Ballen

Dit is de eerste keer in vijftien jaar dat ik ga zeuren in een column, maar als een grote groep mensen in deze samenleving zich chronisch misdraagt, dan moeten we daar toch echt iets mee.

Ik zeg dit niet om mijn gram te halen of anderen te kwetsen; ik zeg het omdat het gedrag van deze groep volgens mij kan worden bijgestuurd, waarna we weer met zijn allen door een deur kunnen.

In het café waar ik elke donderdag barman ben, komen alle leeftijden en geaardheden kopstootjes drinken. Schippers, schrijvers, metaalbewerkers, instrumentenbouwers, voormalig wapenhandelaars, studenten en veroordeelde drugssmokkelaars – iedereen is welkom.

Er is maar één groep waar ons personeel het moeilijk mee heeft, en dat zijn ballen. Mocht je niet meteen weten wat ik met ballen bedoel, dan ben je er waarschijnlijk een. Gelukkig heb ik ook een checklist:

  • Heb je geen vrouwelijke vrienden en ga je nooit met minder dan vier man op stap?
  • Als jullie naar een café gaan, roep je dan bij binnenkomst meteen de barman bij je zodat hij kan staan wachten terwijl je rustig inventariseert wat je maten willen drinken – inclusief Friso, die eerst nog even naar de plee moet?
  • Als zo’n barman na een paar minuten wegloopt, mopper je dan tegen je maten over de service?
  • Sta je het liefst bij die opening in de hoek van de bar waar het personeel erlangs moet om andere gasten te bedienen? En tikt zo’n barman je dan élke keer aan als hij erlangs moet, waardoor je geïrriteerd raakt en steeds trager aan de kant gaat?
  • Heb je de neiging om lege bierglazen in je linkerhand te stapelen en een vol glas in je rechterhand te houden?
  • Voel je na acht bier de aandrang om sigaretten te bietsen van die twee jonge meiden aan de bar, hoewel ze minder dan een kwart van jouw salaris verdienen?
  • Vind je na negen bier dat het wel eens tijd wordt dat het café een rondje geeft?
  • Vind je het na tien bier absurd dat je je glas niet meer mee naar buiten mag nemen en los je dat op door je glas in de zak van je jasje mee naar buiten te nemen?
  • Als de barman je daarop aanspreekt, geef je hem dan gelijk, om daarna tegen je maten te zeggen dat dit echt een kutkroeg is en dat die eikel naar zijn fooi kan fluiten?
  • Vind je wel eens dat er over die sluitingstijden écht niet zo moeilijk moet worden gedaan, helemaal – je wilde er niet over beginnen, maar je doet het tóch – gezien wat je hier verdomme voor een geld heen draagt?
  • Vind je na de laatste ronde dat er wel eens rondje van het huis mag komen en weet je heel zeker dat dit niet de tweede keer is dat je hierover begint?
  • Vind je fooi – ook als het personeel zich gewoon onderdanig heeft opgesteld – onnodig?
  • Sta je in je recht om woedend te zijn als die eikel van een barman een kwartier na sluitingstijd je nog halfvolle bierglas (waarvoor je óók nog betaald hebt) voor je neus weghaalt?
  • Heb je na sluitingstijd wel eens in de plantenbak op het terras van een café gepist omdat het personeel het daar echt naar gemaakt had?
  • Zou je ook maar één barman van het café waar je al jaren komt herkennen als je die op straat tegenkwam?

Als je op een of meer van bovenstaande vragen ja zou antwoorden en op die laatste nee, dan ben je een bal.

Maar ik ben hier dus niet om mijn gram te halen. Ik kom ook met een oplossing.

Ik stel een buddysysteem voor, waarmee we jouw complexe groep op weg helpen naar meer aansluiting met de rest van onze maatschappij.

Wat nou, als elke bal een bijbal kreeg?

Iemand die met je meegaat naar dat café, die er voor je is op al die lastige momenten.

Die je laat zien dat het ook anders kan.

Elke donderdag sta ik geheel tot jouw beschikking.

_______________________________________________________

De mannen op de foto zijn barmannen, en stellen zich op vrije avonden belangeloos ter beschikking als bijbal

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

recent

Jonge mensen

Voordat ik achter de bar begon te werken bij Café De Druif wist ik dat het personeel een stuk jonger zou zijn dan ik. Ik maakte me daar geen zorgen over, omdat er in mijn eigen vriendenkring ook een paar twintigers zaten – de communicatie met hen was nooit problematisch.

Ik had er alleen niet bij stilgestaan dat die jonge vrienden allemaal schrijver waren – zoals ik hier al eerder zei: bejaarden in het lichaam van een twintiger. De mensen met wie ik nu bier ging tappen waren gemiddeld vijfentwintig en geen van allen schrijver. Een klein jaar bleek nodig voordat ik alle grappen snapte; de afkortingen in onze appgroep.

Ik heb me ongetwijfeld aangepast aan deze nieuwe omgeving, maar de reden dat ik nu totaal geen kloof meer ervaar zit meer in de aard van het werk: druk, sociaal, fysiek. Het is krap achter dat barretje, je bent al lichamelijk met elkaar vertrouwd voordat je weet hoe iemands ouders heten, wat iemand studeert.

Tegenwoordig zou ik met elk van mijn collega’s wel een weekend weg willen; daar ging het deze week ook over toen ik met drie van hen uit eten ging – dat we dat misschien een keertje moesten doen.

Als ik met Yuma, Vik en Lieve uit ben dan pak ik op geen enkele manier een seniore rol, en je zou je kunnen afvragen waar het dan zo’n hele avond over gaat. Ik ben er heel veel van vergeten, maar we spraken zeker over eten, over Yuma’s nieuwe baan en over dat weekendje weg.

Over ieders wensen voor de toekomst ging het ook; daar kan ik nog goed in mee – wie geen wensen voor de toekomst heeft leeft zonder hoop, en ik ben van plan om tot het bittere einde hoopvol te blijven.

Bovenal geloof ik dat onze gemene deler de humor is, de zelfspot – er zit daardoor een lichtheid onder zelfs de zwaarste onderwerpen.

Ik ben blij dat ik nog elk jaar nieuwe en diverse vrienden maak. Zoals cryptogrammen je cognitief op peil houden in de jaren van verval, zo houden die contacten me warm en verbonden op een leeftijd waarop de sociale cirkel van de meeste mensen aan een onherroepelijke krimp begint.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

DE MENS ALS BIOPIC 11 H.N. Werkman

Saaie mensen, dat zijn de beste. Voor een goed verhaal moet je bij hen zijn.

In de film Being There, gebaseerd op een roman van Jerzy Kosinski, moet tuinier Chance (Peter Sellers) na het overlijden van zijn rijke werkgever de ommuurde tuin van zijn baas verlaten. Nooit heeft Chance – middelbare leeftijd – met eigen ogen gezien wat zich achter de tuinmuren afspeelt. Saaaai! Nu moet hij via de voordeur naar buiten want zijn werkgever is er niet meer.  Daar buiten loopt ’t goed af. Chance wordt bijna president van de Verenigde Staten en hij kan lopen over water.

*

Het zijn onverwachte gebeurtenissen – ziekte, werkloosheid, sterfgeval, brand, misdaad, oorlog – die van een nobody een schitterend filmkarakter kunnen maken. Ook in ons eigen voortkabbelend bestaan kan zo’n externe factor van u en van mij een profeet, een moordenaar maken. Dan staan we eindelijk op en begint ons verhaal.

Hendrik Nicolaas Werkman (1982–1945) was zo’n onopvallende man: een goed huwelijk, kinderen en als chef werkzaam op een drukkerij. Lopend in zijn donkere pak over de Grote Markt van Groningen groette hij links, rechts en tikte daarbij tegen zijn hoed. Dat hij een groot liefhebber was van jazz, van moderne kunst en zich identificeerde met Charlie Chaplin, daar liep hij niet mee te koop. Zelf maakte hij ook kunst, soms schilderijen, maar vooral kleurige prints vol sterk gestileerde of geheel abstracte composities van in de ruimte zwevende letters, cijfers, contouren en symbolen.

Er zijn kunsthistorici die na Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan Hendrik Nicolaas Werkman als nummer vier plaatsen in de rij van Nederlands grootste kunstenaars. Daar ben ik het mee eens.

Maar toen werd het oorlog.

Het ging slecht met de zaak. De moffen vonden drukkers verdacht, want zij konden persoonsbewijzen vervalsen. Maar wat Werkman tijdens de Bezetting het meest trof was de repressie tegen joden. Hij had onder hen vrienden en klanten, voor wie hij jarenlang kalenders, geboortebewijzen en ander drukwerk voor maakte.

Hendrik Werkman trok zich terug op een zolder, zes verdiepingen hoog aan Lage der A nummer 13. Daar richtte hij een privédrukkerijtje in en zou daar gedurende de oorlogsjaren zijn mooiste werken maken, zoals de serie Vrouwen-eiland en de reeks Chassidische legenden.

*

De NOS-televisie vroeg of ik een scenario over Werkman wilde schrijven. Ik wist vrijwel niets over hem, besloot het te proberen en noemde de film Ik ga naar Tahiti, Werkman was namelijk gek op de schilder Paul Gauguin, met zijn liefde voor dat Zuidzee-eiland en de heerlijk geurende vrouwen aldaar. Werkman noemde zijn atelier Mijn Tahiti.

In de eerste filmbeelden zien we Werkman – muzikaal gesteund door Burnin’ the Iceberg van Jelly Roll Morton – over de doodstille Lage der A lopen. Een zware, zwarte handschoen daalt neer op zijn schouder.

Waar ga we naar toe?

Ik… ga naar Tahiti.

Dan gaan wij met uw mee.

Naast Werkman staan daar jodenjager Pieter Schaap en zijn assistent Capelle. Er volgt een beklimming over al die trappen naar het atelier, waarbij Schaap grapjes maakt over zijn geboorteplaats Zandvoort. Daar verhuurde hij strandstoelen aan katholieke meisjes met katholieke kontjes. Eenmaal boven bekijken Schaap en Capelle al die rondom opgeprikte, kleurrijke prints van Werkman.

CAPELLE: In plaats van de schilder hebben ze z’n werk maar opgehangen!

SCHAAP: Wie maakt er in godsnaam een groen paard met rode stippen?

WERKMAN: Ja, dat valt zeker niet goed te praten, mijnheer Schaap, maar ik heb geen persoonsbewijzen vervalst.

SCHAAP: En wat hebben we hier? Cha… ssii… Chassidische… dat is toch joodse Schweinerei!

Welke beeldend kunstenaar kan zijn werk verdedigen als er een gewapende poëzieloochenaar voor hem staat? Is deze strijd tussen beul en slachtoffer dus bij voorbaat beslist? Dat zou jammer zijn, want in een goed filmverhaal moeten slachtoffers ook een wapen hebben, moet een goede afloop voelbaar en/of denkbaar zijn, anders is er geen spanning.

Maar Werkman kan geen kant op, dus móést ik een ontsnapping voor hem verzinnen: een letterlijke vluchtweg, of een goddelijke ingreep. Dat werd niemand minder dan Charlie Chaplin.

Tegen de binnenkant van zijn schedel projecteert Werkman oude filmscènes waarin Charlie – een eeuwig slachtoffer – het wint van zijn vaste vijand de reus Big Bully die, oh toeval, sprekend lijkt op Pieter Schaap. In de film Easy Street bijvoorbeeld buigt Chaplin een gaslantaarn om, drukt het hoofd van Big Bully in de korf en zet de gaskraan open. Om deze herinneringen moet Werkman tijdens zijn arrestatie en latere gevangenschap weer glimlachen. De slapstick lijkt hem te verzoenen met zijn lot. Daarbij zorgt de gelijkenis tussen Werkman en Chaplin en tussen Big Bully en Pieter Schaap voor wat lichtheid in de film.

*

Drie dagen voor de bevrijding van Groningen, op 10 april 1945 – de Canadezen staan al in Assen – wordt Hendrik Nicolaas samen met negen anderen door Pieter Schaap op het Mandeveld te Bakkeveen middels een nekschot doodgeschoten. Geen aangifte, geen proces, geen veroordeling. Dat groene paard met rode stippen werd hem fataal.

Stalen vuist en rappe hand, zo is het volk van Nederland!

Het laatste wat Hendrik Werkman – én dus ook de camera – ziet voor hij sterft, is een vrolijk dravend paard aan de overzijde van het veld, een wit paard met zwarte vlekken.

*

  • Ik ga naar Tahiti, dramaturgie Dick Willemsen, met in de hoofdrollen Hans Dagelet en Peter Tuinman, werd geregisseerd door Gerard Verhage en bekroond met de Prix Italia voor het beste internationale televisiedrama van seizoen 1992.
  • Pieter Schaap werd in 1949 ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.
"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.