Zullen hebben gekozen

Ik geef niet zoveel om logische puzzels, maar er is er één die me erg aan het hart gaat. Aristoteles formuleerde hem voor het eerst in zijn De interpretatione, ongeveer op de volgende manier: ‘Als het waar is dat er morgen een zeeslag plaats zal vinden, dan was dit gisteren ook al waar, en vorige week, en vorig jaar. Maar alle dingen die in het verleden waar zijn, zijn noodzakelijk waar. Dus het is noodzakelijk waar dat er morgen een zeeslag plaats zal vinden.’

Deze puzzel, die bekend staat als het probleem van toekomstige contingentie, gaat over de verhouding tussen tijd en waarheidswaarde: wordt een voorspelling pas waar zodra ze ‘uitkomt’, of was ze dat daarvoor ook al? Dit is een kwestie die niet alleen voor logici interessant is, maar voor iedereen die weleens terugkijkt op de manier waarop hij naar de toekomst vooruit heeft gekeken. Ze wijst op het wonderlijke feit dat de toekomst, die ons vloeibaar voorkomt, stolt zodra ze geschiedt en tot het verleden gaat behoren.

Vorige week las ik Clara Egginks Leven met J.C. Bloem – zomaar, eigenlijk, want ik ben van Eggink noch Bloem een bijzonder groot liefhebber, maar ik kwam het boekje de laatste keer dat ik in Amsterdam was tegen in een van de opruimbakken van Brinkman en nam het mee. Tijdens het lezen bedacht ik me dat het probleem van toekomstige contingentie in memoires altijd sterk voelbaar is, en dat dit de aantrekkingskracht die het genre op me heeft misschien verklaart. De schrijver van memoires blikt immers terug op een verleden waarin ambities, fantasieën en levensbeslissende keuzes nog niet (waar)gemaakt zijn, maar doet dit vanuit een moment in de tijd waarin alles wat te gebeuren stond gebeurd is, en dus noodzakelijk lijkt.

Eggink is bij vlagen een nogal vervelende schrijver; soms klinkt ze als een oude buurvrouw die op samenzweerderige toon saaie anekdotes vertelt. Maar uit haar schrijven kan alleen maar geconcludeerd worden dat Bloem een nog veel vervelender mens moet zijn geweest, Egginks pogingen om een overwegend positief beeld van hem neer te zetten ten spijt. Zo komt hij bijvoorbeeld over als het type man dat enerzijds meent dat vrouwen niet in staat zijn om zelfstandige keuzes te maken, en anderzijds zelf te afhankelijk en pueriel is om zonder de zorg van een vrouw te kunnen leven (wat natuurlijk vaak twee kanten van dezelfde munt zijn). Eggink is over het algemeen niet al te kritisch over dit gegeven, hoewel er soms een beetje terechte bitterheid in haar schrijven doorschemert: ‘Hij en zijn vriend Gerard Zalsman hadden bedacht dat zij, ieder met hun zoon, [in Katwijk] wel een tijdje konden doorbrengen en zij hadden daartoe een huis gehuurd. Maar toen het erop aan kwam, ontdekten ze dat ze niemand hadden om voor hen te zorgen en ik kreeg een telefoontje of ik maar komen wilde.’

Eggink besteedt veel tijd aan het beschrijven van de huizen waarin ze samen met Bloem heeft gewoond, op uiteenlopende plekken in Nederland: Rotterdam, Sint Nicolaasga, Breukelen, Katwijk, Kijkduin, Kalenberg. Ik vond dit verreweg de leukste stukken in het boek, wat ongetwijfeld te maken heeft met het feit dat ik zelf volgende maand zal moeten verhuizen en momenteel nog naar een nieuwe woonplek op zoek ben. Als je te maken hebt met onzekerheid over de (nabije) toekomst kun je jezelf geruststellen door jezelf die toekomst in te projecteren, wanneer wat nu nog ongewis is als noodzakelijk zal verschijnen: ‘over een tijdje zal dit voorbij zijn, er zal een moment komen waarop je hier kalm op terug zult kunnen kijken.’ Ik kijk naar mijn bureau: binnen een maand zal het ergens anders staan, op een plek die ik me nu nog niet voor kan stellen, maar die er wel is.

Ook denk ik terug aan mijn vorige verhuizing, die veilig in het verleden ligt. Ik kwam net in Nijmegen wonen en verbleef eerst een paar maanden op zolder bij een welgestelde kunsthistorica, in wier glanzende keuken ik niet goed durfde te koken. Ik bezichtigde denk ik een stuk of tien kamers, studio’s en appartementjes voordat ik de plek vond waar ik de afgelopen tweeënhalf jaar gewoond heb. Na de bezichtigingen heb ik bijna nooit meer aan deze ruimten teruggedacht, maar nu haal ik me ze opeens weer scherp voor de geest. Ik herinner me hoe ik de weinige meubels die ik had steeds in verschillende configuraties als hologrammen in die ruimten projecteerde en me voor probeerde te stellen hoe het zou zijn om daar te wonen. Maar ik ging er niet wonen, en de toekomstigheid die deze plekken bij de bezichtigingen in zich droegen werd irrelevant en stierf af als een tak aan een evolutiestamboom, een mogelijke wereld die geen werkelijkheid werd.

Bloem schrijft in zijn gedicht “Aanvaarding” (niet van een aangeboden woning, van de dood natuurlijk, maar toch) het volgende:

Want ik wist door een keuze verloren
Ieder ander verlokkend bestaan.
Ik heb dan ook niets verkoren,
Maar het leven is voortgegaan.

Natuurlijk werden er in Bloems leven wel degelijk keuzes gemaakt. Eggink schrijft: ‘In het voorjaar van 1928 vatte Jacques het plan op om buiten te gaan wonen en te zien van zijn pen te leven. Hij had een bovenhuis gevonden in Loenen aan de Vecht, waar hij heel enthousiast over deed. Ik heb het nooit gezien. Het scheen aan de dorpsstraat boven een poort aan de rivier te liggen. Ook hebben we nog eens in Driebergen en Soest rondgeneusd.’ Uiteindelijk komen ze echter terecht in het Friese gehucht Sint Nicolaasga. ‘Wij hebben er drie jaar gewoond.’

"Foto van Kyrke Otto"
Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen en is momenteel werkzaam als docente en promovenda aan de Radboud Universiteit, waar ze onderzoek doet naar de rol van aforistische schrijfvormen in de Lebensphilosophie-beweging. In bredere zin interesseert ze zich voor kwesties van genre, stijl en methode en de relatie tussen filosofie en literatuur. Essays en gedichten van haar hand verschenen o.a. in De Gids, De Nederlandse Boekengids en Tirade.

recent

Overkomen

Vroeger kwam ik regelmatig arrogant over. De eerste keer dat ik dit oordeel geserveerd kreeg was in een werkgroep van mijn studie, en ik weet nog dat ik er enorm van schrok. Omdat ik niet wist waarmee ik die indruk had gewekt, hield ik me in de maanden erna ontzettend in bij nieuwe mensen.

Maar die voorzichtigheid sleet, waarna ik vanzelf weer iemand tegenkwam die me – meestal via anderen – liet weten dat hij of zij me een hele arrogante jongen vond. Ik snapte er niets van. Natuurlijk wist ik dat ik stellig kon klinken, maar ik ben een geboren twijfelaar. Ik maak me zorgen over álles, niet in de laatste plaats over mijn rang in het sociale.

De kritiek kwam nooit van extraverte personen – vaak was het degene in een groepje die geen woord tegen me had gezegd. Ik concludeerde dat men zich overschreeuwd had gevoeld, en besloot mijn mond vaker te houden, zodat iedereen aan het woord kon komen.

De zwijgers bleven zwijgen, en zo nu en dan ook klagen over mij. Ik besloot ze maar te mijden om verdere frustratie te voorkomen, en toen ik nog in die knetter-extraverte horeca werkte ging dat best makkelijk. Maar het leven zou het leven niet zijn als ik de horeca niet verliet en verder ging als schrijver en docent.

Omdat ik het leven al zag aankomen, zocht ik naar manieren om beter met de zwijgers om te gaan. Hun boosheid leek voort te komen uit het gevoel dat ik hen niet zag staan, over hen heenkeek – toch de meest fysieke uitdrukking van arrogantie. Wat als ik de introverte in een groep meteen identificeerde en contact met hem of haar maakte?

Deze aanpak lijkt te werken, en er zitten heel interessante figuren tussen die introverten. Iemand die angst om zich uit te spreken moet overwinnen, blijkt me vaak meer te kunnen raken dan iemand voor wie dat geen probleem is.

Beeld: Roos Van RijswijkMeet the parents. De vrouw in deze foto is auteur Sun Li. Zij is geen stil persoon.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Onder de opper

De storm stak vannacht op, de bus waarin we sliepen begon als een stampend schip heen en weer te bewegen, rukwinden gierden onder de zonnepanelen door en we hoorden de bomen op het erf ruisen. Toch even op de dijk kijken, wat is dat toch die drang altijd? Warre goed ingepakt en stevig aan de hand liep ik naar de auto.

Dezelfde tocht als altijd als ik ga varen. Als er slecht weer wordt voorspeld eerst even op de dijk kijken hoe de Schelde er uitziet. Je kan duizenden weerberichten downloaden en met elkaar vergelijken, maar soms moet je ook je kop uit het luik steken, hoorde ik een andere schipper alweer jaren geleden zeggen. Dat is iets waar je op zee altijd automatisch mee bezig bent, zelfs al je in je hut ligt te slapen: hoe ligt het schip in de golven, hoe hoog zijn de golven, wat voor geluiden, welke zeilen staan er op? Is de wind vlagerig of constant? Met kortere tochten in Zeeland is dat anders. Je hebt alle weerberichten altijd bij de hand, maar je moet ook op je gevoel en getij af gaan. Met een noordwester zit je redelijk onder de opper van Schouwen Duiveland als je vanuit Zierikzee zou vertrekken. Wachten op de brug is nooit prettig met veel wind (als hij dan al draait) maar met zuidwestenwind en opkomend tij echt niet aan te raden vanwege de lager wal. Afwegingen en routes die je kunt nemen, uitwijkmogelijkheden en ga zo maar door.

Als ik de wind niet helemaal vertrouw, rij ik altijd de omweg die ik vandaag ook deed. Bij Viane kwam ik de dijk op, zag de meeuwen landinwaarts over de Prunje scheren en op de dijk een prachtig kleurenspel van een nog net niet opkomende zon waarvoor grijze stormwolken over Tholen en Beveland trokken. Pas ver uit de slikken van Viane (het was eb) zag ik witte schuimkoppen. Omdat de wind meer west dan zuidwest was, bouwden de golven minder op. Een binnenvaartschip ploegde vanaf de Krammer door de Zijpe naar de Tonnenvlaai, daar wist ik, was het met eb wat meer beschut voor golven achter de banken. Achter de dijk reden we naar de weg die wel het meest tot de verbeelding sprekende naam van het eiland heeft: ‘Weg van de buitenlandse pers’. Ja op de dag af 69 jaar geleden ging het hier wel fout met zo’n noordwesterstorm. Bij het gemaal zag ik een auto van het waterschap. ‘Beperkte dijkbewaking’ zou mijn vader zeggen. Onder de snel overtrekkende wolken speurde ik de dijken en inlagen af. Waren er geen schapen omgerold? Anders met m’n laarzen het land in om de schapen weer op hun poten te duwen. Maar ze stonden allemaal nog, met de kont in de wind. Bij de Zuidbout konden we weer over de Oosterschelde kijken. Witte golven kwamen aanrollen vanaf de Zeelandbrug, een prachtig schouwspel. Weinig schepen op het water en dat was ook niet gek. Eenmaal Zierikzee ingekomen, dit keer geen schip om op te varen, die ligt op de werf, veilig in een sloot tussen de bebouwing, ging ik brood kopen. Brood om straks bij de soep te eten als Suzan weer uit de boomgaard gewaaid zou komen. Het leven als thuisvader, elke dag even op de dijk kijken. Het mooie van zo’n storm in de winter is: uitvaren hoeft toch niet. Een paar minuten op de dijk en mijn haar zit weer goed.

"Foto van Wiebe Radstake"
Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Momenteel is Wiebe onderweg vanuit Europa met een driemaster richting Suriname en de Caribbean. Als hij niet aan boord is op dwarsgetuigde zeeschepen woont hij op een zeeuwse klipper in Middelburg samen met vrouw en twee kinderen.