Fluiten

Mijn wekker ging, ik zette het ding af, draaide me weer om en sliep langer door dan eigenlijk kon. Daarna wurmde ik mezelf los uit de houdgreep van mijn bed, kleedde me aan (onderbroek, sokken, willekeurig wit overhemd, minder willekeurig pak), raapte de krant van de mat en sleepte mezelf naar de keuken.

Het koffiezetapparaat, dat altijd wat slaperig op wacht staat als ik aan kom sloffen, gromde naar me tijdens het zetten. Madame Bovary zag als een opzichter toe hoe ik wat voorovergebogen wachtte tot de koffie klaar was. Nadat het apparaat rustig was uitgedruppeld (het is een oud model) bewoog ik me naar de gordijnen, sjorde die open, keek even naar buiten. Het leek een doodgewone dag.

Aan de keukentafel deed ik iets wat op lezen moest lijken, maar de kop op de voorpagina van de krant krabde aan mijn netvlies, bonkte in mijn hoofd, legde een klamme hand rond mijn hals en kneep. Naar de foto’s keek ik niet, zoals je soms ook je hoofd afwendt bij een verkeersongeluk, maar in gedachten toch het autowrak ziet.

Er waren wat vrienden die berichten in mijn telefoon stuwden van boosheid, angst, moed, veerkracht, vastberadenheid – de termen die zo krachtig klinken als ze vooraf worden gezegd, maar voelen als een leeggelopen ballon nadat er iets ergs is gebeurd.

In de middag dwong ik mezelf naar buiten, pakte mijn fiets en trapte naar het winkelcentrum voor wat boodschappen. Als dit een slechte film was, dacht ik, of een middelmatig boek, dan zou de zon ineens dwars door een wolkendek breken, een vrouw zou me zonder reden vriendelijk groeten en een begrijpende blik toewerpen, iemand zou een bejaarde op de parkeerplaats helpen met het tillen van de veel te zware boodschappentassen. Er zou hoop gloren, hoe suikerzoet en clichématig ook, maar het zou er zijn. En dan zou ik geheeld weer doorlopen.

Er gebeurde niets. Ik slenterde door het grijze winkelcentrum, vroeg me bij elk gezicht af waar ze op gestemd hadden, liep langs een draaimolen met kranten, waar de koppen met hun lange, benige vingers naar mijn gemoed gristen.

Hoop, dacht ik, hoop is misschien ook het probleem bij een ander in de schoot werpen, terwijl je zelf in een hoekje kruipt en wacht tot het is opgelost. Daar was niemand nu mee geholpen. Wie te lang lamgeslagen is laat de ander winnen, dus moesten we door. Zekerder dan ooit, uitgesprokener dan voorheen, veerkrachtiger dan we al waren.

Ik las in columns en op sociale media dat veel mensen de haat een virus in onze maatschappij noemden, een vergiftiging van de samenleving – als dat zo is, dan zij wij, de verdraagzamen, zelf het tegengif.

Met die vastberadenheid haalde ik mijn fiets weer van het slot, schakelde mijn versnelling omhoog en fietste naar huis.

En als ik kon fluiten, had ik dat gedaan, niet zacht, maar luid. Het zou een strijdbaar deuntje zijn geweest.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

recent

Kamp 21 Pasi

Vingerwijzen. Meer vragen dan antwoorden. Verdriet en woede. Op 20 november 2023 kwamen vijftien illegale gouddelvers van Kamp 21 Pasi in het Matawai-gebied in Brokopondo, Suriname om het leven, toen de mijnschacht waarin ze goud zochten instortte. Dit gebeurde op een concessie die toebehoort aan Zijin/Rosebel Gold Mines, een grote goud multinational. Zo’n incident deed zich al eens voor in 2010, dezelfde periode van het jaar, hetzelfde gebied. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje in enkele minuten. Een deel van de samenleving vond dit gebeuren erg. Een ander deel oordeelde snel dat de gouddelvers dit zelf hebben gezocht omdat zij, los van illegaal, ook weinig veiligheidsmaatregelen hadden getroffen om een ramp te voorkomen. Feit is dat Suriname jonge zonen heeft verloren in de bloei van hun leven. Een ontwikkeling die voorkomen had kunnen worden als er betere kansen door opeenvolgende regeringen waren gecreëerd voor de binnenlandbewoners om duurzaam geld te verdienen.

Er wordt al verschillende jaren gesproken over ordening van de goudsector in Suriname. Maar voor wie eigenlijk? Hoe moeten de binnenlandbewoners duurzaam geld verdienen als er nauwelijks mogelijkheden zijn en ze dan ook geen goud mogen zoeken?

Dit jaar heeft Suriname veel drama’s te verwerken gehad. Op 17 februari hadden we de rellen in de binnenstad, op 2 mei vonden twee Inheemsen de dood tijdens rellen in Pikin Saron tegen de gronduitgifte die daar had plaatsgevonden en nu is deze ontwikkeling in het binnenland erbij gekomen. Deze zaken worden opgeteld bij de economie die het land doormaakt waardoor er steeds stakingen plaatsvinden die het onderwijs en de dienstverlening stagneren.

Het is geen geheim dat er minder in het binnenland wordt geïnvesteerd om dat te ontwikkelen door de regering, vergeleken met de hoofdstad van Suriname, Paramaribo. Het onderwijs in het binnenland is er slecht aan toe.  Je kunt niet tot de middelbare school gaan en moet naar de stad voor vervolgonderwijs. De gezondheidszorg is ook niet optimaal. De samenlevingen daar hebben niet veel opties wat geld verdienen betreft. Een beetje landbouw, houtkap, vermarkten van bosbijproducten, boot transport en toerisme. De illegale goudwinning lijkt soms het enige waar zij toch aardig wat verdienen.

Andere productiesectoren krijgen weinig aandacht vergeleken met de mijnbouw. Dit terwijl investeren in menselijk kapitaal en het verwerken van bosbijproducten het land veel kan opleveren. Ook het toerisme, als natuurlijk de transportkosten (boot en vliegtuig) tot redelijke proporties kunnen worden gebracht.

Het is voor de verschillende non-gouvernementele organisaties nog steeds onduidelijk welke richting de Surinaamse regering op wil met het bos van het land. Streven naar natuurbehoud door beter bosbeheer of juist de mijnbouw en grootschalige landbouw in het binnenland stimuleren. De Inheemsen en Tribale volkeren wachten nog steeds op de formele toekenning van hun grondenrechten. Echter wordt juist aan de andere kant grondconversie goedgekeurd waarbij personen die grond in grondhuur hebben heel goedkoop dat kunnen omzetten in eigendom. En dan maakt het niet uit hoeveel percelen je hebt.

Uiteindelijk komt het erop neer dat door goed bestuur het land in zijn totaliteit kan worden ontwikkeld en niet slechts enkele delen. Daarvoor moet een goed en integraal plan worden ontwikkeld waarbij bosbehoud ook wordt meegenomen. Aan de vooravond van vijftig jaar onafhankelijkheid over twee jaar is het belangrijk dat een goede richting wordt bepaald welke het land moet opgaan. Dit is niet alleen belangrijk voor de burgers van nu, maar ook voor de komende generaties. Daarbij kan er strategisch worden samengewerkt met het buitenland.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Vertelstem

‘Misschien is het eerder zoals een jachthond een geurspoor volgt. Zo’n beest weet helemaal niet wat hij doet, hij volgt slechts zijn neus. Het is zijn onbewuste manier van doen, zijn intuïtie.’ 

Uit: De schim van Raamswolde

Gisteren las ik nog eens mijn blog van vorige week, over de boekpresentatie en de uren die daarop volgden, en besloot ik dat het tijd werd om de balans op te maken. Ik legde alle acht stukken die ik tot nu toe voor Tirade geschreven heb naast elkaar ter vergelijking. Het volgende viel op: schreef ik de eerste vijf weken vooral over schrijven en lezen, later werden beide verdrongen door ontboezemingen over de man (de hondenbezitter, de vader, de debutant) achter het boek. Schrijven versus schrijver zijn, kort gezegd. Het is er ingeslopen. Twee dagen geleden was ik nog voornemens deze lijn door te trekken en in dit blog fragmenten uit mijn dagboek op te nemen. Wat huiselijke taferelen, een mini-signeersessie in Amersfoort, enkele korrels zelfmedelijden en een flinke scheut zelfspot. Het materiaal lag er, ik hoefde alleen maar een selectie te maken. Toch heb ik besloten hiervan af te wijken. Niet omdat het te makkelijk zou zijn (immers, mijn tweede blog was een kant-en-klaar romanfragment), maar omdat de eerste paar blogs op veel meer enthousiasme van lezers konden rekenen dan de latere. 

Terug naar het schrijven zelf, dus. Daar gaan we. 

De eerste reacties op De schim van Raamswolde druppelen binnen. Van vrienden, familieleden en collega-schrijvers, helaas nog niet van recensenten. Wat mij opvalt is dat vrijwel iedereen die iets over het boek zegt, de vertelstem van hoofdpersoon Allard noemt. Het stemt mij ook gelukkig, want het oordeel erover is (tot nu toe!) zonder uitzondering positief. Wel is het iets waar ik, gek genoeg, tijdens het schrijven geen moment over heb nagedacht. Natuurlijk heb ik mijn hoofd gebroken over de handelingen en de compositie, maar ik kan mij niet herinneren dat ik iets heb moeten schrappen omdat Allard dat niet op deze of die manier zou zeggen.

Is het register dat ik hanteer het gevolg van een door vele vlieguren gerijpte stijl, of is het vanzelf gegaan omdat het boek volledig uit Allards brieven bestaat?

Vanzelf? 

Wat brieven delen met een dagboek (en dus ook een briefroman met een roman in dagboekvorm) is een zekere vrijblijvendheid – losheid, misschien zelfs –, in die zin dat de schrijver ervan niet vastgepind kan worden op wat hij schrijft. Een dagboek is doorgaans niet voor andermans ogen bestemd, dus het hoeft allemaal niet logisch of correct te zijn. (Aan wie dit betwist: geef mij onmiddellijk jouw dagboek te lezen, als je durft.) Boude uitspraken of kromme zinnen in brieven kunnen in latere epistels weer rechtgezet worden, iets wat Allard dan ook doet. In beide vormen kun je je als schrijver dus een beetje uitleven. Je mag je laten gaan. Zoals Jeroen Brouwers eens over zijn epistolaire kunst zei: ‘Je chargeert gemakkelijk, vooral in brieven, ook omdat brieven weinig beredeneerd en weinig overwogen geschreven worden, juist vanuit die spontaniteit.’* 

Goed, dat hebben we. Laat ik zeggen dat die losheid, of die spontaniteit waar Brouwers het over heeft, onontbeerlijk was voor het tot wasdom komen van mijn vertelstem. Zoals zonlicht dat is voor de groei van de meeste planten. 

Maar dat alleen is niet genoeg, want hoe voel je dan aan wat de fictieve briefschrijver wel of niet op een bepaalde manier zou zeggen? Je moet de briefschrijver worden. In zekere zin ben je het al (jij schrijft per slot van rekening die brieven), maar dat betekent niet dat het er ook uitkomt. Er moet iets gecreëerd worden – een situatie. 

Ik ging tafel zitten met niets meer dan een pen en een vel papier. In de rechterbovenhoek schreef ik een plaatsnaam en een datum. Daaronder, links nu, de aanhef. In de hoop de briefschrijver in mij tot leven te wekken. 

Een echte brief kan niet vol staan met doorhalingen, dat is geen gezicht. Bovendien kan een dergelijk schrijven doorgaans niet te lang op zich laten wachten. Je moet jezelf dwingen om niet al te veel tijd te nemen. Je begint voor de vuist weg, je reageert op een denkbeeldige penvriend en je stelt al schrijvende bij. En zo groeit de vertelstem van het personage en groeit in jou het besef dat je dat personage aan het worden bent, met al zijn grilligheden en fouten. Een vergelijking met acteren dringt zich op, maar het is acteren en scriptschrijven in een. Improviseren, daar lijkt het misschien nog het meest op. Denk ik. Het gaat vanzelf, onbewust. Je hebt alleen de omstandigheden ernaar gemaakt. 

En zo is dit stuk ook een beetje een verhaal geworden over de man achter het boek: de briefschrijver. 

*Uit de documentaire Wie schrijft die blijft (1987).

"Foto van Alexander Baneman"
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.