tirade blog Menno Hartman

Blauwbehoefte

De encyclopedie van het geluk 25

Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een laagje condens is.

Fragmentarisch blauw

Waarom aandacht besteed aan fragmentarisch blauw
in een vogel, of een vlinder hier en daar,
of in een bloem, een edelsteen, of een oog, waar
de hemelkleur zelf het in lagen toont aan jou?

Omdat de aarde aarde is; niet de hemel nog —
al zijn volgens sommige geleerden aarde en lucht één;
en blauw reikt zo hoog over ons heen
dat het onze blauwbehoefte slechts versterkt, toch?

Robert Frost

Wat mij nou fascineert is waarom de kennis van blauw achter de wolken niet voldoende kan zijn. En ook: hoe leer je te leven onder een grijze hemel in de wetenschap dat slechts een laagje je scheidt van die schitterende kleur? Maar misschien is dat onzin. Een laagje is alles. In de gevangenis scheidt slechts een laagje je van de vrijheid. Houd ik – zoals Frost suggereert – van de ijsvogel, van korenbloemen en van de vlindertjes icarus- bos- en heideblauwtje en de steen lapis lazuli omdat ze me een schok van heldere hemelliefde toedienen? Misschien wel.

Van lange, bepakte wandelingen met een loodgrijze Schotse, Waalse of Scandinavische lucht waar gestaag regen uit klettert, herinner ik me het de horizon afgrazen naar een teken van licht. ‘Daar wordt het al wat lichter!’ en dan, als er een stipje blauw verschenen is, de extase, en de ik neem aan oud Hollandse kleermakerswijsheid dat ‘zolang je er geen pak uit kunt snijden’ het niet zal gaan doorzetten…

In Dordrecht in het museum fotografeerde ik zondag alle ‘Hollandse Meester-blauwtjes’ die ik tegenkwam. ‘Aandacht besteed aan fragmentarisch blauw’ noemt Frost dat.

De elementaire vraag blijft; hoe ontwikkel je de wetenschap van blauw achter de wolken? Blauwbesef? Het voortdurend geruststellend weten dat het tijdelijk is wat je bedrukt? Een vraag die velen kwelt in bijvoorbeeld de lange, lange februarimaand. Ik herinner me een uitzending met Kees Momma, ’s lands beroemdste autist, die niet van ‘mooi weer’ houdt. Gewoon weer, dat was fijn, en dat is helemaal bewolkt. Hij heeft dus onder meer op mij voor dat hij eenvoudigweg niet lijkt te verlangen naar blauw. Of? Wie heeft het meteorologisch nu het best in Nederland, Kees of ik? Het KNMI zegt: ‘Gemiddeld over het hele land neemt het aantal zonuren in de loop van het jaar toe van 68 uur in januari tot 92 uur in februari, 144 uur in maart en 194 uur in april. Dit komt doordat de dagen langer worden en het overheersende weertype verandert gedurende het jaar. Normaal is eind mei, begin juni de zonnigste periode van het jaar. Daarna ontstaan er door de grotere warmte landinwaarts gemakkelijk stapelwolken, waardoor het hartje zomer in het algemeen iets minder zonnig is dan aan het eind van het voorjaar. In het najaar en de winter kan het dagen achtereen grijs zijn. Januari telt normaal (landelijk gemiddeld over het tijdvak 1991-2020) negen zonloze dagen, februari zes, maart vier en mei nog maar één dag zonder zon.’ Voor Kees wordt het vanaf nu minder.

Het zijn twee verschillende zaken: hoewel blauw impliceert dat er zon is, en er dus meer licht is en alle kleuren feller oplichten, wat op zich al helpt, gaat het me eigenlijk specifiek om de aanwezigheid van blauw, ook een klein beetje. Want een klein beetje blauw is een opening, een opening naar iets anders, impliceert ruimte, verder kunnen kijken. Betekent ook contact met de wereld: kijken naar iets dat een levend wezen duizenden kilometers verderop ook kan zien. Het gegeven dat blauwe lucht rijmt met blauwe zee, de associatiekracht van de kleur dus ook. Ook sterren zien (geen zon, maar geen wolken) heeft een gelijksoortig effect: de opluchting van ruimte. En dat dichte bewolking een dwangbuis is, iets wat je ergens vanaf houdt. Misschien betekent bewolkt voor mij claustrofobisch. En is dat voor Kees juist geruststellend: een afgemeten wereld.

Geweldig is dat een gedicht over blauwe lucht al helpt: de verrekijker wordt in werking gesteld. En of Frost dat nu vreemd vindt of niet: een pimpelmees helpt met zijn beetje blauw ook al.

Er is blauw achter wolken.

Lezen: Elisabeth Lockhorn En blauw zal alles zijn. Een bloemlezing
Maggie Nelson Bluets

Luisteren: Reinhard May – Über den Wolken

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Humor

Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor.

Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe persoon met wie ik – als was ik zonder uit te kijken een hoek om gerend – plotseling te maken had.

In mijn herinnering duurde dat onwennige een halve dag, daarna was Nadim volop de mijne. Best kort als je bedenkt dat je geen woord met zo’n kind kunt wisselen. Daarna leerde ik hem in stappen beter kennen: toen hij begon te lachen, te eten, te praten – telkens bleek hij los van mijn verwachting en meer zichzelf. Daarna ging hij schrijven, appen: weer een nieuwe man om te ontdekken.

Bij het uitharden van zijn gevoel voor humor komt Nadims persoonlijkheid tot in de laatste puntjes uit de verf. Humor is natuurlijk al heel vroeg aanwezig, maar ik doel hier op de dingen die hij grappig vindt nu hij (op zijn veertiende) een nagenoeg volwassen begrip heeft.

Vorige week moesten we naar een afspraak bij de specialist. Zijn appgedrag is vaak gekmakend, zo kortaf dat het bot aandoet. Nu was ik bereid twee uur van mijn werkdag op te offeren om hem te steunen bij iets wat hij makkelijk zelf kon.

Dag lieve man, schreef ik. Heb je een fijn dagje? Je weet dat we zo een afspraak hebben, toch? Ik ga met je mee, hoor. Kun je me bij De Balie ophalen na mijn werk, of ga je van school naar huis en fietsen we vanaf daar als we een boterham gegeten hebben?

Na een paar tellen schreef mijn jongen: Thuis

Jezus, stuurde ik. Je weet dat je voor appjes niet per letter betaalt, hè?

Even knipperden de puntjes bovenin het scherm. Hij antwoordde met alleen de letter J

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het oude thuis – over het geluk van herinneren

De encyclopedie van het geluk 24

Ik rust met mijn hoofd tegen een tuinmuur in Lissabon. Een muur aan mijn rechterzijde is begroeid met wingerd. Links klatert een fonteintje. Vannacht werd ik wakker met gierende doodsangst. Ik dacht dat ik dat wel achter me gelaten had. Ik word nooit meer zo wijs als ik was toen ik 30 was. Vanuit een raam hoor ik pianomuziek. Een herinnering aan een gedicht vlamt op. Het is een Pessoa’s ‘Un soir à Lima’. Wat op zichzelf weer een gedicht over herinneren is, ik woon in een Drostedoos. Het is een prachtig, tweeënhalf meter lang gedicht. Pessoa hoort op zijn beurt een radio:

De stem van de omroeper kondigt
even langzaam als gevoelloos aan:
‘en dan nu
“Un soir à Lima”’…

Mijn glimlach verstart…
Mijn hart staat stil.

Wat volgt is een dromerig melancholieke herinnering aan Pessoa’s moeder die op een avond in Zuid-Afrika – waar Pessoa als jongen woonde – ‘Un soir à Lima’ speelt op de piano, terwijl hij als oudste nog op is. Buiten de warme Zuid-Afrikaanse nacht. Een bitterzoete herinnering, want zijn moeder is dood. Het muziekstuk is een serenade voor piano van de componist Dieudonné-Félix Godefroid (1818-1897), een beroemdheid in de 19e eeuw, zij het meer als uitvoerder dan als componist en dan nog speciaal op de harp. (Zijn dochter trouwde met Adolphe Sax, de uitvinder van de ….sax)

Ik denk dat je gaande het lange gedicht Pessoa’s promillage kunt zien toenemen. Ik heb in mijn uitgave van de vertaling (door Harrie Lemmens Een spoor van mezelf) in de kantlijn drie keer ‘drank’ genoteerd, waar ik denk dat je kunt zien dat hij weer wat dieper in dronkenschap tuimelt. Niet als een oordeel, maar als een fascinerend zichtbaar bijeffect. En ook wel een manier om als matig drinker nog eens onmatig te zijn: je voelt de roes… Drank schiep dit meesterwerk, denk ik.

Pessoa beleeft hier wat Julian Barnes in – wat hij zegt dat zijn laatste boek is – een ‘involuntary autobiographical memory’ noemt. Een IAM. Barnes jongste boek is een afscheid. Departure(s) is onder veel meer een studie naar herinnering. Via Proust en hersenafwijkingen naar veel meer (stel je je voor dat je iedere taart die je ooit at opeens precies kunt herinneren, het bestaat. En onplezierig, vooral als je niet zo dol meer op taart bent). Hoe onvrijwillig een te binnenschietende herinnering ook kan zijn, dikwijls houden ze geluk in. Een gelukkige herinnering. Maar bitterzoet van nature: het was mooi, maar het is voorbij. De kunst gaat zijn te denken: het is voorbij, maar het was mooi. De omdraaiing is je mogelijkheid tot geluk.

Ik woon in het huis waar mijn kinderen opgroeiden en vertrokken de wereld in. Soms, eveneens mijmerend draai ik de film terug af van vertrekkende adolescenten naar schoolkinderen, naar kleuters etc. en zie de kamers in mijn herinnering daarmee terugveranderen naar wat ze toen waren. Een diachrone huisbeschouwing.

Ik zie alles helder!
Ik ben weer daarginds.

Klinkt het dan bij Pessoa. De herinnering van geluk is ook geluk.

Hoeveel, hoeveel
is voor mij slechts droom geweest,
slechts treurig
blije verrukking
dat ik het had gedroomd,
wie weet het heimwee
veranderd in half menselijke mijmering
over wat er allemaal is in die verre nacht
waarin jij, mama, in het harde lichtschijnsel
op de piano speelde
‘Un soir à Lima’.

Mij intrigeert hierin: ‘wat er allemaal is in die verre nacht’. Pessoa probeert zijn herinnering uit te breiden, of liever nog: de wanden van zijn herinnering op te rekken en daar te kunnen leven in die verre Afrikaanse nacht. Dat is naast herbeleven nog een truc voor geluk. Het daar zijn en die wereld uit te breiden. Voor even.

En ik stond voor het raam en zag
alle maanlicht van heel Afrika het landschap
in mijn droom overspoelen.

En het is een onverschillige zender
die mij door een onbewust toestel
in muziek, alleen in muziek,
de sterke doodsangst bezorgt die ik krijg
van het zien van jou, omdat ik me herinner
dat je, mijn moeder, mijn moeder,
zo rustig speelde
‘Un soir à Lima’.

De floers van de tranen verblindt niet,
huilend zie ik
wat die muziek mij aanbiedt –

de moeder die ik had, het oude thuis,
het kind dat ik was,
de verschrikking van de tijd omdat hij verglijdt,
de verschrikking van het leven omdat het uitloopt op de dood.
Ik zie en ik val in slaap,
en in de verdwazing waarin ik vergeet
dat ik nog besta in deze wereld die er is…
zie ik mijn moeder spelen.
Die kleine witte handen,
die mij nooit meer liefkozend strelen,
spelen voorzichtig en sereen op de piano
‘Un soir à Lima’.

Ik droom omdat ik baad
in de irreële rivier van de opgeroepen muziek.
Mijn ziel is een haveloos kind dat
in een donker hoekje ligt te slapen.
Het enige wat ik heb in de zekere, wakkere werkelijkheid,
zijn de vodden van mijn verlaten ziel
en mijn hoofd, dat droomt tegen de tuinmuur

Lees: Fernando Pessoa Een spoor van mezelf vertaling Harrie Lemmens
Julian Barnes Departure(s)

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.