Tunneltjes

Ik moest laatst aan mijn vorige onderbuurvrouw denken. Ik weet niet meer waarom, maar ik weet wel nog dat ik me afvroeg of het de laatste keer zou zijn. Of ze nog een keer in mijn gedachten zou bovendrijven – en zo ja, wanneer weer?

Toen ze nog onder ons woonde spraken we elkaar hoogstens eens per maand, meestal om ergens over te klagen. Eerst klaagde zij over onze stampvoeten en dwong zo een nieuwe vloerbedekking af bij onze huisbaas. Daarna klaagden we samen over het lawaai van onze bovenburen (haar boven-bovenburen) en de sigarettenstompjes die tijdens hun drukbezochte karaokefeesten op ons neerdwarrelden. Verder het gebruikelijke: pakketjes aannemen, de deur openhouden, een betekenisvol knikje tijdens het ophangen van de was. Ze hielp ons toen onze binnenkat eens was weggelopen, maar dat was het dan ook wel. Hechter zijn we nooit geworden.

Dat was natuurlijk niet zo gek. Wij waren studenten en zij een middelbare vrouw met twee tienerdochters, bijna-studenten, waarmee ze regelmatig gehorige discussies voerde. Onze nieuwe vloerbedekking hielp er slecht tegen. Over die schreeuwruzies wilden mijn huisgenoten en ik soms wel eens klagen, ware het niet dat we er eigenlijk helemaal geen last van hadden. Integendeel, we vonden het mateloos interessant. Zodra een van de dochters haar stem verhief, kwam iedereen uit zijn of haar kamer en zochten we naar de plek waar we het beste konden meeluisteren. Daar legden we onze oren op de vloer om van de verwensingen te smullen. Misschien hoopten we haar zo beter te leren kennen.

Vier maanden geleden hing er een opeens verhuisbord op haar raam. Ze had ons niks verteld. Niet dat we dat hadden verwacht. Bij ons was de afgelopen jaren een hoop verloop geweest en ik geloof niet dat we haar ooit vooraf van een wisseling op de hoogte hadden gebracht. Uit nieuwsgierigheid naar de inrichting zochten we haar huis op Funda op. We klikten eerst een beetje door de kamers, opgeruimd en gladgestreken door makelaarshanden, en zagen de potentie die in ons identieke appartement schuilging.

Daarna zagen we de vraagprijs. We schrokken ervan, zo’n brutaal hoge prijs. We zaten nog wel even aan haar vast, dachten we – maar het huis was binnen drie weken verkocht. Ik overwoog nog om langs te gaan voor een afscheidspraatje, maar voordat ik een besluit kon nemen was ze vertrokken en stonden in haar achtertuin twee twintigers met een aqua-blauwe barbecue en een hippe lounge-set. Ik miste haar plastic tuinmeubilair en het eeuwige pakje JPS op het tafelblad. Ik miste haar.

Ik zal vast nog eens aan haar denken, maar steeds minder natuurlijk, en met steeds grote intervallen. Misschien is de eerstvolgende keer over drie maanden, dan over een jaar, twee jaar en dan pas weer in 2036, als ik eindelijk mijn eerste peperdure stadsappartement kan kopen.

Het brein is ontzettend goed in het onthouden van mensen. Ze blijven een stuk langer hangen dan dieren, dingen of gebeurtenissen. Wie je na je kindertijd leert kennen, verdwijnt waarschijnlijk nooit meer uit je geheugen. Al raken ze wel steeds meer eigenschappen kwijt; iemand die je niet meer ziet wordt steeds vlakker, leger. Hersentunneltjes die lang niet worden gebruikt, worden langzaam gesloten. Maar hoe lang totdat zo’n tunneltje is afgesloten? En hoe weet je zeker dat hij voorgoed dicht zit? Tot wanneer kan iets wat je ziet, ruikt of hoort nog door de wand heen prikken en een ‘vergeten’ kamer blootleggen?

Het tunnelstelsel van het brein is niet feilloos, zeker niet als je wat ouder wordt. Laatst vertelde mijn huisgenoot over een gesprek dat hij had met onze schuin-onderbuurvrouw, de ex-buurman van mijn ex-onderbuurvrouw (snap je het nog?). In dat gesprek begon de buurman over ene Joost. Toen mijn huisgenoot vroeg wie hij daarmee bedoelde, had hij het over een jongen met witgeverfd haar. Ik dus. Waarom Joost, vroeg ik me af. Ik kon mezelf niet weerhouden van een binnenpretje: de gedachte dat Joost, net als ik, anders geaard is. De buurman dacht zelfs dat Joost (ik dus) uit het pand verhuisd was. In de drie jaar dat we hetzelfde appartementencomplex delen heb ik niet alleen geen volwaardig tunneltje in het hoofd van mijn buurman – zijn geheugen is het halfbakken tunneltje zelfs al aan het dichtmetselen.

"Foto van Thom Wijenberg"
Thom Wijenberg

Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

Auteursfoto: Gaby Jongenelen

recent

Ze moeten wel

Een regenachtige zomer betekent vooral veel tijd om te lezen. Eindelijk had ik tijd voor Onbehagen: Nieuw licht op de beschaafde mens (2016) van Bas Heijne, waarin hij schetst hoe hij opgroeide ‘in een tijd van vertrouwen en verwachtingen – verwachtingen over groei en gelijkheid’. Het verlichte mensbeeld dus, waarbij het optimisme twee zaken betrof: de in het vooruitzicht gestelde winstmaximalisatie en het idee dat de mensheid steeds beschaafder zou worden. 

Nu weten we dat dit wereldbeeld op z’n einde loopt. De huidige jongeren weten dat de wereld verrot is. Zij voelen in hun botten dat dit winstmodel slechts welvaart oplevert voor enkelen, en niet zonder de uitbuiting en uitputting van anderenkan. De jongste generaties zitten opgescheept met de rotzooi die hun ouders weigeren onder ogen te zien, laat staan op te ruimen. Tieners en twintigers van nu verwachten niet langer dat alles mooier, beter en meer wordt. Zij hopen slechts te kunnen overleven.

Heijne vraagt zich af: ‘Is oprecht optimisme mogelijk in een door pessimisme gekleurd wereldbeeld?’ Dat lijkt me precies de kernvraag van de huidige tijd. Want ik zie om mij heen dat juist de jongste generaties vaak een wonderlijke vorm van vertrouwen hebben. Hun ‘verlichtingsideaal’ is donker, erg donker. Op het depressieve af, eigenlijk. Voor de mensen die nu aan hun zelfstandige leven beginnen gaat het niet langer over progressief verbeteren – lineair dus – maar over verbeteren in de breedte. Zij zeggen eerder een cirkel te zienof ze denken op zijn minst horizontaler. Vooruitgang lijkt voor hen meer dan ooit te zijn: wat is zinvol samenleven?

In mijn tweede roman Zwerm (Van Oorschot, augustus 2021)leest de jongste van de drie hoofdpersonages, een puber van 15, online een pamflet. Daarin staat: ‘De wereld is te heet geworden, de nieuwste generatie moet op zoek naar het ventiel. De orde van de machthebbers moet kapot, het bestaan zoals we dat kennen moet kapot en pas dan kan er iets nieuws worden gebouwd.’ En zij realiseert zich: als we niets doen, zal de aardbol exploderen. ‘Als een lappenpop zal ze worden weggeslingerd, de ruimte in. Naar een plaats die nog niemand kent, en daar zal ze opnieuw beginnen. Soms verlangt ze daar hevig naar: opnieuw beginnen in het verse niets.

Is zij degene die het ventiel zal vinden? In het pamflet staat dat het pijn zal doen. Veel tranen misschien – maar de toekomst is onvermijdelijk. Er moet beweging komen. Eén voet voor de andere zetten. Alles is beter dan stilstand.’

Om daadwerkelijk in actie te komen, moet je geloven dat je het verschil kunt maken. Psychologen spreken ook wel van de internal locus of control, het gevoel dat je je leven zelf in dehand hebt. Jongeren lijken dat meer te geloven dan hun ouders of grootouders, die momenteel aan de macht zijn. Ze moeten wel. 

The future is darkwhich is the best thing the future can be, I think,’ schreef Virginia Woolf in haar dagboek op 18 januari 1915. De Eerste Wereldoorlog zou nog vier jaar voortduren. Niemand wist nog dat er een Tweede zou volgen en zeer weinig mensen spraken over een ophanden zijnde klimaatoorlog.

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Samen doen

Hoewel ik toen best vriendjes had, herinner ik me van mijn vroege jeugd vooral de vele uren dat ik rondspeelde in mijn hoofd, al dan niet bijgestaan door huisdieren, knuffels of opstellingen van mijn Playmobil.

Enig kind, was ik, en als er mensen kwamen spelen dan was dat leuk, maar kwamen ze niet, dan was het ook oké. Op de middelbare school werd de binnenkant van mijn hoofd steeds belangrijker. Mijn vrienden waren op één hand te tellen, en bleven jarenlang dezelfde vingers. Ik hield van die vrienden, maar als ze er niet waren dan was dat ook oké.

Wat, zou je zeggen, heeft zo-iemand in de horeca te zoeken?

Soms, zoals ook voor de beste vrienden geldt, geeft het leven je niet wat je denkt te willen, maar wat je nodig hebt.

Mocht ik ooit gedwongen worden te emigreren, dan zal ik – ook op mijn achtenzestigste – een baantje in de bediening zoeken. Binnen drie werkdagen heb je een vriendenkring, binnen een maand een netwerk, binnen een jaar de sleutels tot de stad.

Achter de bar ontdekte ik dat de meeste mensen wél op me zaten te wachten; dat het me weinig moeite kostte om soepel om te gaan met advocaten, muzikanten, toeristen, marktkoopmannen en krakers. Bovenal ontdekte ik een versie van mezelf die geen genoeg kon krijgen van de lichtjes, de drankjes, het tollen van de stad. Omdat het café waar ik werkte een poflijst had, leerde ik om bij een eerste contact meteen de naam van mensen te onthouden. Een vriendenkring, een netwerk, een loper volgde.

Na vijftien jaar achter de bar en in de bediening kwam ik in de keuken terecht, een werkplek waar je op een bijna fysiek niveau met je collega’s vergroeit. Jouw hand is mijn hand is de hare, als dat voorgerecht voor tafel twaalf er maar binnen drie minuten staat. Mijn besluit om schrijver te worden betekende het einde van samen koken, en ik mis het elke dag.

Het zintuiglijke, de manier waarop overzichtelijke taken me volledig in beslag namen, het aanraken en worden aangeraakt. Die lome leegte als de adrenaline na een lange dienst was uitgewerkt. De smaak van bier, op zo’n moment. Hoe vrij mijn vrije dagen voelden.

Dat schrijven, om met vriend-schrijver Richard de Nooy te spreken, is maar alleen. Na tien jaar wilde ik verder groeien in de literatuur, maar dan wél in samenwerking met anderen.

De eerste die ik belde was Wytske, daarna volgden Roos en Richard. Inmiddels hebben we er twee samenkomsten op zitten, en het is de bedoeling dat we elkaar maandelijks blijven zien. Natuurlijk kunnen we onze teksten ook mailen voor feedback, maar het samen zitten met ons werk voelt minstens zo belangrijk.

Wat ik misschien geleerd heb sinds mijn kinderjaren, is dat iets pas echt gaat leven als je het deelt.

Beeld: Koken met Olle, Nathalie Girard

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.