Niet-bestaande gedichten V

Ik dacht altijd dat de verlammende hitte van de hondsdagen, als de zomer al eindeloos lang lijkt te hebben geduurd en je het gevoel krijgt dat het kwik nooit meer onder de vijfentwintig gaat zakken, nooit beter verwoord was dan in ‘July’ uit John Clare’s Shepherd’s Calendar. Het hele gedicht is loom en zwaar en je voelt haast fysiek de druk van onontkoombare hitte op je borst, in regels als:

And in the oven-heated air,
Not one light thing is floating there
Save that, to the earnest eye
The restless heat seems twittering by.

Dat was misschien zo, tot het verschijnen van dit gedicht. In ‘Loodwit’ is alles nóg zwaarder dan bij Clare, in wiens gedicht de zomerloomte er weliswaar met virtuoze klankherhaling ingehamerd wordt, maar waar die ook een kortstondige episode vormt tussen twee periodes van – en dat hoort natuurlijk ook bij de zomer – zoemerige bedrijvigheid.

Zo niet in ‘Loodwit’, waarin de titel alleen al de indruk wekt dat het licht van de zon zwaar als lood over de wereld druipt. Zo fragiel en zuiver als licht in poëzie soms kan zijn, bij Lucebert bijvoorbeeld, zo smoezelig en ondraaglijk en massief is het hier. Metaforen die je bij licht niet snel zou verwachten, aardse begrippen zoals pek en stro, worden hier toch overtuigend de atmosfeer in gegooid, waardoor de wereld een onherbergzame oven wordt waarin het moeilijk rondlopen is.

Is het dan alleen maar zwaarte en stroperigheid in dit gedicht? Nee, want dat zou het ook eendimensionaal maken. Pas in de slotregel valt écht op hoe secuur er in de voorafgaande zeventien regels met klank wordt omgesprongen. Als er ineens een ijsvogel over het water flitst, heeft het woord ‘flitst’ iets van een visuele onomatopee: zo’n snelle klank hadden we in het hele gedicht nog niet gehoord. Het woord detoneert, zoals elke beweging detoneert op zo’n zomerdag, die op het moment zelf ondraaglijk kan voelen, maar waar je diep in november toch weer vurig naar terugverlangt. Extra mooi dat die flits de blauwe bliksem van een ijsvogel is, die niet alleen in snelheid maar ook in naam detoneert met de lome hitte om hem heen.

recent

Ons opengegooide bed

Stoppen met schrijven is moeilijk. Er zijn er maar weinig die het kunnen. De meesten willen het blijven doen zolang een hand de pen kan vasthouden. Sommigen ook te lang. Of mag je daar eigenlijk niet over oordelen? Ik oordeel wel soms over boeken die ik lees waarvan ik denk dat de schrijver moet hebben gemeend dat alles wat hij denkt wel interessant is… En ik ken schrijvers die hun werk verwateren door teveel te schrijven. Het is maar zeer weinigen gegeven altijd boeiend te zijn. En onder hen zullen er weer relatief veel zijn die toch besluiten te stoppen. Want nadenken over wat er toe doet en wat niet, dat is een kwaliteit. George Simenon, van wie ik nooit een boek las, schreef er honderden. Op zijn zeventigste stopte hij, omdat hij er genoeg van had altijd maar in dienst van zijn personages te staan. Zijn laatste vrouw schonk hem – het was toen begin jaren ’70 – een bandrecorder. Hij raakte verslaafd aan elke dag een poosje herinneringen en overwegingen inspreken. Voor zichzelf. Beelden noemde hij het. Maar zoals dat gaat met goed verkopende schrijvers: het is uitgegeven. Een man als ieder ander. Ik lees het met bijzonder veel plezier en eigenlijk is dat onverwacht. En een beetje vermoeid, want nu ga ik toch ook maar een Maigret ter hand nemen.

Simenon is krankzinnig eerlijk. En hij lijkt nauwelijks iets te pretenderen. Hij had succes, verkocht miljoenen boeken, een redelijk avontuurlijk leven – zeker wanneer je in ogenschouw neemt dat hij dagelijks zo’n 50 bladzijden schreef, en in niet samenhangende beelden roept hij moeiteloos een hele wereld op. Van Luik in het eerste decennium van de twintigste eeuw. Van Parijs in het daaropvolgende, op een wijze die Patrick Modiano in herinnering brengt, maar ook Paul Léautaud, of Jules Rénard. En hij geeft een beeld van een onvolmaakt mens.

De eerste zin de film ‘Don Juan’ luidt in mijn herinnering: ‘My name is Don Juan de Marcos. I’ve had more than a thousand women.’Iets waarbij ik onmiddellijk in de lach schoot, omdat het iets grotesks heeft. Volgens Simenons tweede vrouw heeft George zeker met 1.500 vrouwen het bed gedeeld. Zijn eigen inschatting is een stuk hoger, maar ik ga maar even af op de tweede vrouw. Waar ik het in de film ongeloofwaardig vond, moeten we dit van Simenon dus wel aannemen. Ik verwacht dat dat plezierig kan zijn, maar denk ook dat er een pathologische grondslag in het spel moet zijn. Wellicht wel verwant aan de neiging om dagelijks tussen de 40 en 80 pagina’s te schrijven. En oneindig veel te drinken.

Op 70 jarige leeftijd dus, haalt Simenon opgelucht adem. Dat hoeft niet meer. Die jacht. De memoires van iemand die vooral voor zichzelf spreekt lijken me eerlijker dan die voor publicatie bedoeld zijn. De eerlijkheid in deze ‘onbedoelde memoires’ zijn het aantrekkelijkst. Het is als poëzie van Leo Vroman in zijn laatste decennia: spel zonder een seconde te wijden aan de gedachten wat-men-er-wel-niet-van-mag-vinden. Vrijheid dus, in tekst. Nu maar hopen dat je daar niet per se 70 voor hoeft te worden.

IK ZIE DE TOEKOMST


Ik zie de toekomst als een onrijpe
ongeplukte vrucht van het verleden.
Dat is de oorzaak of de reden
waarom we haar nog niet begrijpen.

Maar wat is begrijpen voor begrip:
dat we alles kunnen doorzien
en herleiden tot minder dan een stip
van sindsdien tot voordien?

Dan begrijp ik zelf met
alle hulp van daarnet
al minder dan een moment:

hoe ik ook heb opgelet,
die plooi in ons opengegooide bed
is mij totaal onbekend.


Leo Vroman, Fort Worth, 19 mei 2013 (verschenen in Tirade)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Klein feest

Op de tweede maandag van oktober konden Jan van Mersbergen en ik nog een Vertellers van Helmers organiseren. De kroeg stond vol, het was warm en ons traditionele pauzebiertje smaakte uitstekend.

Wat hadden we fijne gasten. Wat werd er veel gelachen. Het tweede, derde en vierde biertje smaakte ook, net als het vijfde en zesde. Om twaalf uur was de zaak leeg en stapte ik op de fiets om op tijd in bed te liggen.

Natuurlijk wist ik dat er een borreltje was bij gezamenlijke vrienden, en ik wist ook wie daar allemaal zou komen. Die usual suspects vind ik heerlijke mensen, ik vreesde alleen tezeer de kater. De afgelopen jaren is die bij mij vooral psychisch, te vergelijken met de serotoninedip die je na xtc-gebruik wel ziet. Alles lijkt zo zinloos, dan.

Hoewel dat voor mij niet hoeft, had B een lichtje aangelaten. Otis de Hond richtte zijn kop op en kwispelde, maar bleef in zijn mand. Ik zat een tijdje aan de keukentafel, wreef in mijn gezicht, trok mijn laptop naar me toe – misschien moest ik een stukkie schrijven – en schoof hem weer van me af. Misschien had ik naar dat borreltje moeten gaan.

Uiteindelijk dronk ik spuitwater en poetste mijn tanden voor de badkamerspiegel, die nog van mijn tante Fien geweest is. Hoe lang had ik al niet meer aan mijn tante Fien gedacht? Ik liet mijn vingertoppen over de donkere lijst gaan en rook eraan: bijenwas, zwavel, een zweem van het zure stof dat ook in slechtbezochte kerkjes hangt.

Mijn tante woonde in een enorm appartement aan de Nicolaas Witzenkade, dat na de oorlog werd gehuurd door haar man Abraham. Souterrain, bel-etage en eenhoog voor één enkele huurder – Abraham Sarphati overleed al snel. Geen idee wat tante op het laatst betaalde, maar duizend euro in de maand zal het niet zijn geweest.

Het pand werd na haar dood verbouwd, gesplitst en verkocht. Wie er nu woont zal niet veel thuis zijn, omdat zo’n hypotheek tenslotte bij elkaar moet worden verdiend. Mijn tante was er altijd: het huis rook zo mogelijk nog meer naar haar dan de oude dame zelf. Een blend van zweet, een hint urine en een dikke laag Miss Dior – het flesje met de zwart-witte ruit dat altijd naast de wasbak van haar toilet stond, onder de spiegel waar ik nu in keek.

Tijdens deze tweede lockdown denk ik veel aan tante Fien. Ze had net als ik een stoel bij het raam, en kon van daaruit op het water kijken. In de mijne doe ik nu bijna al mijn werk, maar ik tuur ook veel naar de gracht. Vanochtend lag er rijp op de brug. Ik hoop dat mijn huis inmiddels niet méér naar mij ruikt dan ikzelf, maar je schijnt dat dan als laatste door te hebben.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.