Het debacle van de bacove – Anton de Kom als economisch analist

In zijn intelligente meesterwerk Wij slaven van Suriname neemt Anton de Kom moedig en eloquent de handschoen op tegen een imperialistische overheid die de koloniën ziet als wingewest, uitsluitend aan geld denkt, niet aan mensen, en zo toont De Kom een moreel failliet aan. Wat een onuitstaanbare hufters zijn we toch geweest! Nadat de Nederlandse overheid eeuwenlang heeft toegestaan dat mensen bezit waren en ze niet in 1833, zoals de Britten, of in 1848 zoals de Fransen, maar in 1861 pas stopten met mensen gedwongen gratis voor je laten werken, stapelden we alsnog fout op fout. De eigenaars werden bijvoorbeeld gecompenseerd met 300 gulden per slaaf, (zodat sommigen alsnog op gevluchte slaven gingen jagen) maar de slaven kregen niets, zodat zij, zonder bezit, zonder opleiding, met een minderwaardigheidscomplex, onmiddellijk uitsluitend voor een hongerloon hetzelfde werk konden gaan doen.

Wat een stuitend nieuw inzicht in dit boek is, is dat wreedheid, hoewel economisch helemaal niet handig, toch de meest vigerende omgangsvorm tussen eigenaars en hun slaven was: met andere woorden: efficiënt was geweest ze goed te verzorgen, maar men verloor liever wat geld dan fatsoenlijk te zijn.

Een werkelijk prachtige wrange episode in het boek handelt over het debacle van de bacove, wat vooral De Koms superieure economisch inzicht goed toont.

Omdat Suriname door de Nederlandse onwil echt goed na te denken over de toekomst van het land na 1861 van het ene mislukkende project in het andere was gesukkeld (een treinverbinding met een goudmijn die precies leeg was toen de verbinding klaar was – hout voor dwarsleggers werd in een bos met zeven keer het oppervlak van Nederland, vanuit het buitenland ingevoerd-; een avontuur met een koffiesoort die niet gelijktijdig rijpt maar door het jaar heen, zodat je heel veel mensen nodig hebt, die je dus niet meer hebt…) bedacht men dat de succesrijke Jamaicaanse banaan, de bacove, een oplossing zou kunnen zijn. Maar, zoals De Kom niet moe wordt te benadrukken: nooit werd een plaatselijk boertje gevraagd hoe zoiets moest, ze stuurde er een commissie op af, met ‘wijze’ witte mannen die nooit een dag in hun leven gewerkt hadden en zeker nooit een voet in de zompige aarde hadden geplant. Laat staan een bananenplant.

Er werden hypotheken verstrekt voor plantages die met de bacove aan het werk wilden, leningen voor eerste kosten. Er werd een contract afgesloten met de United Fruit Company, een monopolist, die geheel Noord- en Zuid-Amerika bediende. De Nederlandse regering trachtte niet dat monopolie te doorbreken door bijvoorbeeld zelf de Caraïben te bedienen, maar legde zijn nek in de strop door een leveringsgarantie aan te gaan, met boetes bij in gebreke blijven. (Er was nog geen banaan gekweekt. Zalig zijn de armen van geest.) Een Amerikaanse adviseur van de United Fruit Company ‘hielp’ met het optimaliseren van de bodemgesteldheid, maar de Company had vanaf dag 1 meer baat bij niet leveren dan wel, dus veel verbazing wekte het achteraf niet dat de suggesties die de adviseur deed betrekkelijk desastreus bleken te zijn geweest.

De bananen kwamen er niet, De UFC ontving zijn boetes, de plantage-eigenaren bedongen nieuwe leningen. Toen ze voelden dat het mis zou gaan zetten ze hun plantages om in Naamloze Vennootschappen, zodat ze voor de schulden niet langer zelf aansprakelijk waren. Nieuwe leningen werden meteen in de vorm van dividend op winst, gehaald uit zogenaamd wonderlijk goed verkopende strookjes koffie en cacao, uitgekeerd, terwijl de boedel zo goed als failliet was. Nederland ging voor miljoenen de boot in, de Amerikaanse fruitgigant lachte in zijn vuistje, Suriname kreeg de schuld, de suffende gouverneurs trachtten de schade te verhalen op straatarme ex-slaven die belasting moesten betalen voor elke plank waar hun schamele behuizing uit bestond. Dit is 1908.

Ja, het klinkt authentiek Nederlands op een bepaalde manier. Het is niet de eerste en niet de laatste keer dat de Nederlandse overheid de gevolgen van slecht beleid afwentelt op ruggen van mensen die het niet makkelijk hebben.

Het is geen vrolijke lectuur dit Wij slaven van Suriname maar een prachtige gedegen studie, met een sterke persoonlijke noot over hoe het mis ging in Suriname door de Nederlandse kortzichtigheid en geldlust en een totaal gebrek aan menselijkheid. De Kom bewijst dat we voldoende verprutst hebben om nog eeuwen wat beter ons best te moeten doen.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

elf

Voor zijn elfde verjaardag wilde Nadim een dansfeest, dus vulden we de kantine van de botenclub met gekleurde lichtjes, spiegelballen, gouden sliertgordijnen en heliumballons. Een rol behang werd rode loper, en B maakte foto’s van de kinderen die zich – soms in voor de avond gekochte outfits – bij de poort meldden.

Nadims klasgenoten heb ik van kleuters heel geleidelijk tieners zien worden, maar op dit feest leken ze opeens brugklassers. En dat, besefte ik, zouden ze in minder dan een jaar ook zijn.

Ik stond achter de bar terwijl onze gasten binnenkwamen. De meiden droegen jurken, de jongens zonder uitzondering een overhemd en jasje. Een aantal van hen had geoefend op hun bar side manner: een elleboogje op het hout, de andere hand easy in de broekzak, een opgetrokken wenkbrauw en dan heel casual bestellen. Bij al die volwassenheid detoneerde het drankaanbod van mocktails op basis van Fernandes cherry bouquet een beetje.

Er werd gedanst, maar niet met de overgave waarop we hadden gehoopt. Een clustertje meiden oefende pasjes; de jongens deden hun best, maar vaak werd het toch stoeien op de grond. Ik keek naar de colagestookte gekte van al die tienermannen en vreesde voor de rest van de avond, maar ik kende juf Jennifer dan ook nog niet.

Klokslag acht uur stond ze binnen, een actieheld in spandex. Juf Jennifer bracht rust en focus: binnen een kwartier oefende iedereen haar dans in nette rijen. Als toeschouwer lukte het me niet eens de pasjes te onthouden, maar bij de kinderen ging het er vrij makkelijk in.

Juf Jen had hip hop opgezet, dus deze barman was hoe dan ook tevreden. Buiten rookte ik stiekem een jointje – daarbij mijn eigen middelbareschooltijd ophalend – en tuurde breed grijnzend door de schuifpui naar de actie. Onze Ada (5) gaf echt álles; de juf had haar dan ook aangewezen als co-docent.

Toen de les voorbij was plofte Ada op een van de luie stoelen naast de houtkachel, haar armen om een Pokémonkussen dat haar broer gekregen had. Bijna lijfelijk herinnerde ik me hoe het is om zó aan te staan dat je tegelijkertijd afbrandt – een rauw alleswillen, een honger met een angst eronder.

‘Vuurwerk!’ riep iemand. Als één lichaam stoven de tieners naar de pui. Ik riep nog dat ze absoluut níét naar buiten mochten, maar er was geen houden aan. Het vlonder aan de gracht stroomde vol, de hemel vlamde en nu was boven de muziek uit ook de donder hoorbaar. Ik besloot dat iedereen zijn zwemdiploma had, en dat de buurt door het onweer niet over de muziek zou klagen.

Mede dankzij de bliksem zou dit een verjaardag worden waarover nog lang gepraat werd – misschien het leukste feest in dit laatste van hun acht jaar samen. Alsof iemand daarboven een gigantische bak omkiepte, klapte de regen op het vlonder neer. Een paar kinderen zochten toevlucht onder het afdak, maar het merendeel spreidde de armen, sloot de ogen en kantelde hun gezicht naar de hemel. Jasjes, dasjes, jurken, speldjes en krullen. Alles was in een paar tellen doorweekt.

Ook dit herinnerde mijn lijf zich: met gespreide armen dansen in de regen en zeker weten dat niemand ooit met zo’n intensiteit geleefd had als wij op dít moment. Ik probeerde me de ouder te herinneren die met heimwee naar ons gekeken had terwijl wij in de regen tolden op het tuinfeest van Danila, Albert, Marije of Namilla.

Niks. Alsof er helemaal geen ouders bij waren geweest.

En zo hoort het, dacht ik terwijl ik mijn bar schoonveegde; me opmaakte voor een nieuwe ronde bestellingen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Arendsoog, Biggles en het korte
verhaal

Ik heb thuis alle Arendsogen (nummer 45 en 63 wel in een andere uitgave dan die van Malmberg), alle Kameleons en een flink aantal Biggles. Samen met mijn vader heb ik die verzameld, in De Slegte in Leiden en op boekenmarkten in alle uithoeken van het land (van Deventer tot Lemmer).


We zijn ooit begonnen met de Kameleons en toen die compleet waren, zijn we overgestapt naar de Arendsogen. De Biggles heb ik zelf nog een tijdje geprobeerd bij elkaar te zoeken, maar het waren er gewoon te veel en bovendien verschoof mijn interesse rond die tijd van het gedrukte boek naar mijn iPad, waar ik eindeloos op Wikipedia biografieën van componisten las en op YouTube conferences van Herman Finkers en oude concerten van Vladimir Horowitz, Arthur Rubinstein en Sviatoslav Richter beluisterde.


Tussendoor las ik soms nog wel eens een boek (vaak na gemor van mijn ouders dat ik die iPad ook eens links kon laten liggen) en dat was dan vaak een net-opgepikte Biggles of een Arendsoog die ik een paar maanden eerder ook al eens had gelezen. Ik heb in die tijd denk ik al mijn Arendsogen twee of drie keer gelezen. Mijn Biggles heb ik, nu ik erover nadenk, nauwelijks herlezen. Waarom weet ik niet.


Maar bij dat veelvuldig lezen en herlezen van alle Arendsogen en het lezen van Biggles, viel mij iets op, waar ik tot op de dag van vandaag vaak aan denk als ik een boek lees of een verhaal schrijf.


Zowel P. Nowee (Arendsoog) als W. E. Johns (Biggles) hebben naast de boeken ook korte verhalen geschreven (in Nowees geval vooral voor het tijdschrift Pep) en die verhalen zijn ook verschenen in boekvorm, in een bundel. (Voor de Arendsoogkenners: naar mijn weten heeft J. Nowee geen korte verhalen gemaakt, maar daarin kan ik mij vergissen.) Ik merkte dat ik die korte verhalen eigenlijk vaak beter vond dan de boeken.


Ik kan dat als volgt verklaren: alle Arendsogen en Biggles hebben een eigen verhaal met eigen bijfiguren en eigen verwikkelingen, maar bepaalde plotelementen, zoals ontvoeringen en schietpartijen, komen in elk boek (of in ieder geval in veel boeken) voor; we zouden dat het beproefde procedé kunnen noemen. Een Arendsoog of Biggles verloopt dus globaal als volgt: er is ergens een schurk en die pleegt een misdaad; Arendsoog of Biggles zijn toevallig daar aanwezig of worden erheen gehaald; ze gaan op onderzoek uit en vinden aanwijzingen, wat de boef in kwestie niet zo leuk vindt en daar een stokje voor probeert te steken; de boef ontvoert Arendsoog of zijn side-kick Witte Veder (bij Biggles dus Biggles zelf of Ginger/Algy/Bertie); degene die niet ontvoerd is, merkt dat zijn vriend is verdwenen, schrikt zich het apelazarus en gaat die vriend bevrijden (soms bevrijdt de ontvoerde in kwestie zichzelf); tijdens dat bevrijden komen er allerlei nieuwe aanwijzingen naar boven en de boef wordt gepakt. Bij Arendsogen gaan deze verwikkelingen vaak gepaard met de nodige vuurgevechten wat de vormgever (of misschien de schrijver zelf wel) met de nodige dramatiek uitbeeldt door de pistoolschoten als PANG! PANG! PANG! PANG! PANG! te drukken. Bij Biggles is er natuurlijk het eeuwige gedoe met vliegtuigen en brandstof. Daarnaast wordt hij vaak door Scotland Yard of een daaraan gelieerde instantie op pad gestuurd, wat soms tot politieke problemen leidt. En ook bij Biggles wordt natuurlijk soms geschoten.


Overigens treffen die kogels toch vaker doel dan je zou denken en ook een gewonde Arendsoog, Witte Veder, Biggles, Bertie, Algy, Ginger behoort tot de vaak terugkomende elementen.


Mijn punt is het volgende: ik kreeg bij de boeken vaak het vermoeden dat Johns en Nowee halverwege het boek geen idee meer hadden hoe ze verder moesten en dan maar als kunstgreep iemand lieten neerschieten of verdwijnen. Het brengt uiteraard meteen verwikkelingen met zich mee en je kan zo weer vijftig pagina’s tikken. Maar nu komt het: bij die korte verhalen zaten deze plotelementen (ontvoering en bevrijding, schietpartij en gewonde) er veelal niet in. Misschien is dit wel een argument voor mijn eerdere stelling: ze zitten er niet in omdat de verhalen geen boek hoefden te worden. Het zorgde ervoor dat de verhalen veel minder voorspelbaar verliepen en daardoor boeiender en beter waren. En als die plotelementen wel voorkwamen, dan stonden ze vaak op een andere plaats in het verhaal: dan draaide het hele verhaal om een ontvoering bijvoorbeeld of was het vaak het moment dat het verhaal echt op gang kwam, in plaats van dat het een actie-element in het grotere geheel was.

Andere onderdelen die deze verhalen beter/interessanter maakten dan de boeken zijn dezelfde als bij hoogstaande literaire korte verhalen: andere beginsituaties, grote handelingssnelheid en actiescènes die minder werden uitgemolken.


Sinds een jaar of vier lees ik weer veel. En wellicht is het wel aan Arendsoog en Biggles te danken dat ik nog steeds ieder jaar een paar verhalenbundels lees.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.