Dromen aan de reling

(De wereld in stukken 44) (voor J.)

De meest romantische vrijwel filmische scène: J. en J. ontmoetten elkaar in de jaren ’50 op een station in Tasmanië (of Australië). Hij zag haar staan op het perron terwijl zijn trein al op gang kwam, herkende haar uit Nederland en besloot in een split second dat hij niet op die trein moest, maar sprong er af. Dat bewustzijn van hoe het leven moet. Ze overwogen er te blijven, maar keerden terug en trouwden. Hun kleinkinderen emigreren nu alsnog.

Vandaag melden 381.948 Australiërs desgevraagd dat ze Nederlandse voorouders hebben. Kort na de oorlog moedigde de Nederlandse regering emigratie naar Australië, Tasmanië  (en ook bv Canada en Zuid-Afrika) aan. De economie kwam nog niet goed op gang en Nederland vreesde de bevolking niet goed te kunnen voeden. Een paar monden minder scheelde al. Na 1949 kwam daar nog een aardige groep Nederlanders en Indonesiërs bij die na de onafhankelijkheidsverklaring van de Republiek Indonesië liever niet daar bleven, maar ook weinig heil zagen in dat gure landje aan de Noordzee.  

Australië en Tasmanië voeden mijn hang naar escapisme, zoals ook Nieuw-Zeeland en Canada dat doen, of Scandinavië: er zijn plekken met heel veel ruimte waar je wellicht een eenvoudig leven, iets met een schuur, een bijl en een boerderij, met zon en een rivier kunt opbouwen, een stuk bos.

De onvergelijkbare Australische dichter Les Murray dicht:

Eindelijk een lage kustlijn,
oude schrik van Hollandse kapteins.

Daarachter, nog onbekend,
zongeblakerde boerderijen, vreemde bomen, familiegrapjes
en alle klassen van de sociale gelijkheid.

Terwijl de kust noordwaards wegzonk
restte hen een laatste week voor liederen,
voor dromen aan de reling,
voor geliefde betekenisloze woorden.

Bij het binnenlopen in Port Phillip
in het zoutgrijze zomerlicht
viel het dorp uiteen
in gespannen gedaanten met koffers;

Nu wachtte hen, net als de norse
Australiërs daarbeneden,

de ontmoeting met den Vreemde
waar alle fijngevoeligheid faalt.

[…]

(uit De immigrantenreis, in De planken kathedraal, vertaling Maarten Elzinga)

Murray volgt het schip de Goya die zijn vrouw halverwege de 20ste eeuw naar Australië brengt. Murray leefde in Bunyah, New South Wales. Als Australië en klok is: op het cijfer 4.

Er is geen land waarvoor meer geldt dat ik best een beetje denk te kennen – maar uitsluitend door poëzie – dan Australië.

Murray leefde in een boerengemeenschap en van hem wordt verteld dat hij besloot dichter te worden bij het zien van een libelle boven de rivier en wat dat met hem deed: een pakkende mythe omdat de nauwkeurige waarneming van land en natuur, gebruiken, gevoelens precies dat is wat zijn dichterschap uitmaakt. En net als J. de vaardigheid in een seconde te weten wat je moet. Wanneer je Murray leest kun je dus werkelijk ver komen in het leren kennen van eh… Bunyah, voornamelijk. Ik ken geen poëzie die zo plaatsgebonden en tegelijk zo universeel is. De plek is specifiek, het denken erover kan je 20.000 km verderop bij de strot grijpen. Ik kan nooit meer aan Australië of Tasmanië denken zonder meteen in de regels van Murray te denken. Of zonder die treeplank scène.

Ik droom verder aan de reling dat ik er nog wel eens komen zal: op Tasmanië en in Australië.

lezen:

Bruce Chatwin The Songlines

Gould’s Book of Fish: A Novel in Twelve Fish van de Tasmaan Richard Flanagan

Les Murray De planken kathedraal, vertaling Maarten Elzinga

Les Murray On Bunyah

Een Australische site over Nederlandse immigratie.

Naar kaart 45

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Loslaten

Het went niet, dat schrijven. Steeds is het maken van een verhaal of roman een avontuur. Fijnstellen ben ik steeds meer gaan waarderen, het schaven aan een tekst. En mijn verwachtingen qua verkoop of bekendheid werden minder hoog. Tegenwoordig gaat het me alleen nog om het werk.

Zolang ik mag blijven maken ben ik oké. Ik heb geleerd dat elke dag een bladzijde na een jaar of wat optelt tot een boek, en dat het slecht is om te denken aan dat boek als ik niet aan het schrijven ben. Waar je op dat soort momenten ook op uitkomt: een oplossing voor die moeilijke passage biedt het niet.

Personages zijn mensen en die moeten zich op een organische manier bewegen. Ze zullen vanzelf doen wat bij ze past – je moet ze geen verhaallijn opdringen. Luister goed naar je personage, laat de controle los en durf te volgen, ook als dat betekent dat je een zijstraat inslaat die je weken werk kost. Mocht die zijstraat komen te vervallen dan heeft hij toch bijgedragen aan de ontwikkeling van je personage.

Afgelopen maandag presenteerden we mijn nieuwe roman, waaraan ik twee jaar heb geschreven. Café De Druif, waar ik op donderdagen werk sinds ik de eerste versie van Café Dorian af had, stond vol vrienden, familie en collega’s. Omdat er iemand was uitgevallen in het rooster werkte ik aan het begin van de avond zelf achter de bar, wat ik helemaal vond kloppen.

Mijn boek gaat over een Hollandse barman die in een buitenlandse stad een café overgenomen heeft. Een van mijn meest geliefde personages is de gehaktballenverkoopster Astrud. Later in het verhaal komt zij in de Dorian te werken. Sinds een maandje maak ik voor De Druif wekelijks zo’n honderd ballen, die we met een lepel jus verkopen.

Recht tegen de trend in houd ik ervan als mijn leven mijn werk volgt: ik wil in mijn verhalen wonen, vind mijn eigen leven vaak niet interessant genoeg om over te schrijven.

Uitgever Menno gaf zijn kortste speech ooit, maar wist me ermee te raken. Vriend Colin was over uit LA en sprak ontroerend – zijn Nederlands wordt steeds beter. Ik kon niet geloven dat hij mijn werk gelezen had, de kern uit al mijn boeken haalde. Misschien moest ik een beetje huilen. Daarna was het tijd voor bier, een bitterbal.

Er werden boeken verkocht en ik signeerde. Een nieuw loslaten begon, mijn boek moest het nu zelf gaan doen – ik was heel tevreden en opeens ook heel erg moe. Toen de laatste van mijn vrienden de deur uit was bedankte ik barmannen Joep en Tristan en fietste naar huis, een doosje auteursexemplaren in het krat voorop mijn fiets.

De volgende ochtend kwamen de eerste lezersreacties binnen. Misschien klopt mijn gevoel en is Café Dorian een stap omhoog voor mij als schrijver. Ik houd mijn hart vast voor mijn barman, zijn stamgasten, het café. Ik houd mijn hart vast voor mijn vertelster, voor wie er zoveel op het spel staat.

Omslagbeeld: Roger Jansen, Pictorlux

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De ideale gids

Wist je dat er in de benedenhoek van het schilderij Brieflezend meisje bij het venster, doorgaans te zien in de Gemäldegalerie Alte Meister te Dresden, een vingerafdruk zit, waarmee dit werk het enige bewaard gebleven levensspoor van Johannes Vermeer bevat? Ik niet, totdat ik onlangs De wereld op zijn kop. Ontmoetingen met de Hollandse meesters (2023) van Benjamin Moser (1976) las. Moser werd geboren in Texas, kwam tot wasdom in New York City en verhuisde in 2002 naar Nederland voor de liefde. Hij verzachtte de schok van het plotse vreemdelingschap door zelf een culturele inburgeringscursus te ontwerpen in de vorm van veelvuldig museumbezoek, en begon zich te verdiepen in de klassieke Nederlandse schilderkunst. Nu, twintig jaar na zijn migratie, heeft hij de neerslag van dat acclimatiseringsproces vastgelegd in een boek, bestaande uit een reeks van zeventien hecht verbonden essays over laaglandse schilders uit de zeventiende en achttiende eeuw. 

Met ieder hoofdstuk ontsluit Moser een stukje Nederlandse geschiedenis, terloops de belangrijkste politieke, economische, sociale en culturele veranderingen van die tijd vastleggend, maar zijn blik is evengoed die van een kunsthistoricus. De wereld op zijn kop laat zich lezen als een pleidooi voor het realisme van de Hollandse school, dat, afgezet tegen het werk van de destijds dominante Italiaanse renaissancisten, een even ingetogen als radicale innovatie behelsde: ‘Het waren doorgaans kleine schilderijen. Je had geen vierkante meters aan doek nodig om te laten zien hoe een vrouw een brief schreef. Dit waren de weinig sensationele onderwerpen waarin de Hollanders zich specialiseerden. Het ging niet om fantasiebeelden van het hiernamaals of aandenkens aan beroemde gebeurtenissen. Hun thema – en dit was hun grote artistieke vernieuwing – was het alledaagse leven.’ Of, directer geformuleerd: ‘In Holland stelde een soldaat in een kroeg een soldaat voor, en een prostituee die lonkte naar een klant een prostituee.’ Die ongefilterde weergave van de wereld en omarming van het zinnelijke keert in iedere afdeling terug en wordt door Moser steeds soepel en overtuigend teruggeleid tot details van de besproken schilderijen. Zijn begeestering is groot, zeker wanneer hij het werk van Rembrandt en Frans Hals bespreekt; in combinatie met zijn aangename, uitnodigende verteltrant, maakt dat hem tot een ideale museumgids. 

Opvallend is dat alle essays een biografische component hebben. De auteur wilde duidelijk geen genoegen nemen met de ontmoedigende standaardzin in kunsthistorische naslagwerken(‘Over zijn leven is bijna niets bekend.’). Bij zijn beschouwingen betrekt hij daarom onder meer de voortijdige dood van Fabritius door de ontploffing van een buskruitmagazijn, de mogelijke homoseksualiteit van Jacob van Ruisdael, de camp van de slordige bohémien Jan Steen en de ongewone loopbaan van Rachel Ruysch, die als moeder van tien een eigenzinnig oeuvre bijeen schilderde en aanzienlijk succes had in haar eigen tijd. Dat procedé gaat hem zeer natuurlijk af, wat misschien niet verwonderlijk mag heten. Eerder schreef Moser namelijk twee uitstekende, voor mij zelfs voorbeeldige biografieën: Why This World (2009), waarmee hij een internationale herontdekking van het werk van de Braziliaanse schrijver Clarice Lispector (1920-1977) bewerkstelligde, en Sontag. Her Life and Work (2019), bekroond met de Pulitzer Prize. De terugkeer van het verhalende, op het leven achter de kunst gerichte schrijven, laat vooral zien dat hij, ondanks een wissel van genre, zijn metier nog geen vaarwel heeft gezegd.

Met De wereld op zijn kop schuift Moser ook op van biografie naar autobiografie – formeel gezien, althans. We krijgen wat flitsen uit zijn vroegere leven te zien, horen waarom Utrecht de ideale Nederlandse stad is om in te wonen, maar verder blijft de schrijver doorgaans op de achtergrond; een bekwame gids gaat tenslotte niet voor, maar naast de schilderijen staan. Zijn boek is persoonlijk vanwege de inhoud, die veeleer existentieel dan confessioneel van aard is. Moser vertelt dat de kunstwerken en hun makers hem hielpen bij het beantwoorden van de wezensvragen die hem preoccupeerden als jongeman, behept met de drang tot schrijven zonder een duidelijk idee van wat precies. Hij bezwoer de ongewisheid van zijn eigen toekomst door te kijken naar de geleefde levens van anderen: in Rembrandt zag hij het archetype van de duistere romantische kunstenaar, in Lievens dat van de epigoon; tegenover een enigma als Vermeer stonden carrièristen als Flinck en Bol. 

Na twee decennia Nederlandse kunst kijken kan Moser terugblikken op een succesvol voltrokken wordingsproces: in de loop van zijn relaas typeert hij zichzelf meermaals als een schrijver van middelbare leeftijd die de bijbehorende onzekerheden trotseerde en definitief zijn weg heeft gevonden. Als deze vaststelling een lichtelijk melancholische indruk wekt, dan is dat ten onrechte. Er is hier namelijk geen sprake van een einde, maar van een nieuw begin: na zijn successen als biograaf presenteert Moser zich nu voor het eerst in boekvorm als cultuurhistoricus, verhalenverteller, kunstcriticus en autobiograaf. Zijn bewondering voor kunstenaars die zichzelf telkens blijven heruitvinden, mag wat mij betreft ook gericht worden op hemzelf: als lezer ben ik in ieder geval uiterst benieuwd in welke van deze richtingen hij zich al schrijvende verder zal gaan ontwikkelen. 

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.