Elders koffie drinken

Omdat het de daagjes wel geweest zijn, gaf mijn geliefde B me vrij. Ik ben nergens in dienst en beschik daarom over mijn eigen tijd, maar echt vrij geef ik mezelf nooit.

Met Nadim op de stang van mijn fiets – hij wordt daar echt te groot voor – trapte ik naar De Pijp, waar ik hem afleverde bij toneelles. Nu had ik bijna twee uur te doden.

Bij de ijverige meneer in het souterrain aan de Albert Cuijp kocht ik zoutvlees en cassave, bij de slager verderop haalde ik wat rund. Ik zette mijn tas neer, keek om me heen en krabde op mijn kop. Het merendeel van mijn vertrouwde plekken is inmiddels weg en op de terrassen van cafés waarmee ik niet ben opgegroeid zaten vooral Insta-twintigers. De nieuwe bewoners van de wijk kwamen wat verwend op me over.

De Pijp lijkt steeds minder Amsterdams, dacht ik, maar misschien hoorde ikzelf inmiddels bij een oude versie van de stad.

Tussen de conceptzaakjes aan de Eerste Van der Helst trof ik een wat stoffig Italiaans deli-barretje. Amaretti op goudkarton, gedroogde pasta, bleke gare rigatoni in tomatensaus. De recensent in me wilde rechtsomkeert maken, maar het samengeraapte interieur stond de echte Gilles aan. Ik stapte door naar binnen en nam plaats op een laag krukje voor het raam. Even later bracht een jonge vrouw met een opvallend grote bril een cappuccino zonder latte art.

Ik had net een paar bladzijden gelezen – Jaguarman, Raoul de Jong – toen een beweging op straat mijn aandacht trok. Een man van mijn leeftijd zette een duidelijk nieuwe racefiets tegen een struik voor het barretje en kwam naar binnen.

‘Vind je het erg als ik hier ga zitten?’

‘Zeker niet,’ zei ik, en schoof mijn boek van me af. De man nam plaats op het krukje naast me, en zat daardoor dichterbij dan een vreemde in lange tijd gezeten had.

‘Heb je jezelf een fijne fiets kado gedaan?’ vroeg ik.

‘Dat is een gewetensvraag,’ zei hij. ‘Ik fietste vroeger heel hard, maar dat gaat eigenlijk niet meer. Die fiets kocht ik om mezelf te helpen daar oké mee te zijn. Om desondanks van het fietsen te genieten.’

Ik keek naar zijn kalme, vriendelijke gezicht. Zijn ogen glommen en hij leek op de rand van tranen. ‘Mag ik vragen wat er met je is?’

Alleen zijn mond glimlachte. ‘Nierfalen,’ zei hij na even. ‘Bij het spinnen in de sportschool zie je de energie die je opwekt als je fietst, en dat wattage liep steeds verder terug. Zo kwam ik erachter.’

Ik wilde vragen of dit kort geleden was, maar wist het antwoord al.

‘Arme jongen,’ zei ik, en merkte dat het niet raar voelde zoiets te zeggen tegen een onbekende van mijn leeftijd.

De man kreeg ook een cappuccino en wilde daar net een slok van nemen toen er een vrouw naar binnen stapte. Ze had een rond gezicht en zachte bruine ogen. ‘Ik ben er hoor!’

‘Heb je je fiets niet bij je?’ vroeg de man. ‘Ik dacht dat we zouden gaan fietsen.’

‘Ik wil hem nu wel halen?’ zei ze, en keek naar mij. ‘Dan kun je nog even kletsen met je nieuwe vriend.’

Maar ze ging zitten, bestelde ook een koffie. Onder de opgeruimdheid waarmee ze hem bejegende klonk haar zorg om zijn gezondheid door. Ze hield van hem als van een broer, wist ik. Als van een hele oude vriend, zo iemand die je niet kunt missen.

Ik pakte mijn boek weer op en trok me erin terug totdat het tijd was om Nadim te halen. Toen ik de twee een fijne dag gewenst had stond ik op om over de markt terug te lopen naar mijn fiets.

Ik kwam Adriaan tegen, die al zijn hele leven op de Cuijp werkt, en we kletsten even. Hij was dikker geworden, had een bootje gekocht en zou daar zaterdag mee varen.

‘Dag gabber,’ zei hij toen het praatje klaar was.

Ik keek hem na, dacht aan mijn eerste jaren in de oude Pijp. Aan hoeveel indruk deze wijk toen op me maakte. De nieuwe bewoners zagen er vooral uit alsof niets nog indruk op ze maakte, maar misschien speelden ze dat beter dan ik het destijds spelen kon.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

recent

Weten in zwart-wit

(Klik hier voor deel 1 van deze blogserie)

Recent zag ik A German Life uit 2016 van Christian Krönes. Het is een sober gefilmde documentaire waarin Brunhilde Pomsel (1911-2017) vertelt over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ziet zichzelf als een doodgewone Duitse vrouw die toevallig werkte voor een van de hoogste nazi’s (Joseph Goebbels, minister van Propaganda). Na de oorlog zat ze een gevangenisstraf van vijf jaar uit; vervolgens keerde ze terug naar het ‘normale Duitse leven’. Pas vlak voor haar dood gaf Pomsel voor het eerst een interview. Ze was 103 jaar oud.

Van zeer dichtbij, in zwart-wit gefilmd, kijkt Pomsel langs de camera. Ze zucht, frunnikt aan haar ketting, sluit haar ogen. Ze spreekt bedachtzaam, traag. De kijker krijgt alle ruimte om zelf een mening te vormen. Hoe schuldig is ze? Waarom toont ze geen berouw?

Brunhilde Pomsel zegt nooit geïnteresseerd te zijn geweest in politiek. ‘Dat was voor een vrouw niet nodig,’ zegt ze. Ze vindt zichzelf slechts een onbeduidende figuur in de geschiedenis. Maar is dat niet juist het probleem? Eigenlijk schetst zij zichzelf daarmee precies als ‘de banaliteit van het kwaad’ zoals Hannah Arendt dit omschreef.

In Wat maakt een verzetsheld (2021) schrijft Rutger Bregman: ‘Een gezonde samenleving met degelijke wetten en een goed werkende democratie van macht en tegenmacht heeft genoeg aan gewone mensen die gewoon hun best doen, gewoon doen wat van hen wordt verwacht. Maar wat als de samenleving niet gezond is? Wat als “doen wat van je wordt verwacht” precies het probleem is?’

Met gesloten ogen zegt Brunhilde Pomsel: ‘Es ist wie mit alle Dingen, auch das schöne hat Flecken, auch das schreckliche hat Sonnenstellen.’ Dan is het weer stil. Aarzelend zoekt ze naar woorden: ‘Es ist immer… Es ist nicht schwarz-weiss… Es gibt immer ein bischen Grau, in das Gute und in das Slechte.’ Maar wat als we toegeven dat sommige zaken wel degelijk zwart-wit zijn en we eigenlijk allang weten wat ons geweten ons vertelt?

Pomsel legt haar beide handen om haar hals, een gebaar dat het midden houdt tussen een verdediging en een zelfgefabriceerde strop. Dan kijkt ze plotseling recht de camera in: ‘Het is moeilijk (…) aan het einde van de dag denk je toch alleen aan jezelf.’ Is dat echt zo? Is dat wat de mens typeert?

Een van de zeldzame keren dat Pomsel zich opwindt is wanneer ze spreekt over Sophie en Hans Scholl, die pamfletten tegen het nationaalsocialisme verspreidden van verzetsbeweging Die Weiße Rose. Als secretaresse kreeg Pomsel het dossier onverzegeld op haar bureau. Ze veert omhoog, steekt een keurig gemanicuurde vinger in de lucht en zegt met luide stem: ‘Als ze hun mond hadden gehouden, hadden ze nu nog geleefd.’ En doelend op de pamfletten: ‘Alleen maar voor zo’n schijtpapier.’

Sophie Scholl werd geëxecuteerd en naar verluidt waren haar laatste woorden: ‘Hoe kunnen we verwachten dat gerechtigheid de overhand krijgt als er bijna niemand bereid is om zich individueel aan een rechtvaardige zaak over te geven? Zo’n fijne, zonnige dag, en ik moet gaan, maar wat doet mijn dood er toe, als door ons duizenden mensen worden gewekt en tot actie worden aangezet.’

Brunhilde Pomsel werd in elk geval nooit tot actie aangezet. En wij, zo veel jaren later? Hoe zullen wij ooit op ons eigen (niet) handelen terug kijken?

(Met dank aan Liliane Brakema)
Foto: NDSM-werf Amsterdam Noord

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De duivenkoning

De duiven op de Dam vroegen Moeder Natuur om een koning.

‘Als enigen in het dierrenrijk ontberen wij leiding,’ koerden ze tot vervelens toe. ‘Stuur ons een koning die bij ons past, waar we tegenop kunnen kijken.’

Dus Moeder Natuur, moe geworden van de aanhoudende ontevredenheid, vervulde hun wens. Ze schonk de duiven in haar oneindige genade een vorst.

Aan de achterzijde van het Paleis op de Dam zit hij. Een man met een muisgrijze baard in een lange jas die majesteitelijk rood kleurt. Met lenige, opgetrokken benen en de vingers in elkaar verstrengeld. Een ouwetje, met een tas waarvan de inhoud niet zichtbaar of bekend is, omringd door zijn koninklijke hofhouding van duiven. Het is een absurd gezicht. 

De duiven bezien hun leider met de nodige scepsis.

‘Z’n kop lijkt me leeg, zit er überhaupt iets van wijsheid in?’ vraagt de een zich hardop af.

‘Ik bedoel, die plastic Burger King-kroon geeft onze koning wel iets lulligs,’ fluistert de ander onopvallend.

‘Wat hebben we aan een meester die ons geen raad kan geven, geen inzicht kan verschaffen?’

‘Ik hoop dat er lekkernijen in die tas zitten. Stel je voor: broodkruimels in overvloed,’ jubelt een dikke duif. ‘Nooit meer bedelen op het plein.’  

‘Mensen zijn rovers,’ sneert een vrouwtje. ‘Inhalig als ratten. Let op mijn woorden, kameraad: nog geen kruimel krijgen we!’

‘Er verandert niets aan de kringloop van het leven. Eens bedelaars, altijd bedelaars,’ weet haar echtgenoot te vertellen.

De koning zegt intussen niets. Hij staart glazig voor zich uit en van enige beweging is geen sprake. Het gemor onder het gevogelte neemt toe.  

‘Net een standbeeld, verdomme.’

‘Als het zo doorgaat, kunnen we ’t wel laten.’

‘Verstaat-ie ons wel?’

‘Misschien verroert-ie zich als we op hem schijten.’

De duivenkoning blijft even roerloos als altijd, zittend op de stenen trappen en nagewezen door de voorbijgangers.

‘Volgens mij staan we ontzettend voor lul,’ jammert de duif met de kortste snavel.

‘We zijn de klos,’ concludeert de oudste duif. ‘Geef deze maar aan de meeuwen, die verdienen hem. De meeuw is een foute vogel.’

‘Die jatten altijd het lekkerste vuilnis!’

‘Schorem is het! Geteisem! Weg ermee!’

‘Juist! Naar de meeuwen met dit geraamte!’

‘Wij eisen brood!’  

‘Verwacht hij dat we hier de hele dag rond blijven hangen?’

‘Mooi niet, ik heb wel wat beters te doen.’

‘Ja zeg, het begint langzamerhand ridicuul te worden.’

‘Van het toeristenvolk krijg je meer reactie.’

‘Een stel Japanners heeft een halve hamburger naast de prullenbak gegooid.’ 

‘Ik vlieg ervandoor!’

‘Wacht! Wacht! Kameraden, wacht nou! Volgens mij gaat onze koning iets zeggen.’

En inderdaad, de droge kreukellippen barsten open en er verschijnt een vonkje in de pupillen. Spreek tot ons, nobele heer, spreek tot ons!

Met schorre stem zingt hij: ‘Mááárk… en Róóób… een clóóówn… en een harlekijn.’

Een onbekende en terecht vergeten smartlap op monotone wijze gezongen is waar de duiven het mee moeten doen. Ze vliegen gedesillusioneerd weg, richting de Dam. Daar is het weliswaar druk, maar daar worden ze tenminste gezien en gevoed; al is het door een grillige mensenmeute die het ene moment een vleiend kiekje maakt en etensresten rondstrooit, om het volgende ogenblik dwars door de duivengroep heen te banjeren of ze op een rotschop te trakteren.

De duiven prefereren aandacht boven géén aandacht.

Als mij gevraagd wordt waarom deze bijzondere man, met z’n Burger King-kroon en doffe ogen die niet meer meedoen, op deze merkwaardige plek zit, dan geef ik dit antwoord.

Een betere verklaring heb ik niet, ik ken ook niemand die mij er een kan geven, maar ik sta open voor elke aannemelijke suggestie.

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.