Het toppunt van contemplatie – over hoogten

De encyclopedie van het geluk 19

Vorige week schreef ik een foldertekstje over Thomas Mann en liet me verleiden over zijn romans te spreken als het ‘hooggebergte van zijn oeuvre.’ Een dubbel bedenkelijk beeld, omdat zijn Toverberg natuurlijk letterlijk in een hooggebergte speelt: het sanatorium waar Hans Castorp jarenlang een ‘horizontaal leven’ leidt bevindt zich in de Alpen. De metaforiek rond bergen, toppen naast dalen, die ervoor zorgen dat je bij beklimming in een ‘high’ komt, stuit me ergens een beetje tegen de borst. Bergbeklimmersliteratuur is niet aan mij besteed, ik houd geloof ik niet van mensen die de grootste lichamelijke prestatie als uitgangspunt voor een boek, of ook een leven nemen. Misschien omdat ik dat zelf niet kan, maar vooral – denk ik – omdat ik het zeer masculiene ‘bedwingen van toppen’ echt vervelend vind. Dwang roept weerzin in me op. Strebers en dwingelanden zijn ruim gezaaid onder alpinisten.

Houd ik dan niet van bergen en hoogtes en highs? Natuurlijk wel, maar blijkbaar om andere redenen dan de klimmer. Ik ben een loper. En een beetje een langzame. En bedwingen past bij een andere karakterstructuur. Wat ik mis in bergliteratuur, zoals ook toch wel in het verder boeiende Hoogtekoorts van Robert Macfarlane is de contemplatieve kant van hoog zijn. Ook voor Macfarlane gaat het met name om mannen die streven en slagen. (en heel veel slagen niet: die bevriezen op een flank en blijven daar bevroren zitten totdat ze door klimaatverandering ontdooien…) Maar in de bergen zijn betekent op afstand en met verbazing naar het leven kunnen kijken. Bergen gaan voor mij over naar beneden kijken, en minder over naar boven kijken.

‘Onder hem, tussen de bomen, leek het alsof alle sterren die niet meer aan de hemel stonden naar beneden waren ge- gleden. Hij zag ze tussen zijn knieën, die hij niet zag. Hij ziet ze tussen zijn knieën, in de richting van zijn voeten, die hij niet kon zien; en buiten die sterren was er vóór ons geen hemel of aarde meer, niet boven en niet onder: niets dan de grote, donkere, mateloze en onmetelijke massa van de nacht, waarin Joseph nog een keer de lichtjes van het dorp ziet glinsteren; dan wordt hij als het ware door zijn schouders voorwaarts geduwd, want hij begint weer bergop te gaan.’

In Charles-Ferdinand Ramuz’ De grote angst in de bergen, zeer fraai vertaald door Rokus Hofstede, gaat het meer over de metafysische kant van het gebergte, over angst die afzondering opwekt en over beschouwing bij isolatie. Maar ook steeds heel nadrukkelijk in een wij-zij dichotomie.

Mijn vroegste bergervaringen, in Oostenrijk zijn grappig genoeg vrijwel zonder de aanwezigheid van ouders achtergebleven in mijn brein, alsof de wens geïsoleerd te zijn meteen dat heeft bewerkstelligd. Een kind uit wat in het Frans les Pays Bas heet, ziet voor het eerst een dorp, huizen, mensen van zo grote afstand dat ze een eerste neiging tot beschouwen afdwingen: wie zijn deze mensen, wat doen ze, en – vast niet in zijn vocabulaire – maar een woord als ‘nietig’ hoort bij die ervaring. En de onmiddellijke realisatie dat dat dan ook op mij sloeg. En de kleuren op grote hoogte! De Zwitserse geoloog Albert Heim schreef het schitterende Luft-Farben: ‘De gevoeligheid voor kleuren verschilt van persoon tot persoon. Een eenvoudige methode kan een verbazingwekkend effect hebben en ons de kleuren in het landschap bijzonder duidelijk laten voelen: we buigen voorover en draaien ons hoofd zo ver mogelijk naar beneden – of we keren ons af van het landschap, buigen diep voorover en kijken tussen onze gespreide benen door. De subtiele kleurnuances, het delicate blauw, de blauwe verte, de verte van de lucht achter de bergen, alles komt tot uiting in een wonderlijke schoonheid en een heerlijke bouquet van kleur.’

Veel van zijn waarnemingen zijn vanuit een luchtballon gedaan, zo hoog dat de lucht zo ijl is dat hij bijkans hallucineerde. Hij speelt een mooie bijrol in Miek Zwamborns prachtige De duimsprong.

Op een bergpas in Tibet op 5.300 meter zie ik mezelf betrekkelijk stoer op een grijsblauwe foto staan, een stoerheid die snel taande. De vrienden die iets organiseerden voor ons en in Lhasa woonden hadden hun eigen capaciteit als uitgangspunt genomen en waren dus iets minder precies in hoe je de hoogte opbouwt. We sliepen die nacht hoger dan we overdag geweest waren en ik heb het fenomeen hoogteziekte leren kennen: een aangeschroefde metalen band om je hoofd. Ik die nooit hoofdpijn had gehad. Het was een gruwelijke nacht. Daar werd waarschijnlijk mijn bergvoorzichtigheid pas goed geboren.

Op de terugweg voelde ik in een seconde wat de goede hoogte was: als door een vingerknip waren pijn, ziekte en misselijkheid ineens verdwenen. Kon ik herademen en ook weer schoonheid en kleur ervaren. Wat ik in Nederland het meest mis is blauwe lucht op sombere dagen en bergen op alle dagen.

Geen prestaties dus maar beschouwing. Macfarlane dan toch een heel klein beetje: ‘het gevoel succes te hebben is niet het enige plezier dat hoogte verschaft. Dat geldt ook voor de zintuigelijke ervaring ervan: geen competitief, maar een contemplatief genoegen. Wanneer je vanaf een toren naar de stad kijkt waar je je hele leven hebt gewoond, bekijk je die met nieuwe ogen. De dichter George Keats, een vriend van Voltaire verwoordde dat gevoel fraai toen hij schreef dat op grote hoogte “een nieuwe Schepping zich aan het Zicht opdringt”’.

Frisse lucht, overzicht, subtiel kleuren en afstand. Zo stel ik me de hemel voor…

Charles-Ferdinand Ramuz De grote angst in de bergen vertaald door Rokus Hofstede
Robert Macfarlane Hoogtekoorts vertaling Nico Groen
Miek Zwamborn De duimsprong

Naar Larousse 20

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Onderweg

Bij de verhuur op het vliegveld van Casablanca haalde ik een stoffige Dacia Duster op. Het was nacht, er was vertraging geweest, maar de meneer met het geduldige gezicht had gewacht tot iedereen door de douane was en ik mijn bestelde wagentje kwam halen.

‘Vous êtes le dernier,’ zei hij met een glimlach.

‘Het spijt me,’ zei ik.

‘Ach.’

Ik pikte mijn gezin op bij de aankomsthal en we reden de Arabische donkerte in, op goed geluk naar het westen en daarna voor de grote stad begon naar links, om de kustweg af te dalen naar El Jadida. Het was een lange dag geweest, maar niemand viel in slaap. B appte de dame die ons in het huis moest laten.

In een stoffig straatje van de oude Portugese stad liep onze weg dood. Maps wist het niet meer; het opgegeven adres was ergens in de buurt, maar om nou overal op deuren te gaan kloppen. Ik zette de auto aan de kant voor een verlaten politiebureau en stapte uit, leunde tegen de motorkap, wachtend op Salwa.

Salwa kwam, stapte in en reed met ons de laatste meters. Ons huis lag aan een pleintje dat me aan een Venetiaans pleintje deed denken, aan het kleine appartement dat daaraan lag en waar we zo gelukkig zijn geweest. Binnen een halfuur sliep iedereen, maar vóór het eerste licht werd ik door een nabije muezzin gewekt.

Ik overwoog mijn slippers aan te doen en naar de moskee te lopen, mijn handen, voeten en gezicht te wassen en aan te sluiten voor het gebed. Ik besloot dat het te vroeg was, dat ik geen moslim ben en – ongeacht de stroming – steeds minder begrip heb voor dat hele religieuze gedoe.

We zouden een paar dagen in El Jadida blijven om daarna door te trekken, met een boog de Atlas over, waarvan de witte pieken me al acht jaar riepen. Ik wreef in mijn ogen, stond op, liep naar het dak en keek vandaar uit over de oceaan, de stad. De bergen wachtten op me in het zuidoosten, achter de bolling van de aarde.

Een rijtje spreeuwen op een dakrand verderop schudde hun veren en stemmen los. Brommergeluiden, deden ze, piepjes van achteruitrijdende vrachtwagens, de muezzin die ik net gehoord had. Ik vroeg me af wat voor geluiden spreeuwen maakten als er niets was om na te doen – of ze ook een eigen geluid hadden.

Ik las de eerste bladzijden van Paul Murrays eerste boek en bleef een tijdje lezen. Toen het licht geworden was daalde ik af en pakte de huissleutels, liep de stad in op zoek naar brood en fruit. Ik dronk een Nescafé met melk bij het enige cafeetje dat open was en keek om me heen. Het rook naar oude vis, naar slachterij, naar kip en kattenpis. Een mevrouw achter een kar verkocht warme gistpannenkoeken, waarvan ik een stapeltje oppikte.

Met warm brood voor je gezin over straat te lopen in een stad die nieuw voor je is, die net ontwaakt.

Onderweg naar huis groette ik iedereen die me tegemoet kwam en iedereen groette terug. Ik moest een beetje huilen van geluk. Ada (8) vond de pannenkoeken vies. Er was nog geen koffie in huis. B had last van haar keel en dacht dat ze misschien ziek ging worden. Onze tienerzoon wilde niet opstaan.

Maar ik zette de straatdeur open en kreeg bijna meteen bezoek van twee zwerfkatten. Een ervan bleek kittens te hebben. Ada schudde haar broer wakker en ging met hem het pleintje op om al die wolligheid te aaien en daar hoge geluidjes bij te maken. Straks zouden we de stad verkennen, langs de oceaan wandelen, ergens een tajine gaan eten.

Voor het eerst in lange tijd haalde ik me op aan het begin van dingen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

DE MENS ALS BIOPIC 2 Jan Wolkers

Jan Wolkers

Een televisie-producent vroeg of ik een reeks vlogs wilde schrijven over Jan Wolkers, die honderd jaar geleden werd geboren, 26 oktober 1925.

Ik wist niet wat vlogs waren en Jan Wolkers vind ik een onprettige schrijver. Vlogs zijn korte filmpjes, die gebruikt worden als buffer tussen andere tv-programma’s, of als hap-snap-spul op de socials.

Wolkers zelf is een ander probleem. Toen ik een puber was, maar ook later, móest je hem lezen. En dat deed ik want, tsja het was Jan Wolkers. Je kon jezelf geen andere mening over hem permitteren dan bewondering. Dus ploegde ik me door Turks Fruit, Kort Amerikaans en al die andere boeken heen, maar na twintig bladzijden van De Kus was het klaar. Wolkers schrijft als een tierelier en mooi soms, maar ik houd niet van zijn beroepsmatige heteroseksualiteit, van zijn walg-vogels en spuugbeestjes, van zijn kijk-mij-es literatuur. Daarbij, ik ben geen natuurmens, kan geen naam van boom of struik onthouden en ik heb een hekel aan insecten. Jan W. hield van alles en iedereen en ook dat was irritant.

 Wel heeft hij ons dat prachtige Auschwitz-monument in het Wertheimpark geschonken en als hij op de tv kwam bleef ik kijken en herinner me zijn  gesprek met twee egeltjes!

Die vlog-afleveringen mochten niet langer zijn dan 8 minuten, niet duurder dan 75.000 euro per stuk en er mocht geen documentair materiaal in. Veel beperkingen, maar dat wil nog wel eens inspirerend zijn.

Levens van schrijvers zijn slecht te dramatiseren en te visualiseren. Een schrijver schrijft, zijn partner roept onderaan de trap dat de koffie klaar is. Dat is ‘t dan. Alleen de levens van auteurs die zelfmoord pleegden, gevangen werden gezet,  drie jaar in Egypte woonden en daar gek werden zijn waard verfilmd te worden. Dus zo’n bomvol maar daarbinnen toch voortkabbelend leven van Jan Wolkers dat wordt lastig verfilmen, ook in zeven vlogs.

Ik lees de mooie biografie die Onno Blom over Jan schreef. Wat een drukte, wat een sculpturen, schilderijen, liefdes, altijd maar kokkerellen voor anderen, dertien romans! En dan al die optredens, premières, prijzen, bn’ers aandachtvragers. Ook nog al die diertjes en plantjes bekijken en bespreken! Het is veel, veel te veel. Maar niet genoeg. Ik  wil  vuurwerk, zelfhaat, moord, doodslag, peilloos verdriet, of een onneembare bierkaai.

Toch besloot ik de vlog-uitdaging te aanvaarden en te zoeken naar een radicaal vertelstandpunt, een sleutel om Wolkers leven en werk niet alleen onder aandacht te brengen, maar ook om zeven afgeronde verhalen over hem te vertellen.

Wie zou er niet eens oog in oog willen staan met het kind, met de man, met de vrouw die hij, zij vroeger was? Babbelen met jezelf als puber!  

Dus besloot ik de oude Jan – 82 – te confronteren met jongere versies van zichzelf. En dat op het eiland Texel. Daar woonde Jan de laatste jaren van zijn leven samen met Karina. Deze verteltruc is productioneel aantrekkelijk, want filmen op lege stranden is goedkoop, de wankele gemoedstoestand van de 82-jarige Jan maakt de confrontaties met zijn alter-ego’s geloofwaardig en er zijn weinig acteurs nodig.

Ik scheef alvast als logline

‘Wolkers & Wolkers’ is een reeks geënsceneerde vlogs waarin schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers in gesprek gaat met zichzelf als kind, als jongere man en tenslotte met zichzelf.’

Ik werd regelrecht enthousiast.

In deel 1 laat ik de achtjarige Jantje Wolkers droog en wel uit zee oprijzen en vrolijk met de oude Jan discussiëren, over Oestgeest natuurlijk. ‘Zo is het helemaal niet! Je verzint maar wat in dat boek!’

In de volgende delen ontmoet de oude Jan zichzelf in oplopende leeftijden, zijn puberversie, de zoekende Jan, de succesvolle Jan en de berustende Jan.

Hij neemt ook een keer zijn zonen – de tweeling Rob en Tom – mee naar het strand. Als de jongens hun vader horen praten met een Jan die ze niet zien vragen zij zich af of pa dement wordt.

In een andere aflevering begraaft Jan samen met zijn kleindochter een aangespoelde, reddeloze huiler.

In het laatste deel verschijnt de Jan die hij is op datzelfde moment. De twee Jannen smelten samen, worden één persoon. Het is 2007.

Wat Jan Wolkers in die laatste aflevering concludeert over zijn leven, over de wereld, de kunst en de liefde, dat weet ik nog niet.

Wel garandeer ik dat wens om met onszelf als achttienjarige te spreken binnenkort in vervulling gaat, met een AI-powerd chatbot.

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.