Addio, Mr. Sausage

I was always afraid of this happening, and it has. You moved to Brussels. You killed yourself there two years ago. I didn’t know.

I have thought of you every time I made gnocchi. Every time I ferment cabbage, I think of you. Every time I drink vodka, too. We broke up ten years ago – is that what one calls a friendship ending when one does not want it to? You were good to me but bad for you, and I could no longer stand to watch you throw yourself off of everything you so laboriously built.

You said you didn’t photograph well and you were right. The picture I encountered on your Facebook remembrance page today is the best one I have ever seen of you. I will share it here, for everyone to see that great inviting face.

You kicked a heroine habit and survived a very lethal form of cancer, moved from Trieste to Moscow as a graphic designer. You found a home in Amsterdam and became a chef and partner in a fine restaurant, surrounded yourself with good people. You managed to survive all that life threw at you, but could not overcome yourself.

We met when we still had great expectations, we lost touch when you began to spiral down. I remember that it felt like you were removing yourself from my life, erasing yourself – as though you were ashamed of something. For some time I kept track of where you worked, whom you were seeing.

When I last visited you, you were living on a friend’s sailboat, moored in a tiny overgrown harbor in the north. So far from the waves of the Adriatic you used to sail as a young man, that had somehow given your eyes their arresting shade of blue. You smiled like you always did when you saw me, but wouldn’t let me in. You made us coffee in your tiny blackened moka, and smoked as we sat and talked on the rear deck. Your big frame hardly fit the harbor, let alone the boat.

I wanted to help you, but also felt the urge to leave. I was ashamed of that. Still am.

You repaid every cent you owed me that day, and my relief was short lived. It was like you were saying goodbye. But even there, smoking and drinking coffee in the rubble of your life, you could make me laugh – so hard.

Ever since you found out that loo means toilet, I was Mister Vandertoilet to you. And so you, Andrea Sossi, became my Mister Sausage.

I lost you all those years ago and lost you again today, but love you still.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

recent

Kruistocht met portemonnee

‘…en dit,’ zei dr. Simiak, ‘is dan de materie-transmitter.’

De laatste dagen komen er spontaan allerlei citaten in mijn geheugen naar boven uit Kruistocht in Spijkerbroek van Thea Beckman. Dat komt omdat ik een portemonnee heb gevonden. Het was op een gewone donderdagavond, kort na tien uur, op een druk punt in de stad.

Ik fiets over het mapje heen, rem en rijd terug. Er zitten acht pasjes in en een briefje van vijftig euro. Een pinpas, creditcard, kortingsbonnen van een restaurantketen, een collegekaart. Er zit zelfs een identiteitsbewijs in.

Thuis ga ik meteen op zoek. Zoveel gegevens; dit kan niet moeilijk zijn. Ik vind een Twitter-account, een Facebook-account. Ik heb geen Twitter en dat wil ik graag zo houden, dus ik app mijn zus of zij een privé-bericht wil achterlaten. Ik ben geen Facebook-vrienden met deze persoon, dus ik kan hem niet taggen. Hij is ook niet erg actief de laatste tijd. Ik laat toch maar een bericht achter.

De volgende dag is er nog geen reactie. Ik bel de bank en de onderwijsinstelling. Zij mogen geen gegevens delen, maar zeggen wel allebei een mail te zullen sturen met mijn telefoonnummer. Ik voel me als dr. Simiak, die op goed geluk aluminium doosjes achterlaat in een ver verleden om Dolf Wega terug te vinden.

‘Buiten, voor de basiliek, lag op het plein een glanzend doosje te schitteren in de zon. Niemand zag het nog.’

Stilte. De eigenaar van deze portefeuille en ik, wij delen – behalve onze stad – helemaal niets. Geen van mijn berichten lijkt doel te treffen. Onze bubbels zweven kilometers ver van elkaar door het universum. Dit is het tijdperk van ongekende social-media mogelijkheden en toch voelt het alsof wij minstens zevenhonderd jaar van elkaar verwijderd zijn.

‘Alleen Leonardo keek twijfelend. Blijkbaar vond hij het rondstrooien van geheimzinnige doosjes een rare manier om iemand op te sporen. En dat was het ook. Behalve als je niets anders tot je beschikking hebt dan een materie-transmitter en je in het wilde weg moest proberen contact te maken met zevenhonderdzestig jaar geleden…’

Kruistocht in Spijkerbroek is trouwens het allereerste boek dat ik van mijn zakgeld kocht. Ik heb de negentiende druk, uit 1980, dus ik moet elf jaar zijn geweest. Ik had vijfentwintig gulden gespaard. Jeugdvriendin Karin ook. We kochten allebei een exemplaar, ook bij haar staat het rijtje Beckmansen nog altijd in de boekenkast. En ook al zijn onze levens een andere kant uitgegaan, die boeken en onze herinneringen delen we.

Met de 22-jarige Portugees-Angolese man deel ik niets, behalve de stad en zijn portefeuille. Ik zak weg in gemijmer over hoe gescheiden onze bubbels zijn. Hoe langer de tijd zonder bericht doortikt, hoe groter de kloof voelt tussen mij en al die mensen in deze stad, in deze wereld, wier levens ik nooit zal kennen.

Een van mijn Facebook-vrienden tipt dat ik een cent kan overmaken en op de plek waar je doorgaans een factuurnummer invult, een boodschap in kan tikken. Geniaal plan.

‘… dit was een boodschap uit de toekomst.’

Hoewel ik denk dat ik het verleden ben en hij de toekomst is. Het is maar vanaf welke kant je het bekijkt.

Hij belt.

Hij werkt in het restaurant van die kortingsbonnen. Nota bene in het filiaal vlakbij de plek waar ik het aluminium doosje, pardon, de portemonnee, vond. Hij was die donderdagavond even buiten een sigaretje gaan roken. Inderdaad, rond tien uur ’s avonds.

Ik fiets daar al negentien jaar een paar keer per week langs. En de laatste jaren regelmatig rond tien uur ’s avonds. Ik kom dan van mijn werk, hij rookt een sigaretje. Oké, hij is pas 22. Hoe kort of lang werkt hij in dat restaurant? Maar toch: onze levens schuren blijkbaar dagelijks naadloos langs elkaar heen. Als we de verbinding verbreken, barst ik in tranen uit. Dan stap ik op de fiets en breng het mapje terug naar het restaurant.

Such a nice way to meet a perfect stranger,’ zeg ik. Hij lacht.

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Op café

Waar ik bij veel mensen om me heen gelatenheid bespeurde in reactie op de verscherpte maatregelen, voelt het voor mij anders. Het terugpakken op de noodgreep van de lockdown maakte me duidelijk – rijkelijk laat, ik weet het, maar er is een verschil tussen wat je snapt en wat echt tot je doordringt – dat er geen voorzienbare uitweg is.

Vanaf nu, las ik af aan Rutte en die gozer met die schoenen, gaan we een paar keer per jaar in lockdown ter ontlasting van de zorg, en er weer uit voor de economie en de maatschappelijke draagkracht voor volgende lockdowns. De burger zal alleen maar minder geneigd zijn zich aan de maatregelen te houden, dus de lockdowns zullen harder worden, langer duren en vaker voorkomen.

Hoewel het zonder nog veel erger zou zijn: als verlosser is het vaccin zo dood als een pier. De enige weg hieruit, drong tot me door, is opschaling van de zorg. Ervaren personeel dat elders werk gevonden heeft teruglokken met iets hogere salarissen lijkt zinloos, dus er moet een lichting jonge mensen worden klaargestoomd om IC’s te bemannen. Dat duurt – verpleegkunde is een vierjarige opleiding – minstens vijf jaar.

Ik heb een gezin, wat het mij veel makkelijker zou moeten maken dan alleenstaanden om te dealen met perioden waarin sociale contacten tot een minimum worden teruggebracht. Het lijkt zo’n klein en onbelangrijk iets, die twee keer per maand dat ik op vrijdagavond naar het café ga, maar dat is het niet gebleken. De vergelijking met paddestoelen dringt zich op. Ja, volg me nu maar even.

Wat als ons thuis een bovengrondse uiting blijkt – zoals een ridderzwam – en al die wisselende sociale contacten die we normaalgesproken door de week heen ervaren het mycelium? Een bijna onzichtbaar netwerk van draden dat het feitelijke organisme is?

De biologie snapt steeds beter dat je een plant niet op zich bekijken moet, maar als onderdeel van een systeem. Er zijn losse entiteiten, maar er is ook een entiteit te benoemen waarvan die schijnbaar op zich staande wezens deel uitmaken.

Ja, ik kan overleven zonder jullie allemaal, maar ik gedij gewoonweg niet.

Beeld is van Rob Waumans: Op café met Cindy Hoetmer

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.