Vraagtekens achter al ons weten – over vogels

De encyclopedie van het geluk 12

Zouden mooie en exorbitante vogels zeldzamer worden omdat ze om schoonheid door mensen bejaagd worden? Een aantal zonderen zich van deze veronderstelling al af: we cultiveren soorten die we zeer mooi vinden voor volières en tuinen, de pauw of de goudfazant. Maar nietige onaanzienlijk vogeltjes hebben wel als voordeel dat ze de blik van de begerige naakte aap kunnen ontlopen. Dus misschien heeft het winterkoninkje daar wel voordeel van. Klein en nietig, bedekt qua kleur. Darwinisme heeft dan een wrange kant: schoonheid maakt de wereld lelijker. We maken zo kapot wat we mooi vinden tenslotte.

‘Winterkoninkjes leven bijna overal; ze eten bijna alles; ze passen zich aan de meeste klimaten aan – ze wisselen bijvoorbeeld van polygamie naar monogamie waar voedsel schaars is. Alleen al op de Britse eilanden zijn er twintig miljoen. Ze bouwen hun nesten bijna overal, zelfs in de baard van Edward Lears ‘Old Man with a Beard’. De predikant-natuuronderzoeker ds. Edward A. Armstrong schreef dat hij een nest in een menselijke schedel had gevonden, maar hij legde niet uit hoe. Toch is het productieve en anonieme winterkoninkje niet eenvoudig. In veel Europese talen betekent de naam [wren]: ‘koning van de vogels’ of ‘winterkoning’. Er één doden beduidde ongeluk: je zou een bot breken, puistjes krijgen, door de bliksem getroffen worden; de vingers van de hand die de daad verrichtte verschrompelden en vielen af; je koeien zouden bloed in de melk hebben. Eenmaal per jaar werd een uitzondering gemaakt. In het grootste deel van Frankrijk, Ierland en de Britse eilanden vond een rituele jacht op winterkoninkjes plaats, die in middeleeuwse teksten is vastgelegd en ongetwijfeld veel ouder is en tot voor kort wijdverbreid was. Hoewel het van dorp tot dorp varieerde, was de essentiële ceremonie hetzelfde: ergens rond de winterzonnewende – op Kerstmis of Sint-Stephanusdag (26 december) of oudejaarsavond of nieuwjaarsdag of Driekoningen maakten jongens hun gezichten zwart en verkleedden zich in rare kleren, vrouwenkledij of pyjama’s of raffia rokjes, en gingen vergezeld van fluit en trommels op pad om in de bosschages te slaan, op zoek naar een winterkoninkje.’

Schrijft Eliot Weinberger in zijn An Elemental Thing. De winterkoning komt in dit fleurige boeket essays van een eigenzinnig soort nog verschillende malen terug. Vogels in het algemeen, over de Kaluli in Papoua Nieuw Guinea schrijft hij:

‘Elk dorp leefde in een enkel longhouse en de longhouses lagen uren uit elkaar. Een of twee keer per jaar nodigde een dorp een ander dorp uit om te komen zingen. Als de avond viel, arriveerden de bezoekers in een dubbele rij, met fakkels, en beklommen de trap naar het plotseling stille longhouse van hun gastheren. De twee rijen strekten zich uit over de hele lengte van het interieur en na een lang moment van gespannen verwachting sisten ze luid ssssss, als een leeglopende band, en gingen abrupt zitten, waarbij vier zangers tevoorschijn kwamen, elk identiek en prachtig uitgedost als vogels, gezicht en lichaam rood geverfd, ogen omlijnd door een zwart-wit geschilderd masker, paradijsvogelveren die uit armbanden ontsproten, hoofd in een aureool van zwarte kasuarisveren met een enkele verzwaarde en wiebelende witte veer in het midden, en een waterval van gele palmbladeren die van de taille omhoog naar de schouders en omlaag naar de vloer liepen.’

De grootste volière die ik zag staat in Singapore, een droom, want zo groot dat je de ruimtebeperking voor de inwoners niet opmerkt en dus verbijsterd van de soortenrijkdom kunt doen alsof je door de hemel wandelt. De mooiste volière die ik ooit zag was in een woonhuis in het dorp waar ik vandaan kwam, een groot jaren dertig huis met een patio in het midden dat door de bewoner overdekt was, en alle ramen die op de patio uitzagen waren vogelgaas geworden. Een volière als hart van je huis, ik kon er geen genoeg van krijgen, ze hebben me moeten wegdragen. Mijn vader bouwde er een voor me toen ik een jaar of tien was. Hemelse en helse scènes hebben zich daar afgespeeld, maar bevrijd van liefde voor ook het opgesloten dier ben ik nooit.

Van de Quetzal beweert men dat hij vrijwel onmiddellijk sterft als hij gevangen gezet wordt. De reden dat het een vrijheidssymbool voor de Guatemalteekse bevolking is.

Het Senckenberg Museum in Frankfurt is een van de grotere redelijk nabije vogelverzamelingen die ik ken: ‘Met 1.106 vogels van 832 soorten toont ons museum bijna een tiende van alle vogelsoorten op aarde. Naast de Afrikaanse struisvogel, die 130 kilogram weegt, en de kleine boself, die slechts 2 gram weegt, kunt u hier ook vogelsoorten ontdekken die reeds zijn uitgestorven.’

De balg leerde me iets over de dood. Zo’n afgestroopt vogelhuidje, een waardig beestje dat dood lig te te wezen, maar nog zichzelf lijkt te zijn bevriest de tijd en doet geloven in een vogelziel: hij is er nog, maar hij is weg.

De bundel An Elemental Thing is zelf een verenverzameling: rijp en groen naast elkaar geplaatst een verzameling van de mooiste historische, antropologische, religieuze, biologische curiositeiten. Weinberger lijkt eveneens te streven naar een zo breed mogelijk palet. Hij toont veren. En hij stelt 1 eis: wat hij toont moet achterhaalbaar zijn. De literatuurlijst is dan ook het fascinerendst: het is bijna ongelofelijk als je deze bundel leest dat het allemaal ergens geschreven is. Weinberger is de koning van het samenhangend citaat. Een literaire pluimageverzamelaar. De wereld wordt mooier door zijn citaatkunst: je gelooft niet dat wat hij schrijft niet bedacht is, maar het is werkelijk waar, of althans, vindbaar in boeken. Kleurrijk en divers, een meeslepende verenverzameling.

Flamingo’s

Ze zijn er bijna niet
[…]
Met hun poten als met een dun pincet
pikken ze preuts hun tenen
uit het water op, o, ze
zijn zo rose
als gedachten van een maniërist.
Ze zijn vraagtekens achter al ons weten
en zo fraai dat we even
niet meer om een antwoord geven.

Herman de Coninck

lezen:

Eliot Weinberger An Elemental Thing

Naar Larousse 13

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Meer dan vijftig

Ik ben geen spelletjesman, maar omdat we toch in Moncarapacho waren en die tafel er toch stond en vriendin K stralend vier stenenhoudertjes op tafel had gezet en ik graag wilde meedoen met alles wat mijn vrienden deden en het om Rummikub ging – waarvan ik me vaag de regels kon herinneren – schoof ik aan.

Al snel werd ieders spelpersoonlijkheid duidelijk en konden daar grappen over worden gemaakt, een aspect van spelletjesdoen dat ik wel weer erg waardeer. Het gaat me altijd meer om de dynamiek dan om het winnen.

Ik maakte een foto van ons met de tafel vol steentjes en stuurde die aan B, die negen jaar jonger is dan ik.

‘Ha,’ stuurde ze terug. ‘Nu ben je écht boven de vijftig.’

In het vliegtuig, op weg naar Portugal om K hier in Moncarapacho te bezoeken, had M mijn sores aangehoord. Ik liep de afgelopen jaren erg tegen dat ouder worden aan, vertelde ik haar. Niet alleen waar het mezelf aanging; de dood van mijn ouders en de aftakeling van vrienden hakten er ook in. Veel positiefs zag ik niet meer in de toekomst.

‘Ik vind het juist heerlijk,’ zei M, die vier jaar ouder is dan ik. ‘Ik weet precies wat ik kan en wil en honey I don’t give a damn als iemand het daar niet mee eens is.’

De rest van de vlucht vroeg ik me af wanneer mij ook zo’n heerlijk soort ontspanning zou gaan overkomen. In M’s woorden leken loslaten en de regie over jezelf pakken schitterend samen te gaan – dat moest haast wel heerlijk wezen.

Ik legde drie drieën neer en schoof een dertien aan een rijtje zwarte stenen, keek om me heen en concludeerde dat ik als vijftiger met drie vijftigers op vakantie was. Het voelde helemaal niet zo. Zo oud als ik vijftigers vroeger vond was ik beslist niet, toch?

De volgende ochtend namen we een bootje in Olhao en voeren naar een soort waddeneiland dat deel uitmaakt van de Ria Formosa, een natuurgebied voor de kust. De bebouwing was er laag, het licht zo fel dat je nergens lang aan kon blijven denken. Het strand bleek op deze vier vijftigers na verlaten.

We dwaalden, nu eens met zijn vieren, dan weer twee aan twee. Soms liep een van ons eventjes solo langs de branding. Ik bedacht dat dit heel mooi liet zien hoe onze vriendschap werkt: de banden zijn flexibel alle kanten op, er zit een bijna evengrote ruimte als hechtheid in ons contact. Al snel loste de felle zon ook deze gedachte op.

Ik keek over zee en beeldde me in dat ik de Noordkust van Marokko zag. De wind, die in de afgelopen dagen stormachtig had gewaaid vanuit het zuiden, was nu bijna gaan liggen. Met zachte blindenvingers onderzocht de Afrikaanse warmte mijn gezicht.

Toen we aan het einde van het eiland kwamen, op de steiger van de pont die terug zou varen, nam K een foto van ons. Vanochtend, bij het schrijven van dit stukkie, vond ik die terug.

Het lastige van foto’s is dat ze al na een paar dagen aanvoelen als herinneringen aan een heel andere tijd. Ze brengen een voorbijheid mee, die nu mijn weemoed aanslingert.

Lieve M, als je dit leest: leg me nog één keer uit hoe je dat doet, tevreden ouder worden.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De wind

De wind komt over zee tegen de heuvel op, schudt de verdroogde vruchten uit de Alfarroba. Hard als kiezels tikken de peulen op het plaatstalen dak boven mijn hoofd. De wind is warm, Marokkaans, heeft maar een beetje water hoeven oversteken voordat hij hier mijn kleren van de waslijn blies.

Na het eerste licht stap ik naar buiten, raap een T-shirt van de grond, een trui. Ze zijn nat van de ochtendnevel, vochtschaduwen blijven achter op het plaatsje, verdampen razendsnel. Mijn kleren hang ik over de terrasstoelen voordat ik bij het grote huis naar binnen ga.

Hoe vroeg ik ook de woonkamer in kom, steeds zit Bas er al te lezen. Elke ochtend kiest hij dezelfde stoel, een luie rode bij het raam. Zijn postuur, tatoeages en kale hoofd contrasteren met de volledigheid waarmee hij in zijn boek opgaat. Hij leest met opgetrokken wenkbrauwen, alsof het verhaal in zijn handen wat zorg en aandacht nodig heeft.

‘Morgen, droomprins,’ zeg ik.

Een glimlach, sterk vergrote ogen achter de glazen van zijn bril. ‘Morgen. Zal ik koffie voor ons zetten?’

Dit zijn de uurtjes voordat onze vrienden wakker zijn. Tegen elven staat de laatste op. Er hangt een traagheid aan dit clubje die niet bij Bas en mij vandaan komt, maar waar we goed op aansluiten. Soms wordt hij onrustig, dan zijn we hem een uurtje kwijt en komt hij met de zon in zijn gezicht terug.

Zelf kook ik veel, waarin ik mijn eigen onrust kwijt kan. Vanochtend schrijf ik dit.

Hoe anders is mijn ritme hier: geen B die naar haar werk moet, geen kinderen. Niets dat me wekt voordat mijn lijf er klaar voor is – behalve de wind, die ik in mijn leven heb gekend als koud en onverschillig, woest en ziedend, als lieflijk, speels en verkoelend, maar nog nooit zó sterk als steunend heb ervaren, beloftevol en warm.

Ik denk aan mijn gezin, aan een ontbijttafel meer dan tweeduizend kilometer naar het noorden; aan Ada (8), die naar haar roze jurkje zoekt, haar hele kast leeg trekt en alles op de grond laat liggen. Ik zie Nadim (13) de trap afdalen naar de straat – de zware rugtas aan zijn schouder, zijn verende blonde haar. B ruimt de tafel af, veegt het blad schoon met een natte doek. Dan gaan de lichten uit: tijd om Aad naar school te brengen, daarna gaat B door naar haar werk.

Ik mis mijn gezin, weet ik dan. Het is fijn om mijn gezin te missen.

Hier in Moncarapacho waait het tuinhek open. Ik sta op van mijn werkplek en loop naar buiten, sluit het hek en voel dat ik het achter iets of iemand sluit. Dat wie goed oplet een voetafdruk zal zien, tussen de gevallen vruchten van de Alfarroba.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.