En niet verdwijnen

Ik schrijf een boek waarin ik wegga. Niet ik, mijn hoofdpersoon, maar toch. Een verhaal waarin ik onderzoek wat er met iemand zoals ik aan de hand zou moeten zijn eer hij alles achterliet.

Het wordt een boek over niet bij anderen kunnen horen. Elke bladzijde doet pijn.

Guillaume, die naar een stad in een ander land vertrokken is, stopt met schrijven en keert terug naar de horeca, neemt een oud café in het centrum over omdat ik dat ook zou doen als ik ergens opnieuw beginnen moest, nergens meer aan wilde denken. Natuurlijk heeft zijn vertrek niets opgelost, haalt wie hij is hem in.

Ik onderzoek hoe eenzaamheid door generaties heen werkt, hoe een alleenzijn dat in de oorlog van Guillaume’s grootmoeder begon werd overgedragen op zijn vader en daarna op hem – een afstand tot de wereld waarin alle anderen leven, maar die afstand is ook een kier waardoor een licht naar binnen kan dat de vorm van woorden kiest.

Guillaume’s oma vertelde verhalen aan zijn vader, die liedjes schreef, zelf werd Guillaume dus schrijver.

In eerdere boeken beschreef ik levens die ik al miste bij het tikken van het laatste woord; het was verdrietig om niet meer op die plekken en bij die personages te kunnen zijn. Dat verwacht ik bij Guillaume’s verhaal niet.

Onze zoon Nadim (10) gaat steeds vaker zelf op pad. Hij doet boodschappen voor zijn moeder of voor mij, zoekt vrienden op die in de buurt wonen, haalt kauwgomballen in de Jordaan. Soms zie ik hem op straat, op de blauwe fiets die lang te hoog voor hem was maar waarvan het zadel nu maximaal is opgekrikt. Aan zijn grote voeten draagt hij hagelwitte gympen. Hij kijkt dromerig en hoopvol als hij denkt dat niemand hem ziet.

Mijn hart veert op als hij voorbijkomt maar soms roep ik hem juist niet, wil ik alleen maar naar hem kijken. Wanneer hij om de hoek verdwijnt is er een zoet verdriet, een missen dat mijn longen vult, naar mijn kop stijgt, me een tijdje overneemt. Dit is alles wat Guillaume nog van zijn zoontje heeft.

Even later, als ik thuis aan het werk ben, hoor ik mijn jongen binnenkomen. Hij hangt zijn sleutels altijd aan hetzelfde haakje. Nooit is hij iets kwijt. Hij doet zijn gympen uit, zijn sokkenpassen klinken in de gang.

‘Hier,’ roep ik vanuit het kantoortje. ‘Hier ben ik.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

recent

In rotsen grijs: Trotse ouders (I)

Kevin werd tijdens een charge van de oproerpolitie gearresteerd. Bij het wegrennen gleed hij uit. Drie agenten doken bovenop hem. Ze drukten zijn lichaam tegen de grond en ze sjorden zijn armen op zijn rug. Schaafwonden brandden op zijn handen.

‘Hoe heet je?’ riepen enkele mededemonstranten van een veilige afstand. ‘Hoe heet je?’

‘Kevin Ho!’ schreeuwde hij. ‘Kevin Ho!’

‘Stil! Je staat onder arrest!’ beval een van de politieagenten en hij drukte Kevins hoofd tegen het koele asfalt. Zijn veiligheidsbril gleed van zijn gezicht. Zijn gele helm lag een eindje van hem vandaan, tijdens de val afgevlogen. Het ding wipte op de bolle kant lichtjes van links naar rechts.

Ze trokken hem overeind. Een van de agenten schopte de helm naar de andere demonstranten, zoals vroeger de afgehakte hoofden van gedode tegenstanders naar hun medestrijders werden teruggeworpen na een veldslag, om angst in te boezemen.

Terwijl hij werd meegetrokken naar het politiebusje riep hij over zijn schouder nogmaals zijn naam naar zijn kameraden.

‘Kevin Ho! Ik ben Kevin Ho!’

De agenten duwden hem vooruit. Hij hoopte dat men hem had verstaan. Het was belangrijk dat ze hem verwijderden uit de digitale groepen waarin de protesten werden georganiseerd, zodat de politie minder bewijs tegen hem zou hebben. Ze konden hem dan alleen aanklagen voor deelname aan een demonstratie. Bovendien kon de politie dan ook niet via zijn telefoon in de groepen kijken. Ja, hij hoopte dat ze zijn naam hadden gehoord.

Het busje reed stevig door. Hij zat tussen twee agenten in. In de bochten probeerde hij niet te veel tegen hen aan te leunen. Hij spande zijn spieren aan.

Bij het politiebureau in Tsim Sha Tsui remde het busje hard. Hij kende het gebouw maar hij was er nog nooit in geweest. Ze duwden hem naar binnen. Hij probeerde om zich heen te kijken, maar kon niet veel in zich opnemen. Hij dacht nog enkele andere demonstranten te zien: jonge mensen in zwarte kleren. Geen tijd om gezichten te herkennen.

De agenten sloegen linksaf. Hij dus ook. Bij een ijzeren deur bleven ze staan. Ze fouilleerden hem snel en ze namen zijn telefoon en portemonnee in. De agent rechts van hem opende de deur, waarna hij naar binnen werd geduwd. In de cel deden ze hem zijn boeien af. Daarna liepen ze weg. De deur viel in het slot. Ze hadden geen woord gezegd.

Het was een soort verhoorkamer. Er stond alleen een houten stoel. Aan het plafond hing een lamp die helwit tl-licht verspreidde. Het was er nog lichter dan buiten. De ruimte was nagenoeg vierkant. Geen ramen en de vloer was van beton. Aan de binnenkant van de deur zat geen deurklink. Kevin ging op de stoel zitten. Was er een camera? Hij zocht met zijn ogen de kamer af. Misschien zat er wel eentje in de lamp. Hij keek omhoog. Het licht deed pijn aan zijn ogen. Niks te zien. Hij richtte zijn blik op de deur.

De adrenaline trok uit zijn lichaam weg en de gedachten keerden terug. Zijn handpalmen begonnen te kloppen. Hij voelde weer hoe hij bij het rennen plotseling weggleed, hoe zijn rechtervoet iets raakte of verkeerd neerkwam en onder zijn lichaam wegvloeide. Hoe hij voorover klapte terwijl de rest van zijn groepje doorrende. Hoe hij had geprobeerd om snel overeind te krabbelen, half struikelend. Handen die hem vastgrepen. Asfalt.

Gingen ze hem verhoren? Hij had een advocaat nodig. Zou hij die krijgen? Zou hij erom mogen vragen? Had dat wel zin? Stond zijn straf niet al vast omdat hij zich schuldig had gemaakt aan ‘staatsondermijnend en onpatriottisch gedrag’ of ‘terrorisme’? Hoeveel jaar zou hij moeten zitten? Zou hij, als hij ooit vrijkwam, de stad nog kunnen verlaten? Misschien had hij een paar weken geleden al moeten vertrekken, zoals sommigen van zijn vrienden. Een vrij Hongkong, een Hongkong zonder inmenging van China. De CCP had vast mensen van de geheime dienst of officieren uit het leger naar Hongkong overgevlogen. Dat waren geen lieverdjes. Hij stond op en leunde met zijn rug tegen de muur tegenover de deur. Zouden ze hem slaan? Kon hij die pijn verdragen? Nutteloze vragen. Iedereen brak uiteindelijk. En dan zou ook hij namen noemen en verklaringen ondertekenen. Als ze hem onder handen gingen nemen, zou hij dan proberen zo lang mogelijk te zwijgen of niet? Hij ging weer zitten, zijn rechterheup deed pijn. Hij bevoelde de korsten op zijn handpalmen.

De deur ging open. Kevin stond op. Er kwamen twee mannen binnen, een in pak en een in uniform. De laatste had een klapstoeltje bij zich dat hij uitklapte en neerzette. Hij bleef bij de deur staan. De man in pak nam het klapstoeltje en zette het tegenover de stoel van Kevin. In zijn hand had hij een clipboard met enkele papieren. Hij was een jaar of dertig. Hij ging zitten en gebaarde dat Kevin hetzelfde moest doen. Het klapstoeltje kraakte. De man sprak Kantonees. Goddank, het was niet iemand van het vasteland, of hij kwam uit Guangzhou, maar zo klonk hij niet. 

‘Kevin Ho,’ zei hij. ‘Geboren in 1996 in Hongkong.’

‘Brits-Hongkong,’ mompelde Kevin.

De man zuchtte en hij keek Kevin strak aan.

Kevin keek terug. Als hij niet van het vasteland kwam, dan was hij ook een Hongkonger. Meeloper van de CCP. Een lafbek die niet durfde te protesteren of een verrader.

‘Wisten je ouders wat je aan het doen was?’

Kevin schudde zijn hoofd.

‘Je bent geen goede zoon.’

Kevin trok zijn wenkbrauwen op maar gaf geen antwoord.
‘Je hebt je ouders in een zeer onpatriottisch daglicht geplaatst.’

‘Ze lopen aan de leiband van China. Ga maar bij ze langs.’

‘Geen schaamte? Geen spijt?’
‘Ik wil een advocaat.’
De man stond op en klapte het stoeltje weer in, waarna hij het aan de man in uniform gaf. ‘Ik zal iemand sturen voor je handen.’ De deur viel achter hen dicht.

Wat zouden zijn ouders doen als ze hoorden dat hij vastzat? Zouden ze hem komen opzoeken? Zijn ouders. Hij had ze voor het eerst in zijn leven teleurgesteld. Hij had altijd hoge cijfers gehaald omdat zij dat verwachtten. Hij was naar die middelbare school gegaan omdat zij dat de beste vonden. Hij was rechten gaan studeren omdat zij vonden dat hij dat moest doen. Hij was altijd voorbeeldig geweest, maar toen kwamen de protesten. En die kon hij niet negeren. Hij kon niet niet meedoen. Een vrij Hongkong. En toen hij thuis aan de keukentafel zei dat hij had meegelopen met een demonstratie, had zijn vader gezegd dat politiek niet voor jonge mensen was en dat China, de CCP, het Vaderland, het beste met hen voorhad en dat Hongkong nu eenmaal onderdeel was van China en dat ze samen een grote toekomst tegemoet gingen. De mensen die nu de straat opgingen zaten gewoon te rellen om niks, rotzooi te trappen. Zijn moeder had helemaal niks gezegd. Zijn vader had hem gesommeerd op te houden met protesteren en gewoon door te gaan met zijn studie. ‘Vergooi je toekomst niet,’ zei hij. Hoe paradoxaal. Toekomst. Een vrij Hongkong. Die twee dingen waren zo nauw met elkaar verbonden: wat was zijn toekomst als Hongkong net als China werd? Hij was boos geworden. Hij was opgesprongen, vuisten gebald, en bijna had hij zijn vader geslagen. In plaats daarvan sloeg hij keihard op de tafel en daarna was hij de deur uitgelopen, trillend van woede en verdriet. En nu had hij zijn ouders al een paar weken niet meer gezien; hij mocht het huis niet meer in. Hij sliep bij vrienden. Bijna al zijn spullen lagen nog thuis. Hij stond op.

wordt vervolgd: deel twee van ‘Trotse ouders’ zal volgende week op het Tirade-blog worden gepubliceerd

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het einde

Deze zomer keerden we terug naar een plek waar we een jaar of vijf geleden waren. Val Veny ligt vlak onder de boomgrens in het Italiaanse Val d’Aosta, een groen plateau naast een steil massief waar twee gletsjers omheen slingerden.

Slingerden klopt, omdat de ene gletsjer plaats gemaakt had voor een brede zanderige geul, het ijs zo recent gesmolten dat er nog geen grasspriet groeide. De andere gletsjer leek dit jaar veel korter.

Op de dag van onze aankomst klonk een luid geruis, alsof een stapel sneeuw op het dak van ons hutje er in één keer afgeschoven werd. Een deel van de gletsjer bleek afgebroken, wat die middag nog een keer gebeurde, en meerdere keren in de dagen erna. Lokale mensen vertelden me dat ze zoiets hier nooit gezien hadden.

‘Nog twee van deze zomers,’ zei de uitbater van het Chalet del Miage, ‘en het ijs is weg.’

Ik keek naar zijn sterk ingekorte menukaart en vroeg naar zijn vrouw, die me ooit de fijnste ingemaakte boleetjes geserveerd had. Zijn gezicht betrok nog verder.

‘Haar hart,’ zei hij. ‘Ze mag niet meer werken.’ Zijn hand steeg naar zijn borst, maar kwam er niet te liggen. Alsof zelfs een klopje ter hoogte van zijn eigen hart teveel voor haar zou kunnen zijn.

Smeltend gletsjerijs vult de rivieren. Als die opdrogen, verdorren de bergwanden en valleien; gras en bomen zullen doodgaan, niets meer met hun wortels bijeenhouden. Wanneer het regent zullen zand en steengruis naar het dal worden gespoeld.

Een week later, in de Marche, zagen we bruine wijnranken. Het zeewater was er warm als bloed. Zelfs de bossen in het hogere Toscane leden onder de loeiende zon. Voor het eerst in mijn leven schakelde ik een airco in, en sliep toch slecht in het besef dat de unit op het dak nu warmte toevoegde aan de gloeiende nacht.

Er hing een schaarste over het land. Ingrediënten waren duur, de groenten die me altijd zo gelukkig maken oogden overspannen. Hoewel we het goed hadden met onze kinderen en vrienden, was het veranderde klimaat dagelijks aanwezig.

Zoals altijd wanneer ik me ergens druk over maak onderzocht ik of mijn blik gekleurd werd door interne aangelegenheden – of mijn selection bias de eindigheid uit alles pikte. Gezien ik volgend jaar vijftig word zou dat zo vreemd niet zijn.

Alleen bij het huisje in Zeeuws-Vlaanderen, waar we afgelopen weekend zaten, was alles als vanouds. Twee bijna nazomerse dagen met van dat lage, zoete licht. De zee was warm, maar ook verkoelend, de wind zout en schoon.

Na onze terugkomst dronk ik met Gerbrand koffie aan de Noordermarkt. Omdat hij ouder is dan ik, vroeg ik of hij iets gemerkt had van het vijftigworden, en Gerbrand vertelde dat het gevoel van hoop waar hij altijd bij had gekund rond dat moment verdwenen was.

We waren stil terwijl ik zijn hoop legde naast mijn eigen versie: het tegen alle logica in vertrouwen op een stijgende lijn in de dingen, ook bij grote tegenslag. Ik ben altijd bang geweest die aanleg kwijt te raken.

‘En toch ben je er nog,’ zei ik na een tijdje, misschien omdat ik niet met hopeloosheid wilde eindigen.

‘Toch ben ik er nog,’ zei Gerbrand.

Bij hem klonk het meer als een ontdekking dan een bezwering. Ik hoorde zelfs wat verwondering.

Op weg naar huis dacht ik aan Gerbrands intonatie, of hoe ik die had opgevat. Was mijn selection bias toch niet uitgewerkt, of nam de verwondering het op een zekere leeftijd over van de hoop?

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.