiero, Sinterklaas

De route die de Sint zou varen was verlegd, wat de nodig stress gaf in mijn gezin. Al jaren stonden we op een vaste tijd in het Wertheimpark om de goedheiligman te verwelkomen, maar nu moesten we dus naar de hoek van de Heren- en Leidsegracht, waar volgens het tot op de minuut exacte schema om halftwaalf voorbijgevaren zou worden.

We waren ruim op tijd en vonden zelfs een bankje in de zon, met een plek op de kadewand ervoor waar de kinderen veilig konden zitten. Om ons heen hadden zich toeristen en expats verzameld, die allemaal wilden weten hoe het nou precies zat met onze traditionele blackface-viering.

Een kleine inventarisatie van de bij lange na niet volle kade leerde ons dat wij samen met een bevriend gezin de enige Nederlanders waren, en dus hadden we onze handen vol aan het informeren van de verzamelde Spanjaarden, Zwitsers en Engelsen. Ik hoorde mezelf dingen zeggen als: ‘We were led to believe that they were black because of soot from the chimneys they climbed down. I never saw them as black people, growing up.’

Of was dat omdat ik in het Brabant van de jaren ’70 nooit zwarte mensen zag? Als ik het me goed herinner waren de geadopteerde Sri Lankaanse kinderen van vrienden van mijn ouders de enige niet-witte kinderen in mijn wereld. Het is dus heel goed mogelijk dat mijn eerste associatie bij het ontmoeten van een Ghanees zwarte piet zou zijn geweest.

‘But I can really understand what it looks like,’ voegde ik er snel aan toe. ‘And it’s a good thing we’ve been able to change that aspect of the tradition. I believe that even the most backward counties have now gone for roetveegpieten.’

Vriend Marco, naast wie ik op het bankje zat, haakte in en vertelde dat hij gisteren in Amersfoort nog helemaal zwartgeverfde pieten had gezien. Redding uit mijn ongemak – ik ben een ster in plaatsvervangende schaamte – werd geboden door de Sint zelf.

Een stoomfluit klonk en het werd onrustig op de kade. De kinderen leunden zo ver mogelijk voorover. Het viel me op dat er geen muziek gespeeld werd, en terwijl de eerste boot naderde werd duidelijk dat de pieten op deze nieuwe route niets te strooien hadden. Marco haalde snel een zak pepernoten bij een nabije winkel, en een sixpack Heineken voor de grote mensen.

Zodat de omstanders toch iets van de uitbundigheid die bij het feest hoort zouden meekrijgen, keilde ik klauwen vol van die pepernoten over de kade, wat vreemd genoeg leek te leiden tot onbegrip en een wat aftastende boosheid.

‘But it’s our tradition,’ zei ik tegen een vrouw die fronsend over haar hoofd wreef. ‘It’s typically Dutch!’

Omdat ik er zo vriendelijk bij keek wilde een Spaans stel naast ons tóch wel een nootje proeven. De Sint voer voorbij, maakte een draai de Leidsegracht in en ik besloot – misschien vanwege de matte sfeer – vól mijn moment te pakken. Met een arm over Marco’s schouders schreeuwde ik: ‘Hier Sinterklaas! Hier zijn we! Vergeet u Marco en Gilles niet? We zijn heel braaf geweest. Westerpark en Prinseneiland!’

Het lukte me de aandacht van de Sint te vangen, maar in plaats van een blik van herkenning en een geruststellend gebaar, toonde de goedheiligman iets wat leek op het begin van angst. Wat ik in zijn ogen las: was dit dan het moment dat hij in gedachte op afstand had proberen te houden, maar waarvan elke moderne Sint wist dat het zomaar kon komen?

Wat had die verwarde man daar op de kade in zijn hand? Pepernoten of een heel ander soort projectiel?

Om mijn Sintlievendheid te benadrukken mikte ik mijn pepernoten naar de pieten op de achterplecht, maar die probeerden ze niet eens te vangen. Sommigen doken ervoor weg.

Zo stil als hij gekomen was vertrok de Sint ook weer, en liet ons wat vertwijfeld achter.

Wat het niet makkelijker maakte was de duidelijk leesbare reactie van de omstanders: hoe was dit nou een volksfeest? Drie fluisterboten met halfslachtig verklede, wat schichtige Hollanders erop?

‘Als dat zo doorgaat,’ zei ik tegen B, ‘dan is deze traditie hartstikke dood voordat wij kleinkinderen hebben.’

‘Onzin,’ zei B. ‘Tuurlijk is er dan nog Sinterklaas.’

Ik liet het erbij, maar bedacht dat de traditie kennelijk niet sterk genoeg verankerd was geweest om een ontmaskering als pseudo-racistisch feest te overleven. Ik vond en vind het verdwijnen van zwarte piet een belangrijke stap voor Nederland, maar het lijkt erop dat met het uittrekken van de angel ook de lucht uit Sinterklaas gelopen is.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Zien is mooier dan zwaaien

De vakantiehuisjes uit mijn jeugd stonden er nog, precies zoals ik het me de afgelopen vijftien jaar had herinnerd. Het hekwerk rondom de huisjes leek ook nog van precies hetzelfde, toen al krakkemikkige hout. Het was alsof de tijd daar had stilgestaan.

Ik legde mijn hand op het hout en ineens zag ik mezelf zitten: een klein ventje in een tuinbroek, waar twee knalgele regenlaarzen onderuit staken, een kop met ondeugende ogen en een guitige glimlach. Mijn nicht zat naast me op het hek, precies zoals we elke ochtend doorbrachten. Ze had nog blond haar en was twee koppen groter, toen al. We keken samen naar de schapen, die daar toen graasden. Eén van die schapen was ‘ons’ schaap – we hadden het beest een naam gegeven, en bezochten haar elke ochtend, want Kitty was onze beste, mooiste, en vooral wolligste vriend.

Voor het raam van het Eftelinghuisje met het puntdak zat mijn oma bijna twintig jaar jonger garnalen te pellen. Het was een vertrouwd beeld, en ze klaarde het karwei vliegensvlug, volleerd en met volle aandacht. Ze had nog geen rimpels, lachte breeduit en leek gelukkig. Mijn moeder, een vrouw van in de dertig, stond naast haar, met mijn broertje, een jochie van amper één jaar oud, slapend op haar arm. Ik zag hoe mijn moeder wat zei tegen mijn oma, en dat ze beiden begonnen te lachen, zo hard dat mijn broertje er wakker van werd.

Na een tijdje door het raam te hebben gekeken, liep ik voorbij de huisjes, naar de zee. De zilte, maar vertrouwde geur van het water golfde mijn neusgaten in. Het duin was minder steil dan ik me al die tijd herinnerd had. Het was nog steeds een flinke klim, en je kon je nog altijd van het duin laten rollen en door het helmgras duiken, met flarden zand in je kielzog en je kleding.

Het strand lag er nog onveranderd bij, was nagenoeg leeggewaaid en de zee was een spiegel. Ineens doemde mijn vader uit het water op, als een diepzeeduiker uit een andere tijd, gestoken in een pak dat hem moest beschermen tegen het koude water. Hij had meer haar dan nu en was ogenschijnlijk klaar met het garnalentrekken: hij hield het volle net met de schaaldieren als een buit boven zijn hoofd. Mijn oma kon weer aan de bak en dat vond ze vast heerlijk, al was het alleen al omdat ze minstens de helft tijdens het pellen stiekem weg zou snoepen.

Ik riep iets naar de jongere versie van mijn vader, maar hij reageerde niet. Net voordat ik me weer om wilde draaien, zag ik een silhouet, iets verderop: het was mijn opa. Hij stond met een hengel in zijn hand, die eeuwige sigaret tussen zijn lippen en zijn harde, maar schitterende blik op oneindig. De zee, zijn vertrouwde vriend, kuste af en toe de punten van zijn rubberen laarzen. De laatste keer dat ik hem had gezien, was op zijn uitvaart. Daar, op dat strand, zag hij er goed uit: een blos op zijn wangen, een lach op zijn gezicht, zijn rug recht. Niet koud, stijf, bleek en opgebaard.

Ik zwaaide met mijn hand naar mijn opa, maar hij merkte me ook niet op, gevangen in zijn eigen, stilstaande tijdsgewricht. Omdat ik heel graag wilde dat hij me zou zien, stak ik beide handen in de lucht en begon met wapperen, maar mijn opa bleef doodgewoon en onbewogen naar zijn dobber en de zee staren. Ik liet mijn handen weer halfstok hangen en keek naar hem, totdat knipperen onvermijdelijk werd. De wind waaide wat verjaarde tranen van mijn wang. Hoe hij daar aan het vissen was, hoe hij niets ving, hoe hij eigenlijk helemaal niet meer bestond, terwijl ik hem daar toch zag staan: het ontroerde me ineens enorm.

Later, toen ik het duin had beklommen, weer langs de huisjes was gelopen en de zon veel te fel in mijn ogen scheen voor de tijd van het jaar, dacht ik: zien is heel soms, op de perfecte dag, op de juiste plek, met het gepaste gemoed, honderd keer mooier dan zwaaien.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman