Kamchatka, onbekende schoonheid

(De wereld in stukken 46)

Dit gedroomde schiereiland met een uitzinnige schoonheid komt tot ons in twee historische werken. Het eerste is:

Stepan Petrovich Krasheninnikov The History of Kamtschatka and the Kurilski Islands, with the Countries Adjacant  Illustraded With Maps and Cuts And Published at Petersburg  in the Russian Language, by Order of her IMPERIAL M A J I S T * And translated into ENGLISH By JAMES GRIEVE, M.D

Het exemplaar uit 1764 bevindt zich in de Chung collectie van de University of British Columbia. Het boek behoorde aan J.W. Eastham, een Canadees botanicus die er nog op kalkte:  ‘Relates to the North-West Coast of America and the islands adjacent. The Author has much to say about the Fur Trade.’

Daar staat het boek in een kast, in Vancouver, en gefotografeerd op het internet, maar er gaat  een complete wereld achter schuil. Het smeekt erom hartgrondiger uit de mist der geschiedenis te worden opgehengeld dan ik hier doe.

Stepan Petrovich Krasheninnikov maakt deel uit van de Grote Noordelijke expeditie, van 1733 tot 1743, verordonneerd door Peter de Grote, om een zeeweg over het Noorden te ontdekken, en om te onderzoeken waar Rusland precies aan Amerika raakt. Peter de G. had een gesprek met Leibnitz gevoerd in Duitsland over de landbrug die er zou bestaan tussen Rusland en Amerika. En Peter wilde de grenzen van zijn rijk kennen. Het werd een extreem succesvolle en peperdure onderneming. Krasheninnikov is een gedegen wetenschapper. Hij behandelt de complete natuurlijke historie van het schiereiland: ‘Ze maken veel gebruik van de berkenschors, die ze van de bomen halen terwijl ze nog groen zijn; en het in kleine stukjes snijden, zoals vermicelli, en eten met gedroogde kaviaar. Wanneer je in de winter een van hun dorpen binnengaat, zie je dat de vrouwen bezig zijn deze groene bast met hun bijl of voet af te hakken. Ze fermenteren deze schors al met het sap of de vrucht van de berk, waardoor een aangename drank ontstaat.’

Wie dan eigenlijk? Krasheninnikov is weliswaar een gedegen wetenschapper, maar helaas niet ongevoelig voor de vooroordelen van zijn tijd.

‘De inwoners van Kamtschatka zijn net zo wild als het land zelf: sommigen van hen hebben geen vaste woonplaats, ze zwerven van plaats naar plaats met hun kuddes rendieren; anderen hebben woningen en verblijven aan de oevers van de rivieren en de kust van de Penschinska-zee, levend van vis- en zeedieren, en kruiden die op de kust groeien. De eerstgenoemden wonen in hutten bedekt met hertenhuiden, de laatste in huizen die uit de aarde zijn gegraven; beide op een zeer barbaarse manier van doen: hun karakter en humeur zijn ruw; en ze hebben totaal geen kennis van letters of religie. De inheemsen zijn verdeeld in drie verschillende groepen; namelijk de Kamtschadales, Koreki en Kuriles.’

Het tweede boek is een halve eeuw jonger

REISE UM DIE WELT in den Jahren 1803, 1804, 1805 und 1806 auf Befehl Seiner Kaiserl. Majestät Alexanders des Ersten auf den Schiffen Nadeshda und Newa unter dem Commandodes Capitäns von der Kaiserl. Marine A. J. von Krusenstern.

Dat is een verhaal, hoor! Adam Johann von Krusenstern was een Baltisch-Duitse admiraal in het Keizerlijk leger die in de koloniale ambities van Rusland in de vroege 19e eeuw een rol van belang speelde. Zijn wereldreis leest als een, eh stoomtrein met steenkoolproblemen. ‘Zeelieden schrijven slecht, maar met voldoende openhartigheid.’ was Von Krusenstern zo sportief als motto van zijn eigen boek op te nemen. (Charles de Brosses, comte de Tournay, baron de Montfalcon, seigneur de Vezins et de Prevessin). Wie?

De eerste keer dat Von Krusenstern Kamchatka aandoet Komt hij van over de Pacifische Oceaan en maakt hij zich op voor schermutselingen met zowel de Japanse als de Chinese overheid. Om zaken te regelen moet eerst even een  gouverneur van de noordelijker gelegen hoofdstad overkomen.

‘Iedereen die bekend is met de manier van reizen in Kamtsjatka zal gemakkelijk een idee krijgen van de moeilijkheden die zich moeten hebben voorgedaan bij het zo snel mogelijk vervoeren van 60 soldaten over een afstand van 700 werst. Alleen het doel waarvoor ze naar Petropavlovsk werden gebracht, was zo belangrijk dat het in overweging genomen moest worden.’

Nee, dat kan geen feest geweest zijn, behalve om het natuurschoon. Van Kamtjsatka had ik nog nooit gehoord. Maar ik verlekker me al een week aan de foto’s. Het landschap staat op de Unesco wereld erfgoedlijst:

Vulkanen van Kamtsjatka

‘Dit is een van de meest opvallende vulkanische regio’s ter wereld, met een hoge dichtheid aan actieve vulkanen, een verscheidenheid aan typen en een breed scala aan gerelateerde kenmerken. De zes locaties die deel uitmaken van de seriële aanduiding groeperen het merendeel van de vulkanische kenmerken van het schiereiland Kamtsjatka. Het samenspel van actieve vulkanen en gletsjers vormt een dynamisch landschap van grote schoonheid. De locaties bevatten een grote soortendiversiteit, waaronder ‘s werelds grootste bekende variëteit aan zalmachtige vissen en uitzonderlijke concentraties zeeotter, bruine beer en Stellar’s zeearend.’

Naar kaart 47

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Eifelen

Over de pont reed ik, mijn rugtas over mijn schouders. Ik parkeerde mijn fiets tegen een hekje in Noord en liep op Rob af, die naast zijn auto stond te wachten. Toen ik mijn vriend omhelsd had wachtten we samen op Wytske en Colin, die zijn verblijf in Amsterdam met drie dagen had verlengd om mee naar de Eifel te kunnen.

Het blijft me verbazen dat een beroemdheid als hij zo geniet van dit soort uitjes, van bestemmingen waar je een Hollywoodacteur nooit zou verwachten. Sinds hij heeft besloten Nederlands te leren is Col daar continu mee bezig, en onze heenweg werd door hem dan ook doorlopend van commentaar voorzien.

Colin vindt het leuk om mensen invasieve vragen te stellen en dan door te vragen, een rol die van oudsher eigenlijk voor Rob is, maar die toonde zich inschikkelijk en reed ons met vaderlijke kalmte naar het zuidoosten.

We kwamen door het rivierdal van de Ahr en zagen de schade die de overstroming er had aangericht. De laagste verdiepingen in dorpjes die ooit bol hadden gestaan van de toeristenhoreca waren veelal dichtgetimmerd of raamloos, de ruimtes erachter kale zwarte holen. Nergens was een kip op straat.

‘De atmosphere sit er al good in,’ zei Col. Hoewel ik weet dat hij recent al mijn boeken gelezen heeft, vraag ik me af hoeveel hij daar nou precies van mee kan hebben gekregen.

We aten flammkuchen in een restaurant dat Every Breath You Take op repeat had staan. De enige andere gasten in de helwitte ruimte – duidelijk dit jaar nog opgeleverd na een ingrijpend herstel – waren twee bejaarden die zwijgend aten. Colin probeerde wat Duitse woorden uit, vroeg nog eens naar het verschil met Nederlands.

Het huis dat we gevonden hadden lag in een mooi gehuchtje in de bossen en de huurbazin vertelde ons dat het die nacht zou gaan sneeuwen. We aten, dronken erg veel van de wijn die we onderweg hadden ingeslagen. Morgen zou er gelopen worden en iedereen behalve ik had wandelschoenen mee.

Ik liep in mijn stadskleren, op zwarte Nikes. Mijn ervaring met wandelschoenen is dat je er blaren van krijgt en dat ze even veel grip bieden als gympen. Daarnaast vind ik specialistische kleding die op een activiteit gemarket wordt ergerlijk. Alsof ons consumentisme niet genoeg schade aanricht, moeten we nu ook nog voor elke soort weer en terrein andere shit aanschaffen.

Colin en Wytske zouden zich met de route bezighouden, en wat ik me het meest herinner van onze vijf uur durende omgang door het Eifelse platteland was die twee koppen bij elkaar, gebogen over een kaartje dat steeds door Col een kwartslag gedraaid werd.

‘Het noorden is daar,’ zei Rob zo nu en dan.

Er was geen restaurantje onderweg, geen bar of koffiehuis. Mijn fantasie over een donkerbruine stube met kroezen bier en zwijnenschenkels, kapstokken vol jagershoedjes en bejaarden met blossen op de wangen bleek kansloos. Uiteindelijk kochten we een paar biertjes bij een landwinkel, waar de uitbaters mokkig werden toen we van de uitgestalde crackers aten zonder die daarna te kopen.

In het bos vonden we wat boleetjes voor bij de kip die ik in de pekel had gelegd. Ik dacht aan aardappels uit de oven, room, een gratineerlaagje; een pittige en zure salade voor ernaast.

Thuis verdeelden we de taken. Wytske kreeg de ondankbaarste: de hot tub in de tuin opstoken met vochtig hout. Colin ging haar helpen en al snel hoorde ik ze daarbuiten lachen. Dikke rookwolken schoven langs het keukenraam, hier en daar wat opgefrist door de eerste sneeuwvlokken.

Tegen twaalven waren we zo lam dat Colin plat Iers ging praten en we hem alledrie konden volgen. We vielen bijna in slaap bij de haard, maar toen was opeens de hot tub klaar.

Met geen van deze mensen had ik ooit in lichaamswarm water gezeten, laat staan in een houten bakje, maar zoals wel vaker in dronkenschap: het paste prima. Ik herinner me te hebben gegierd van het lachen, maar herinner me niet waarom. Ik weet nog dat ik Colin met de vlakke hand op zijn wang mepte, dat er een watergevecht ontstond en dat de sneeuwvlokken oplosten in het woeste water.

De volgende ochtend, bij het opruimen dat ze de eerste uren moederziel alleen gedaan had, telde Wytske veertien lege flessen. Een confronterend aantal, maar soms overstijgt het nagenot de kater.

We vertrokken, deden een moderne kapel aan die eruitzag als een vergeten hooibaal en van binnen deed denken aan een endeldarm. Colin was er stil van.

We zochten een lunchplek, maar alles was dicht of opgeheven. Een wegrestaurant bood uitkomst.

We aten patat met worst omdat de alternatieven nog erger leken en ik besloot dat de Eifel niet echt vijandig aandeed, maar eerder vreugdeloos. We spraken af om volgend jaar weer samen te gaan lopen – in de Vogezen, wellicht.

Ook Col zei dat hij mee wilde, en hoewel ik in de blikken van Wytske en Rob dacht te zien dat ze zich dat moeilijk konden voorstellen, wist ik dat hij het meende. Dat hij er alles aan zou doen om er weer bij te zijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Geboren voor de herinnering

Waar ging het mis? Hoe komt het dat er zo’n kaalslag is onder schrijvers geboren tussen 1954 en 1966 dat het tijdschrift De God van Nederland in 2018 een heel themanummer kon wijden aan deze ‘Gedoemde Generatie’? Een echte verklaring zul je in dat blad niet vinden, wel een tamelijk schokkende lijst van ontvallenen en een gevoel van ontheemding onder de doorschrijvende overlevenden. 

Generatielid Chrétien Breukers (1965) durft verder te gaan in zijn analyse. Ook hij constateert in eerste instantie een gemis: ‘De figuren die de Grote Drie van onze generatie hadden kunnen zijn, pleegden zelfmoord (Joost Zwagerman, Anil Ramdas, Nanne Tepper, Rogi Wieg) of schrijven net iets te veel kookboeken (Ronald Giphart). Of zaten na hun debuut muurvast in een schrijfblok (Rob van Erkelens).’ Zijn verdwenen leeftijdsgenoten groeiden allen op onder het gesternte van No Future, maar werd dat gevoel van toekomstloosheid niet ook ten dele door henzelf gecultiveerd? Breukers meent van wel: 

‘De groep schrijvers uit wie deze groep bestond, of bestaat, keek bewonderend naar een glorieus verleden, waarbij ze aansluiting probeerden te vinden, zonder voor zichzelf een heden en een toekomst te bevechten. Die toekomst zou later wel eens uitbreken, maar dat gebeurde niet. Die toekomst breekt namelijk alleen maar uit als je haar zelf maakt, niet als je er achteloos mee omgaat.’ 

Wat er overblijft voor de verstekelingen van de geschiedenis is voort te gaan als de befaamde engel van Walter Benjamin, of, zoals Bonnie “Prince” Billy zingt, ‘Look backwards on your future and look forward to your past’:

‘Nu we allemaal over de vijftig zijn, de zestig naderen, is het misschien te laat om de generatie een stem te geven. Het enige wat we nog kunnen doen is het laten schitteren van onze late taal, om die tot klinken te brengen in een mozaïek van verhalen en, vooral, herinneringen. Wij zijn geboren voor de herinnering.’ 

Dit inzicht sluit aan bij Breukers’ eigen literaire project. De afgelopen jaren heeft hij een reeks slanke, hoogst gestileerde autofictionele romans gepubliceerd, waarvan de eerste drie achtereenvolgens ruwweg om eros, emigratie en alcohol draaien, en die uiteindelijk deel moeten gaan uitmaken van een aangekondigde pentalogie. Met deze werken husselt hij de feiten van zijn vroegere leven door elkaar, brengt hij terugblikkend nieuwe verbanden aan en schrijft hij een fragmentarische, gefabuleerde kroniek van een karakter, even authentiek als onbetrouwbaar. 

In nummer vier gaat hij terug naar 1983, het jaar dat hij als student in Nijmegen aankwam. Daar belandde hij in een cohort dat zichzelf guitig ‘het wonderjaar’ noemde. Rondom hem in de collegebanken, mensa of de kroeg zaten neerlandici en literatuurwetenschappers die stuk voor stuk promoveerden of veelbelovend debuteerden: Marc Kregting, Rob van Erkelens, Jos Joosten, Jack van der Weide, en Breukers zelf dus (‘allemaal jongens, waar woonden alle vrouwen toen?’ wordt daar nu bij aangetekend). 

De uitwaaierende, soms lyrische beschrijvingen van die studentendagen zijn naast een ode ook een afrekening; zo wordt van voorbije vriendschappen de balans opgemaakt en krijgen enkele docenten er nog even flink van langs. Heimwee, wrok, ontluistering, vreugde, vervoering – de grote gevoelens wisselen elkaar grif af: in deze uit geserreerde alinea’s opgebouwde roman lijkt Breukers de volledige bandbreedte van zijn psyche te willen doen weerklinken. Op vergelijkbare wijze klinkt er veel andere literatuur in door: de uitingen van eenzaamheid en woede richting de ouders zijn sterk verwant aan die van Jeroen Brouwers (1940-2022), de baldadige schimpscheuten lijken op die van Arie Storm (1963). 

Maar de belangrijkste literaire aanwezigheid in Het wonderjaar is de Amerikaanse cultauteur Kathy Acker (1947-1997), wier oeuvre de afgelopen jaren terecht weer werd afgestoft. Hier verschijnt zij in het Limburgse dorp Leveroy – niet op de karakteristieke motor maar met een auto – om de hoofdpersoon uit zijn ouderlijk huis te ontvreemden. Daarop volgt een rondreis door zuiderlijk Nederland en Duitsland, gevuld met ongemakkelijke intimiteit en poëticale discussies, eindigend in de stad waar hij als student een nieuw leven zou gaan beginnen. 

Het is een opmerkelijk eerbetoon: Breukers leent verschillende elementen uit Ackers werk, zoals de agressieve verbeelding van seksualiteit plus haar gewoonte om andermans personages of literaire figuren op te voeren in haar eigen boeken, en laat haar uitgroeien tot een leidsvrouw, het breekijzer voor de impasse van zijn verteller. Acker belichaamt in deze roman het schrijven zonder scrupules, alle schaamte en onzekerheid voorbij, en de radicale keuze voor de literatuur. 

Tegen haar spreekt de verteller dan ook zijn uiteindelijke voornemen uit: ‘Ik weet wat ik moet doen. Dat de rest van de wereld mij soms ziet als een dwarskop of een halve zool is aan de rest van de wereld. De weg ligt voor me en ik loop die, nu ik toch bezig ben, ten einde.’ Schrijven dus, in weerwil van alles. Ook dat kan een manier zijn om de kloof tussen zelf en wereld op te heffen, en een eigen heden en toekomst te scheppen, zo lijkt Breukers met Het wonderjaar te willen bewijzen – niet in de laatste plaats aan zichzelf. 

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.