Leve de vrijheid!

Wat zou toch deze eeuw de allerergste maken?
Wellicht dat in de walm van angst, verdriet,
zij wel de zwartste zweer wist aan te raken,
Maar haar genezen kon zij niet.

In ‘t westen schijnt de aardse zon nog op de huizen,
zodat de daken in haar licht te glanzen staan.
Hier zet de witte dood op alle deuren kruizen
en roept de kraaien, en de kraaien vliegen aan.

Dit zou heel goed een gedicht kunnen zijn dat geschreven is in maart 2022 in Charkov door een Oekraïnse. Maar het werd geschreven in 1919 door een Russische. Leven onder een oorlog die je wordt aangedaan door mannen die de macht naar zich toe trokken, geen tegenspraak dulden en ook alle kritiek in eigen gelederen elimineren, het is helaas geen uniek Oekraïense ervaring. Anna Achmatova, Russin, in Odessa (Oekraïne) geboren, schreef er ten hemelschreiend mooie poëzie over, hier in vertaling van Margriet Berg en Marja Wiebes.

Hoe bijziend ben je als je Russen wilt cancelen die precies dat meemaakten wat de Oekraïners nu te verstouwen krijgen? Niet het Russisch is het probleem, noch het Russisch volk en al zeker niet de dichters, schrijvers en componisten en andere kunstenaars. Maar de man Poetin is het probleem. Poetin die – zoals Navalny al zei – de geschiedenis in zal gaan in associatie met ‘de onderbroek van Navalny’, niet in associatie van een ‘herwonnen imperium’. Wat Tsar-struck Poetin nog denkt te kunnen bereiken is maar de vraag. Hij zoekt zijn historische voorbeelden bij de tsaren die gebiedsuitbreiding realiseerden. Maar Vladimir is een beperkte geschiedenisleerling: want wie alle tegenspraak elimineert zal uiteindelijk nooit winnen. Die eindigt in een put. Daar hoef je de geschiedenis maar op na te slaan.

Als we toch in algemeenheden denken dan zouden we de mannen moet aanwijzen als de schuldigen van een zinloze en brute oorlog. Zoals Virginia Woolf schrijft in Three Guineas – haar lucide geformuleerde studie naar oorlogvoering – ‘Scarcely a human being in the course of history has fallen to a woman’s rifle.’ En verder: ‘Obviously there is for you some glory , some necessity, some satisfaction in fighting which we have never felt or enjoyed.’

Of mannen? Poetin lijkt een bange bolle boze boomer meer dan een krijgsheer. Ergens blijft het onbegrijpelijk dat een geest zo op kan raken dat hij gelijk denkt te hebben door iedereen die anders denkt het zwijgen op te leggen. Daarin is hij een moderne Stalin.

Ik heb gezichten langzaam zien vervallen,
gezien hoe angst vanonder wimpers kijkt,
ik heb gezien hoe lijden op de wangen
iets kerft dat op ruw spijkerschrift gelijkt.
[…]
Ik bid niet louter voor mijzelf dit uur
maar ook voor wie zich daar met mij bevonden,
voor hen die bij die rode blinde muur
in barre kou en juli-hitte stonden.

Anna Achmatova

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Levensvatbaar

Na het overlijden van kater Joris, die zestien jaar heeft meegedraaid in ons gezin, vond ik het wel genoeg geweest. Er waren nog twee vissen en een hond over, en de kotsplekken op het kleed en de houten vloer konden me gestolen worden, net als de haren overal, de kaklucht rond de kattenbak en het peperdure voer tegen die blaasgruis-issues.

Joris was een schat van een beest, maar dat is Otis de Hond ook, en daar moeten we tegenwoordig ook al een babysit voor regelen als we van huis gaan, anders zit hij vanaf minuut drie amechtig te keffen achter de deur.

De diepe rouw waarin Nadim (10) zich zeker vijf minuten had ondergedompeld, verdween als een angoratrui onder los kattenhaar toen hij op het internet de ragdoll ontdekte, een raspoes waarvan het skelet schijnbaar verweekt op het moment dat je zo’n beest oppakt. De poes kun je vervolgens als een stolaatje om je nek draperen.

‘Kijk mam,’ zei hij. ‘Vind je deze kittens niet super cute?’

Dat waren ze, zei B. Maar het was nog te vroeg om na te denken over nieuwe katten.

‘Het kan ook zijn,’ voegde ik toe, ‘dat er helemaal geen kat meer komt.’

B trok haar wenkbrauwen naar me op en kantelde haar hoofd. ‘Een huis zonder dieren is geen echt huis,’ zei ze. Wat ook weer waar was. Maar we hadden die ouwe Otis toch nog? En de vissen?

‘Áls er weer een kat komt, dan zeker geen twee,’ zei ik. ‘En helemáál geen raskat. Wat kosten die beesten?’

Nadim liet me een prijslijst van een fokker zien, en de temperatuur in de kamer leek twaalf graden te dalen.

‘Crimineel,’ zei ik. ‘Later blijken ze dan ook nog genetische afwijkingen te hebben, omdat ze helemaal zijn doorgefokt.’

‘We praten er in de zomer over,’ zei B tegen Nadim. En tegen mij: ‘Toch?’

Ik kruiste mijn armen en tuurde voor me uit. Het laatste woord had ik hier wel over gezegd, leek me.

Acht dagen later stond ik in Purmerend twee ragdollkittens aan te betalen. Ik rekende uit hoeveel die beesten per ons zouden kosten, en werd een beetje draaierig. Geen wonder dat niemand in het westen nog kattenvlees at.

Op een zondag twee maanden later haalden we de zusjes in een knetternieuwe draagdoos op, en namen ze mee naar huis. In de woonkamer lieten we de kittens los te midden van een hele hoop impulsaankopen die B bij een online dierenspeciaalzaak had gedaan.

Hoewel de natuurlijke reactie van elk dier in zo’n vreemde omgeving zou zijn om onder de bank te vluchten en daar een paar dagen te blijven tot duidelijk is dat er écht geen groot gevaar dreigt, sprongen deze twee mafklappers onmiddellijk met enthousiasme op alle verenballetjes en rolspiraaltjes, en speelden verstoppertje in een soort rups met gaten. Ergens in de afgelopen jaren leek het de branche te zijn gelukt om elke natuurlijke angstreactie uit dit ras vandaan te fokken.

‘Dit is toch niet normaal?’ zei ik.

‘Zo zijn ragdolls,’ antwoordde Nadim, die zich inmiddels extreem goed had ingelezen. ‘Ze willen altijd bij mensen zijn en spelen en ze zijn dol op knuffelen en chillen. Van knuffelen en chillen krijg je oxytocine.’

Later die dag kwam er eentje kijken terwijl de kinderen in bad zaten, en gleed daarbij het water in. Omdat het bad niet erg vol was, stak haar kopje nog boven het sop uit. Ze bleef niet alleen kalm, maar deed ook geen enkele moeite om uit het water te komen. Ik begreep dat deze kittens onder natuurlijke omstandigheden niet levensvatbaar zouden zijn.

Op maandag, bij het tikken van mijn eerste woorden van de ochtend, werd er simultaan in mijn linker, -en rechterbroekspijp geklommen. Een paar tellen later barstte een hevig spinnen los op mijn schoot, wat de mafklappers een paar uur volhielden, tot ik opstond om naar de wc te gaan. Toen ik terugkwam lagen ze op mijn toetsenbord. Er ging toch wel iets van die beesten uit.

Het leek na die paar uur alleen met de kittens moeilijker me druk te maken over dingen, ook als het dingen waren die de kittens zelf deden, zoals op ons bed piesen, hun nagels scherpen aan de bank, het voer van Otis eten en weer uitkotsen, en klimmen in de dure zonwering.

Ik plukte Mus en Mary uit de Luxaflex en nam ze terug op schoot. Onmiddellijk startte het gespin weer op. Boven het daklicht spande een helderblauwe hemel, en een ondefinieerbare hoeveelheid tijd verstreek terwijl ik dat blauw in staarde, achteroverhangend in mijn stoel. Ik rekte me uit. Gaapte. Besefte dat ik voor hoe lang het ook geduurd had niet aan de oorlog in Oekraïne had gedacht.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Nyctofobie

Kleine Vladimir, waar ben je toch zo bang voor?
Met je kille blik heb je jezelf al zoveel nachten
opnieuw ondervraagd, sinds je kleutertijd
steeds hetzelfde patroon: niemand te vertrouwen,

de nachtelijke haas niet, je kapotgetrapte speelgoed,
de grotere jongens die je tegen de kleine opzette niet,
vader, docenten, superieuren, dat emotieloze gezicht
in de spiegel niet. De mensen in je land,

proostende vrienden die je teveel nodig hebben
om vriend te kunnen zijn – waarom moet jij toch altijd
alles alleen opknappen in je donkere bunker

terwijl anderen de lente op hun gezicht voelen?
Jij kunt er toch ook niets aan doen dat het zo begonnen is,
zo volkomen volgens angstig plan zal eindigen?

Hanz Mirck

Hanz Mirck (1970) schrijft al ruim dertig jaar poëzie. Zijn debuut Het geluk weet niets van mij (2002) werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en zijn tweede bundel werd bekroond met de J.C. Bloemprijs. Mirck was ook redacteur van literair tijdschrift Parmentier en voor diverse uitgeverijen. Hij vertaalde toneel en poëzie, schreef gedichten voor kinderen, een roman (Het godsgeschenk) en was stadsdichter van Zutphen en daarna van Apeldoorn.