Roots

Het begon allemaal met een berichtje van vriend Tijn, een maand of drie geleden. Of Sander, Daniël, Iwan en ik mee wilden naar Steel Pulse in Paradiso. Ik had nog nooit van Steel Pulse gehoord, zocht het bandje op en dacht: Reggae.

Op de middelbare school begon ik met Bob Marley, gateway drug van de Jamaicaanse muziek, maar daarna verdiepte mijn interesse zich. Bunny Wailer, Lee Perry, Burning Spear, Eek-A-Mouse, Yellowman, Black Uhuru. Ik zag ze allemaal op kleine podia, tussen publiek dat hooguit een paar jaar ouder was dan ik.

Je moest er veel bij blowen, bij reggae, en dat mocht toen nog binnen. Mijn maatje Barry had dreadlocks, ik droeg een rastamuts en had soms vlechtjes – dat kon toen ook nog. Van appropriation was geen sprake. Nou, er was misschien wel sprake van, maar niemand leek het zo te zien. We waren gewoon twee witte jongens die van reggae hielden.

Mijn laatste concert met Barry was Black Uhuru in Tivoli Utrecht. Vijfendertig jaar geleden. Ik verhuisde naar Amsterdam en stopte met blowen; mijn muzieksmaak veranderde – geen idee wat daar kip of ei in was.

Daniël, Sander en Iwan leken Steel Pulse goed te kennen. Ik ging mee omdat ik nooit nee kan zeggen tegen een uitnodiging waar deze vrienden bij betrokken zijn. Warme, grappige mannen – ik zou zelfs met ze karten of naar een voetbalwedstrijd gaan. Daniël zei aanvankelijk ook toe, maar kwam daar later op terug.

‘Ik kan er niet meer tegen,’ bekende hij. ‘Zo’n vol Paradiso. Trek ik totaal niet.’

Daarna vroeg ik me af waarom ik zelf niet zo eerlijk kon zijn. Ik had ja gezegd tegen Tijn en kreeg het niet over mijn hart om terug te krabbelen. Plus: we zouden eerst wat eten, samen. Een biertje drinken, mogelijk een jointje erbij. Dat blowen is, in tegenstelling tot de reggae, met de jaren weer een beetje bij me teruggekeerd. Maar Daniël was dus afgevallen. We hadden een kaartje over. Ik dacht aan Barry en Barry kon.

De rij was lang. Iedereen was wit, man en boven de vijftig.

‘Wit publiek is trouwer dan zwart publiek,’ zei Sander. Hij zou de hele avond verstandige dingen zeggen over bandjes en optredens. Er ging een wereld voor me open. ‘Steel Pulse leeft van die trouwe fans in West-Europa.’

Even later gaf leadzanger David Hinds dat ook toe. ‘We love you,’ riep hij in een ramvol Paradiso. ‘You are keeping roots reggae alive.’

Het optreden was superstrak. Reggae op conservatorium-niveau. Ik kende geen enkel nummer, maar juichte al snel mee met de uitzinnige zaal. Even later deed ik een dansje; ging helemaal vanzelf.

Barry paste goed tussen mijn recentere vrienden, op geen enkel moment voelde ik me verantwoordelijk. Dat is natuurlijk ook wat muziek doet: alle neuzen dezelfde kant op. Omdat mijn oude maat door een enorm taaie fase gaat, vroeg ik na een tijdje of hij wel oké was.

‘Nu wel,’ zei hij met een brede grijns. Hij nam een slok van zijn bier. ‘Eigenlijk niet, maar nu even wel.’

Ik sloeg een arm om hem heen en mijn lijf herinnerde zich het zijne naast me, al die jaren geleden. In de trein naar Utrecht, door de stad lopen, veel te vroeg bij Tivoli. Het optreden van Black Uhuru. Hoe vol we waren van de muziek toen we weer op weg gingen naar huis. Je mocht nog blowen in de trein.

Toen Steel Pulse klaar was – geen toegift, ook daarin was het een superstrakke band – maakten ze foto’s van hun publiek, filmpjes van de uitpuilende balkons. Hinds riep nog eens dat wij degenen waren die roots reggae in leven hielden en wij waren daar heel trots op.

Eenmaal buiten besefte ik dat dit soort muziek met mijn generatie zou sterven. Er kwamen geen fans met zoons of dochters van de trappen. Er was geen vernieuwing in de liefde.

Hoewel het met mijn vrienden altijd laat en alcoholisch wordt, zeiden we elkaar na een paar minuten gedag. Geen moment van twijfel, niemand die nog één biertje wilde. Het was goed geweest. Ik was om elf uur thuis, bij een stomverbaasde B.

‘Was het niet leuk?’ vroeg ze.

‘Zeker wel,’ zei ik. ‘Heel leuk. Maar ik had een hoop om over na te denken.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

recent

Down time

Omdat B en ik onszelf niet vaak vrijaf geven, vinden we het moeilijk erin mee te gaan als Nadim (13) zonder overtuigende reden behoefte heeft aan down time.

Het gebeurt vaak na een proefwerkweek, als een vakantie heel lang op zich laat wachten, als iets grote indruk op hem heeft gemaakt. Nadim wil dan graag thuisblijven en ontwikkelt diffuse klachten. Waar B en ik daar vroeger totaal ongevoelig voor konden zijn, hebben we inmiddels geleerd dat we er maar beter gehoor aan kunnen geven.

Echt ziek is hij niet vaak. Hij doet het goed op school. We weten nu dat zijn stekker er af en toe uit moet.

Meestal is een dag genoeg. Hij blijft dan op zijn kamer, dut op bed met een of beide katten en houdt de hele tijd zijn onesie aan. Na een paar uur hoor ik hem dan alweer neuriën; hij pakt zijn computer en werkt aan het boek waarmee hij al twee jaar bezig is, een fantasy-vertelling met onze katten in de hoofdrol.

Soms vraag ik of het verhaal nu al een beetje rond is, of ik weer verder lezen mag.

‘Ik werk aan een nieuw hoofdstuk waarmee de hele lijn wat soepeler zal lopen,’ zegt hij dan. ‘En er is nog een hele ontwikkeling bij gekomen in de Dolomieten, die moet ik ook nog uitwerken.’

‘Oké man,’ zeg ik, en laat verse thee voor hem achter in een van de vele mokken die hij spaart. Voordat ik de deur van zijn kamer achter me dichttrek kijk ik nog even naar zijn gebogen hoofd, volledig in beslag genomen door zijn eigen woorden, zijn eigen zinnen.

Waar ik opgroeide was niemand schrijver. Ik wist wel dat iemand al die boeken moest maken, maar échte mensen die dat deden kende ik niet. Ik had geen idee hoe zo’n schrijver eruitzag, kon me aan niemand spiegelen.

Nadim en Ada groeien op in een Amsterdam dat bol staat van de makers. Beeldend kunstenaar, acteur of schrijver is voor hen een heel normale beroepskeus en daar ben ik best wel trots op.

Het nadeel van een vrij beroep is dat je vrijheid hebt, maar eigenlijk nooit vrij bent. De enige down time is de tijd die je jezelf gunt, en in mijn geval komt dat heel zelden voor.

Misschien gaat de volgende generatie Van der Loo dat beter doen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het parhelium — drie zonnen tegen de regen

De encyclopedie van het geluk 14

‘De meteorologen hadden sigaren opgestoken en voerden een luidruchtige discussie over het wereldrecord regen.’ Zo opent Alfred van Cleefs Het verdwaalde eiland. Mij lijkt het wereldrecord zich vooral in boeken voor te doen, ik weet drie ongelofelijke regenbuien in de literatuur, daar kom ik nog op. Waar het mij om gaat is de vrijheid over het weer te spreken, ook als niet-meteoroloog. Sommige mensen hebben daar een intense hekel aan. Maar het is onvermijdelijk: in klimaten met seizoenen is er geen effectiever gespreksonderwerp over je welbevinden. In klimaten zonder seizoenen vraagt men een variant op: ‘heb je al gegeten?’ bij wijze van: hoe gaat het met je? In seizoensklimaten vraag je ‘weertje, hè?’ Of een van de duizenden varianten daarop.

Dat komt omdat het weer in als zijn aspecten de bijna verstikkende metafoor voor ons gevoelsleven is geworden. De referenties in ons taalgebied zijn schier eindeloos, van ‘het zonnetje in huis’, via ‘met een gezicht op onweer’ tot de klassieke ‘depressie’: je praat over je gevoelsleven in termen van de meteoren. Dat wat zich tussen hemel en aarde bevindt definieert ons voelen. Onder een dek van grauwe bewolking voel je je bedrukt: J.C. Bloem: ‘Onder Hollandsche regenluchten, In een kleine Hollandsche stad’, dat idee. Een koude blik. De zon breekt door. The silver lining: kun je überhaupt wel over gevoelens praten zonder weermetaforiek? Seksuele diversiteit is zich gaan associëren met een regenboog. Hete bliksem, ijzige stilte. Een warme glimlach. Mistig ontwaken etc.

‘Het is somber buiten’. Dat is een prachtige verexternalisering van je ‘bui’. Op zich al weer een vreemde overeenkomst: een bui. De eerste keer in leven dat je boven het wolkendek uitstijgt en en de blauwe lucht ziet voel je je ook een beetje bedonderd (wederom een weermetafoor): dit mij steeds bepalende klimaat is maar heel plaatselijk, en kun je feitelijk ontsnappen.

Ik ben er nogal gevoelig voor. De januari en februarimaand waren donkerder dan ooit leek het wel, en nu de zon weer soms schijnt krikt dat mijn gemoed met stappen op.

De Franse socioloog David Émile Durkheim (1858-1917) schreef een fascinerende studie over suïcide en constateert dat late lente en zomer de hoogtijdagen voor deze droevige ontsnapping zijn. Dat lijkt contra-intuïtief, of gewoon in tegenspraak met ‘het weer als metafoor voor ons gemoed,’ maar misschien is dat is het niet: elders lees ik: de winter brengt de depressie, de lente en de zomer een beetje energie om dat te doen wat je van plan bent.

‘Niet alleen zijn de seizoenen identiek gerangschikt, maar het proportionele aandeel van elk verschilt nauwelijks van land tot land. Om deze uniformiteit te benadrukken, hebben we in Tabel XI het aandeel van elk seizoen in de belangrijkste Europese staten weergegeven in relatie tot het jaarlijkse totaal dat als 1.000 wordt beschouwd. Dezelfde reeks getallen komt vrijwel identiek terug in elke kolom.

Uit deze onbetwistbare feiten hebben Fern en Morselli geconcludeerd dat temperatuur een directe invloed had op de neiging tot zelfmoord; dat warmte door zijn mechanische werking op de hersenfuncties een persoon tot zelfmoord stimuleerde. Ferri probeerde zelfs uit te leggen hoe dit effect werd veroorzaakt. Enerzijds, zegt hij, verhoogt warmte de prikkelbaarheid van het zenuwstelsel; anderzijds, aangezien het organisme in het warme seizoen niet zoveel materiaal hoeft te consumeren om zijn eigen temperatuur op de gewenste graad te houden, resulteert dit in een accumulatie van beschikbare energie die van nature de neiging heeft om werk te zoeken. In de zomer is er om deze twee redenen een overschot aan activiteit, een overvloed aan leven dat eruit moet ​​en alleen tot uiting kan komen in gewelddadige actie. Zelfmoord is een van deze manifestaties, moord een andere, en dus nemen vrijwillige sterfgevallen toe in dit seizoen, gelijktijdig met bloedige misdaad.’

Tsja. wetenschap van een ruim een eeuw oud. Het brengt wel onmiddellijk De vreemdeling van Camus in gedachten, waar een moord gepleegd wordt gewoon omdat het zo vreselijk warm was.

De langste regenbuien in de literatuur staan denk ik in Maurice Pons, De seizoenen, Gabriel Garcia Marquez, Honderd jaar eenzaamheid of Nicola Pugliese Malacqua: ‘De regen kwam met systematische regelmaat neer en schetste loodrechte spetters op het asfalt, en daarna verzamelde het water zich bij de stoeprand, het stroomde over de straat naar beneden, en er waren afvoerputten die het water zouden moeten opnemen maar die namen inmiddels geen druppel meer op. Het water gutste met gekwelde stroompjes naar beneden en voerde stukken karton, flessendoppen, snoep­papiertjes mee, er waren piepkleine zoete dingen die het water met zich meesleepte. In de lucht wisselden grijzige strepen el­kaar af en gingen in elkaar op, een verscheidenheid aan kleurschakeringen van grijs op grijs.’(In het Nederlands van Annemart Pilon.)

In deze ‘Meteores-plaat’ van de Larousse boeit mij het parhelium: de drie zonnen, Sun Dog in het Engels, die een metafoor moeten zijn voor… dat je ook echt weer onder de regen uitkomt? En bizar beeld voor hoop? Shakespeare had er al woorden voor, hij refereert hier aan de Battle of Mortimer’s, 2 februari 1461, toen het verschijnsel waargenomen werd:

‘Bedriegt mijn zicht me, of zie ik drie zonnen?

Drie glorieuze zonnen, elk een volmaakte zon;
Niet gescheiden door de kwellende wolken,
Maar afzonderlijk in een bleke, helder schijnende hemel.
Zie, zie! ze verenigen zich, omhelzen elkaar en lijken elkaar te kussen,
Alsof ze een onbreekbare ban gesmeed hebben:
Nu zijn ze maar één lamp, één licht, één zon.
Hierin toont de hemel een gebeurtenis.

Het is wonderlijk vreemd, dit is nog nooit vertoond.
Ik denk dat het ons, broeder, naar het slagveld lokt,
Dat wij, de zonen van de dappere Plantagenet,
Elk al stralend door hoe we zijn beloond,
We toch onze lichtstralen moeten bundelen,
En op aarde moeten schijnen, zoals dit hier op de wereld doet.
Wat het ook voorspellen moge, voortaan zal ik dragen
Op mijn blazoen, drie helder schijnende zonnen.’

(Shakespeare, Henry VI, deel 3, act 2, scène 1)

En bizar beeld voor hoop? Of dat je gewoon aan het werk moet?

lezen:

Alfred van Cleef Het verdwaalde eiland
Albert Camus De vreemdeling
Maurice Pons De seizoenen
Gabriel Garcia Marquez, Honderd jaar eenzaamheid
Nicola Pugliese Malacqua

Naar Larousse 15

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.