De RattenRanger van Hamelen

(beeld: Don Duyns)

(geschreven met contributie van Robin Alberts)

Bijna duizend jaar terug, liep een man met felle kleuren en een fluit door Duitsland. Hij werd later bekend als de rattenvanger, maar dit is het verhaal waarin hij ze vangt. Eigenlijk vangt hij ze niet, hij doodt ze. Maar hij heet niet de rattendoder.—- Ja, maar… Wat is het alternatief?

Het was een grauwe middag, zo’n vijftig jaar gelee, nog meer zelfs, nog voor de First Generation Ford Ranger: 1983-1992 officieel geïntroduceerd werd op de internationale markt, en het was ergens in de regio Keulen, Duitsland. Het was een ramp, een heuze ramp, regelrecht,—- Wacht! Nee. – Oké, euhhhhhh……

Een grauwe, flauwe middag, 50 jaar diep, nog verder zelfs, nog vóór de First Generation Stranger Danger (ratten)Vanger: 1983-1992 officieel binnentrad op de internationale markt. Ergens in de regio Keulen, Duitsland. Het was een ramp, een
heuse ramp, regelscheef, naar beneden. In z’n vrij het hellende vlak af. O. Jee. “Moord!” werd gegild, en “Brand!” in de parkeergarage van de Vordfbriek (ook een soort parkeergarage), want luister, er was een etalagemodel ontsnapt. De knecht was vergeten de sleutels eruit te halen, tenminste, zo ging het verhaal, en na de lunch was het ding spoorloos. Behalve de sporen, natuurlijk. Die konden ze nog volgen over de Industriestraße, door de vluchtstrook heen gevlucht, naar het Westen. Tegen de tijd in reed de felgekleurde Danger al zo’n 200 kilometer verderop en was hij niet meer te stoppen. Dit was niet zomaar een Ranger, hij werd later bekend als de Rattenvanger. Maar dit is niet het verhaal waarin hij ze vangt, dit is het verhaal waarin hij ze doodt.

Zo’n vijftig jaar gelee, of dus iets meer nog, wamelde het in de stad Hamelen van de rrratten. Daarvoor ook al, eigenlijk al, ook al jááren eigenlijk. Eigenlijk al altijd, vanaf toen het begon. Het eerste bandspoor van een nederzetting in de huidige regio Hamelen gaan terug tot in hart en niersteen: het stenen tijdperck. Carcheologen menen onlangs zelfs rattenmergelen te hebben gevonden die stammen van pre- die historie, voor de voorverleden nierentijd, misschien zelfs wel voor-voor-ver-verleden:

in het begin. Er waren natuurlijk al een paar ratten, maar dan paren ze tot meer, en dan nog meer, en mehr en Zee en Meer en Meer. Ze vreten al het vreten van de arme Hamelingen en knussen alle knussen in de hoekjes, en dan trickle-d het
natuurlijk down tot dás Meer, en met z’n allen verspreiden ze de ziektes en een nerveus gevoel, tot de Hamelingen niet eens meer in hun eigen stad kunnen wonen.

Na een rit van de-rie dagen reed das Bonte Ranger, hongerig en natuurlijk gladzak, het wemelende rattenHamelen in. Ford Danger Ranger, de eerste van zijn naam, zegt:
Hallo, Stranger! Ik kan helpen!
“O, ja?”
Jullie stad bevat veel ratten. Ik kan deze vangen, zegt de Vanger.
De hartelijke bewoners van Hamelen stemmen hard in 1 keer in.
Honderd Dukaten! zegt de rattenvanger.
Een nietszeggend, niet-luisterend Meer van mensen doet “Jaa, jaa, alles wat je wil. Vang die ratten nou maar. Wij hebben het tot hier:” (handje naar de keel). De Danger haalt zijn industriële Ford Autoflauß tevoorschijn en begint z’n airco erop leeg te blazen in een deun die niemand ooit eerder heeft gehoord. Nu zou je zeggen: hoe blaast een auto op een fluit. Maar dit is niet zomaar een auto en dit is niet zomaar een verhaal. Je hoeft niet alles te geloven, je hoeft het je niet eens voor te stellen, maar luisteren zul je. Hij huppelt fluitend in de 2 de versnelling door de straten stegen en pleinen, en jawel hoor! Rat voor rat steekt de kleine kop uit de kieren van de houten stad. En de kleine mormels volgen hem. Het duurt de hele middag, maar hij krijgt het voor elkaar om alle ratten samen te fluiten. Ze zwermen als een woest Meer over het marktplein, en crashen als de branding aan zijn wielen. Wanneer hij ervan zeker is dat er geen rat ontbreekt, rijdt hij ze de stad uit naar de Weser Fluss.

Hij hijst zijn bumper zo hoog als het gaat en hij waadt door de wateren van de Weser Fluss. De rattenstoet volgt gehoorzaam en verdrinkt in de onstuimige Fluss. Niet 1 rat die het overleeft. De Vanger haalt als enige de overkant.

De Stranger komt terug en koplampt de rattelijke bewoners aan, van ‘Waar zijn mijn Honderd Dukaten?’ Maar die dukaten zijn ineens nergens te bekennen. De Hamelingen hebben spijt dat ze hem zoveel goud hebben beloofd, hij is immers
alleen maar fluitend de heuvel afgerold! Dus waarom zouden zij deze flierefluiter honderd dukaten geven? Ze hebben toch geen behoefte meer aan hem, de ratten zijn weg. De Vanger knarst zijn gril op het fluiten toe en wordt kokend heet als een
tomaat (in tosti), maar zegt niks. En er komt stoom uit zijn zijspiegels, hoe hij woordeloos wegr(l)ijdt van die stad.

Het geluk ging ze makkelijk af in Hamelen. Ze vlochten elkaars haren en zongen liedjes langs de daken. Op één grote feestdag, gingen alle volwassen mensen naar de kerk. Dan kwam in een stofwolk: de Vanger. Maar, zijn lak was nu duister, zijn enige overgebleven spoor van kleur was een felrode hood. De Ranger trok zijn Flauß, als een paard die een revolver trekt. Hij gromt door de fluit, langs de straten, stegen en pleinen. En o, ja! Kind voor kind steekt de kleine kop uit de kieren van de gelukkige stad. Ze volgen hem. Bij elke toon, vertoont zich een nieuw kind in de groeiende menigte. Hij r(l)eidt ze de stad uit, langs de Fluss, langs eine Wiese, door een Wald, naar een BERG. Daar verschwinden ze, de hoogte in. Één of twee kinderen moeten onderweg plassen of hun veter strikken en verliezen de groep, dwalen af in de landschaft. Oh, die schöne deutsche Landschaft.

De niet-kinderen van Hamelen zijn zwaar overstuur! Huilende papa’s, vloekende oma’s, stomgeslagen juffen en winkeliers. Een stad zonder kinderen is als een huis zonder bed, zeggen ze. Ze zeggen het in het Duits. Eine Stadt ohne Kinder ist wie
ein Haus ohne Bett, ja. De Hamelaren speuren het land af met grote honden met scherpe neuzen, niet dat het ergens toe deed. 130 kinderen zijn spoorloos verdwenen. Maar, als je goed oplet op de Autobahn, is het niet onwaarschijnlijk dat je
de First Generation Ford Ranger: Stranger Danger, de rattenVanger langs ziet scheuren over de fluitstrook. Nog altijd op zoek naar zijn Dukaten, en zolang hij niet is afbetaald, genoegen nemend met onschuldige kinderen.

"Foto van Gigi Müjde"
Gigi Müjde

Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

recent
Ben Verbong

DE MENS ALS BIOPIC 3 Hannie en Marinus

‘Daar! Kijk! Door dát raam is ie naar binnen geklommen, stiekem. En toen heeft ie de hele zaak in de fik gestoken!’

Ik geloofde er niks van. Omwille van het verhaal kraamde mijn vader vaker historische onzin uit. Dit robuuste gebouw is sinds die brand op 27 februari 1933  herbouwd en gerenoveerd. Vorige  week nog zag ik hoe Friedrich Merz hier níet tot Bondskanselier werd gekozen en een dag later weer wel. Dan laat je zo’n insluipraam toch niet zitten.

‘Dat was een held.’ zei mijn vader toen ook nog.

Over dat wankel begrip wil ik ’t hier hebben. Was Thomas Matthew Crooks op 13 juli 2024 een held toen hij op vier centimeter afstand de schedel van Donald Trump miste?

Het huis van het Duitse Parlement werd in lichterlaaie gezet door de 25-jarige  Marinus van der Lubbe uit Leiden. Hij deed dat helemaal in z’n eentje, maar dat wilde niemand geloven. Met de brand in het Rijksdaggebouw presenteerde Van der Lubbe aan Hitler letterlijk een smoking gun. Het vuur was nog niet geblust of de fascisten konden hun misdadige gang gaan en Hitler had nu hét argument om de noodtoestand uit te roepen en toekomstige vervolgingen te rechtvaardigen.

Ben Verbong gaat de speel film ‘Marinus’ regisseren en schrijft momenteel het scenario. Ik lees een beetje mee en vraag ‘Was Van der Lubbe een held?’

We concluderen beiden dat een heldenstatus vrijwel nooit ter plekke wordt toebedeeld, maar dat de ‘loop der tijd’ daarover beslist.

Ben veronderstelt bij zijn filmhelden nooit uitsluitend edele motieven. Hij gaat in de eerste plaats uit van het puur individuele als drijfveer. Character boven alles. Zo hoort dat in film.

Marinus was een communist, met een afkeer van het Duitse nationaalsocialisme, maar de ware reden voor de brandstichting in Berlijn was  woede over het uitzonderlijk armoedig en zorgelijk leven van zijn moeder. Hij was de jongste van 7 kinderen, vader Van der Lubbe liep weg van zijn gezin en toen Marinus 12 jaar was stierf mama, zijn grote, grote  liefde.

Zo werd niet alleen het dreigend fascisme een motief voor de brandstichting in Berlijn maar ook de woede over het leed en de vernederingen die zijn moeder, broers en zusters ten deel vielen. Zo althans interpreteert Ben Verbong het motief achter Van der Lubbes daad. 

Nog een communist. Hannie Schaft, een Haarlemse jonge vrouw met rood haar.

Deze verzetsstrijdster vervalste tijdens de Duitse bezetting persoonsbewijzen, hielp joden aan onderduikadressen en schoot een paar erg foute Nederlanders dood.

De speelfilm ‘Het Meisje met het Rode Haar’ – ook van Ben Verbong – ging veertig jaar geleden in première en werd een enorm succes. Van deze film was vervolgens decennialang geen kopie van het negatief te vinden. Tot zo’n half jaar geleden.

En dus kon 4 mei jl. in filmmuseum Eye een digitaal opgeknapte en prachtig geremasterde versie van ‘Het Meisje met het Rode Haar’ in première gaan. Het is uiteraard dezelfde film die ik lang geleden zag, maar wat een prachtige wedergeboorte en wat een mooie toekomst ook voor al die andere oudjes uit onze filmgeschiedenis.

Ben las de roman ‘Het Meisje met het Rode Haar’ van Theun de Vries één keer.

Prachtig materiaal voor een speelfilm, maar hij moest wel de gerenommeerde en sociaal bewogen De Vries persoonlijk gaan vertellen dat het communisme van Hannie Schaft op geen enkele wijze ter sprake zou komen in de verfilming.

‘Mijnheer de Vries … Wanneer we Hannie neerzetten als een door de Russische revolutie geïnspireerde vrouw gaat niemand de film zien. En daarbij… Ik ga de film niet maken als u vindt dat Hannie een communiste moet blijven.’

Dat was een klap voor Theun de Vries. Hij verzette zich, maar las tenslotte toch de eindversie van het scenario. Daarin is Hannie’s handelen niet langer politiek geïnspireerd maar gaat het haar om universele zaken als gerechtigheid en vrijheid. Theun de Vries ging akkoord. Hij had inmiddels ook al de pest aan Lenin, Stalin en Trotski.

In 1981 kwam Verbongs film in de bioscoop. Het publiek stroomde toe, mooie recensies, maar de filmproducent kreeg een dreigbrief mét scherpe kogel. DE REGISSEUR VAN HET MEISJE MET HET RODE HAAR  ZAL WORDEN GELIQUIDEERD. Verbong moest hierna zelf enige tijd onderduiken.

Als tijdens de Q&A in Eye het begrip heldendom ter sprake komt vertelt Ben dat hij net als bij Marinus de oorsprong van Hannie’s dapperheid vond in  haar persoonlijk leven. Zij wilde haar ouders tonen dat ze niet hoefden te berusten in bezetting en onderdrukking. En ook moesten haar vader en moeder koste wat kost trots worden op hun dochter. Bovendien wilde Hannie allerlei benauwende verantwoordelijkheden ontlopen. Weinig heroïsche motieven allemaal.

Ben zei in Eye niet dat Hannie, nadat ze bij een aanslag haar geliefde had verloren, woedend werd, vervolgens bloeddorstig en tenslotte was er de wellust tot doden. Ze had wel meer verraders willen neerknallen.

‘Zo gaat dat nou eenmaal als iemand wapens in handen krijgt. Verzet wordt snel geperverteerd.’ Waarmee weer is vastgesteld dat alles in film interpretatie en visie is, dat scenarioschrijvers en regisseurs insluipramen zoeken.

Er zijn echter ook onloochenbare feiten:

Hannie Schaft werd op 17 april 1945 in de duinen van Bloemendaal gefusilleerd.

Marinus van der Lubbe werd op 10 januari 1934 te Leipzig door een guillotine onthoofd.

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Terugkeren

Op de presentatie van zijn roman De handlezer mocht ik vriend Chris Polanen interviewen. Ik deed dat met plezier omdat Chris makkelijk praat en ik het boek al gelezen had. Als je iemands werk mooi vindt dan loopt zo’n gesprek vanzelf – dan hoef je eigenlijk geen vragen voor te bereiden. Toch doe ik dat altijd wél.

De grootste vraag die ik had was eigenlijk geen vraag: ik wilde gewoon zeggen dat ik jaloers ben op Suriname als land van oorsprong. Het mag geen geheim zijn dat ik veel van dat land houd, maar ik heb er geen wortels, mag geen aanspraak maken op heimwee naar Paramaribo, Commewijne, Flora en het binnenland.

Schrijven is het dichten van een afstand. Chris’ opgroeien gebeurde deels in Nederland en deels in Suriname. Hij reed paard over de stoffige straten van een Paramaribo dat nu niet meer bestaat en dat ik ook nooit heb leren kennen. Te kunnen terugverlangen naar geuren, kleuren, smaken; naar een volksaard die zo ongelooflijk anders is – dat te kunnen romantiseren en er dan al je boeken over schrijven.

Als er onder alle goede kunst een noodzaak zit, dan lijkt heimwee naar een andere plek en tijd me de vruchtbaarste en meest divers inzetbare vorm van noodzaak. Ik vroeg Chris of hij ooit over een andere plek zou schrijven en hij schudde heel beslist zijn hoofd.

Afgelopen zondag gaf ik een lezing in Brabant, vlakbij de geboorteplek van mijn vader en de straat waarin mijn moeder Ine als meisje heeft gewoond. In het publiek zat Marijke, een schoolvriendin van Ine, die ze een paar jaar voor haar dood in 2024 hervonden had.

Omdat ik net uit mijn lezing kwam herkende ik Marijke niet, maar ze glimlachte lief naar me en zei haar naam. Meteen stond ik op van het bureautje waar ik had zitten signeren om haar te omhelzen, een kus te geven. Mijn moeder vertelde niet veel over wat er in haar omging, maar ik weet dat deze vriendschap in haar tienerjaren heel belangrijk voor haar is geweest.

Aan het einde van de middag reed ik terug naar Amsterdam. De files die ik op de heenweg had gezien waren nu opgelost; ik zou ruim op tijd zijn voor het eten. Misschien had ik wel een halfuurtje over.

Bij de afslag Vught verliet ik de snelweg en volgde mijn geheugen naar de straat waar ik van mijn vijfde tot mijn negende gewoond heb. Het dorp leek zoveel groener nu; waarschijnlijk was ik ouder dan de meeste bomen langs de weg.

Ik heb altijd met lichte weerzin teruggedacht aan de nieuwbouwwijk waar we in de late jaren zeventig woonden: planmatig opgezet; sloten en vijvers die niet doorstroomden, die zuiver voor de esthetiek waren aangelegd. Namen als Baroniesingel en Hertoglaan voor de straten met vrijstaande huizen.

Nu ik er als man van eenenvijftig rondreed voelde ik opeens hoe hoopvol mijn ouders moesten zijn geweest – de levensfase waar ze toen in zaten. Een jong kind, een hond, een vrijstaand huis dat eigenlijk boven hun budget geweest was. Velden in de buurt, een bos om samen die hond in uit te laten.

Een vorm van liefde die ik heel goed ken: hoe het voelt om een plek te vinden waar je een toekomst voor je gezin ziet.

Ik stopte voor het huis op nummer 34. In de tijd dat wij er kwamen wonen was het heel modern, opgetrokken in grove grijze steen en donkere schrootjes. Boven herkende ik het raam van mijn oude kamer: de stalen sponningen met enkel glas waren vervangen door moderner materiaal, maar verder leek het onveranderd.

Ik wilde de bewoners niet ongemakkelijk maken en reed iets verder door, stopte ter hoogte van de oprit en opeens was het er: de helderste herinnering van op volle snelheid naar huis toe rennen, op de rand van tranen.

Een geschaafde knie, een jongetje dat lelijk tegen me gedaan had – de aanleiding bleef in het vage maar dat rennen allerminst: met vlammende longen de straat door, de bocht om en de oprit op, mijn armen afgeladen met een verdriet dat ik ternauwernood kon ophouden, voorbij die gele Volkswagen en de poort door naar de keuken en daarbinnen zat mijn moeder aan de tafel met nieuw tekenwerk, haar vingers zwart van het grafietpotlood dat ze liet vallen op het moment dat ze me zag – een jonge vrouw nog, een dertiger met een heldere oogopslag.

Gissie wat is er aan de hand?

Ik maakte een foto van de oprit en reed door al die groene straten terug naar de A2. Het dorp van mijn jeugd was onder me vandaan veranderd, en ten goede ook nog – toch had ik er iets teruggevonden.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.