Hulpje en schrijver

‘Pap, ben jij dokter?’ vroeg mijn dochter jaren geleden. 

‘Nee, hoor,’ antwoordde ik. ‘Hoezo?’ 

‘Je werkt toch in het ziekenhuis?’ 

‘Jawel, maar dan hoef je nog geen dokter te zijn.’ 

‘Verzorg je dan de zieke mensen?’ 

‘Nee, ook niet.’ 

Ze dacht even na en riep: ‘O, dus je bent maar het hulpje!’ 

Mijn vrouw en ik lachten erom, maar pijnlijk was het wel een beetje. Vooral dat ‘maar’ – ‘maar het hulpje’. 

Ik heb nooit carrière gemaakt. Nooit willen maken, kan ik misschien beter zeggen. Sinds ik in 2010 in het ziekenhuis ging werken ben ik post- en archiefmedewerker. Ik ben in die dertien jaar nooit hogerop gekomen. Mijn functie is onderdeel van de Ondersteunende Diensten, dus ja: ik ben een hulpje. Het was ooit de bedoeling dat ik dit tijdelijk zou zijn. Collega H. wrijft het er altijd in als ik hem tegenkom. 

‘Loop jij hier nou nog rond, kerel?’ 

‘Ja.’ 

‘En je had zo’n mooie opleiding gedaan. Iets asociaals, toch?’ 

‘Sociologie,’ zeg ik dan trouw. ‘Uiteraard niet afgemaakt.’ 

‘Dat zeg ik. Studeren van mijn belastingcenten en het verdorie niet afmaken. Dat noem ik knap asociaal.’ 

Dan lacht hij luid, klopt mij op de schouder en vraagt of het goed met mij gaat. 

Vanaf het moment waarop ik besefte dat ik niets anders wil dan schrijven, heb ik mijn leven in dienst gesteld van die activiteit. Wie het een hobby noemt, heeft er niets van begrepen. Ik schreef verhalen en gedichten, stuurde deze naar de bladen, kreeg afwijzing op afwijzing. In wanhoop zocht ik contact met gearriveerde schrijvers. Sommige waren bereid mijn teksten te lezen en tips te geven. Ik móést publiceren, mezelf op de kaart zetten. Die publicaties kwamen er ook, in De Revisor en Tirade. Na een mislukt traject bij een andere uitgeverij werd ik opgemerkt door Van Oorschot. Ik kreeg het auteurscontract op mijn verjaardag. (Dat gegeven vatte ik op als een gunstig voorteken.) Ik begon aan de roman te werken die toen nog Eigen haard heette. Elke twee, drie maanden ging ik naar de uitgeverij om de voortgang te bespreken. Ik ontving lof (en boeken), maar ook (broodnodige!) kritiek. De laatste twee jaar nam het schrijven mij volledig in beslag. 

Afgelopen maandag stuurde Menno mij een appje: ‘Boek is er, Alexander!’

Samen met mijn gezin ging ik naar de uitgeverij. We hadden taart mee. Sonja, Marko, Emmelie en Yara waren er ook. Op de tweede verdieping, in het kantoor kreeg ik dan eindelijk De schim van Raamswolde in handen. De exacte woorden die toen uit mijn mond kwamen kan ik nu niet reproduceren; ik kan ze mij domweg niet herinneren. Misschien later wel, als de euforie wat gezakt is. Ik bladerde in het boek, draaide het rond, opende en sloot de flapjes. Ik rook eraan. We aten taart en babbelden wat, want het officiële moment vindt volgende week pas plaats. We luisterden naar de kinderen die volledig opgingen in hun eigen gesprek en totaal geen besef hadden van het feit dat ze zich op (voor hun vader) heilige grond bevonden. Er werd een foto genomen. Daarna was het tijd om naar huis te gaan. Ik kreeg twintig exemplaren van mijn roman mee. 

Op de keukentafel stalde ik de boeken uit. Gewoon om ernaar te kijken. Steeds weer. 

Dinsdagmiddag, toen mijn dochter samen met een vriendinnetje uit school kwam, lagen ze er nog. Ze pakte er een van tafel en zei trots: ‘Dit boek heeft mijn vader geschreven. Hij is schrijver.’ 

Kijk, dat klinkt toch heel wat beter dan ‘hulpje’? Collega H. ben ik deze week nog niet tegengekomen, maar ik denk dat er een einde komt aan zijn running gag

De schim van Raamswolde ligt 16 november in de betere (online) boekhandel. 

"Foto van Alexander Baneman"
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

recent

‘De dorst iets op te vissen uit de afgrond van de tijd’ Lezen over Rusland

(De wereld in stukken 41)

Een hoge legerleider besluit in opstand te komen tegen de Russische overheid en stuurt een ultimatum dat de grote baas niet meer naar de ministers moet luisteren maar eist een gesprek met hem.  

Komt dit je bekend voor. Prigosjin en Poetin? Ja, Maar ook Luitenant Schmidt en Tsaar Nicolaas II. Luitenant Schmidt is een heel bijzonder een vreemd lang poëem waarin de opstand van de luitenant van de Zwarte Zeevloot centraal staat, na de revolutie van 1905. Schmidt houdt een gloedvolle rede bij de begrafenis van de revolutionair Bauman en wordt later gevraagd door muiters het bevel over te nemen. Zijn schip voert dan de vlag ‘Ik commandeer de vloot. Volg mij.’ Maar het loopt slecht af, zijn eis wordt niet ingewilligd maar hij wordt opgepakt en in 1906 op een eilandje geëxecuteerd.

Pasternak schrijft het lange gedicht in 1926. Majakovski is er wild van. Tsvetajeva heeft veel commentaar, maar draagt het wel een aantal keren voor. De correspondentie die Schmidt voert met Zinaida Riesberg speelt een belangrijke rol. Liefde en heldenmoed dus, echt Pasternak. Zij probeert hem in zijn verbanning nog te bereiken in een eveneens echt Pasternakse passage:

‘Waar ooit een pogrom heeft gewoed, baant naar het plaatsje Romny
De posttrein zich een weg, hij spoedt zich door de sneeuwjacht heen,
Buiten – kaarsstompjes vonken en de wervelwinden grommen,
De hete moeren fonkelen, het kwik danst op de rails.
Vuren en vonkjes knetteren, boven haar hoofd gaan vlagen
van rook achter de reizigsters over de wenteltrap.’*

Ze is op weg naar Otsjakov, waar het schip van Schmidt met dezelfde naam gebouwd is. Later zal ze op de Zwarte Zee langs het gedoemde eilandje varen waar hij dan al vermoord is.

 In de Russische literatuur zijn nog een paar van dergelijke politieke stukken die heel interessant zijn: Tolstoj’s Hadji Moerat, over een islamitische ‘War Lord’ avant la lettre die moet kiezen tussen zich voegen of zich doodvechten, een prachtige novelle, en een journalistiek long read avant la lettre. En natuurlijk de Kapiteinsdochter van Poesjkin, over de Poegatsjovopstand.

Russen over hun eigen geschiedenis. In Nederland kun je in het Verzameld Werk in zeven delen van Karel van het Reve – voor de gelukkigen die dat ooit in bezit kregen een aanhoudende bron van vreugde – of in de nu nog leverbare Geschiedenis van de Russische Literatuur of Karel voor beginners en gevorderden heel goed veel ‘secundairs’ lezen over Rusland. Van Oorschot voert al sinds jaar en dag De geschiedenis van Rusland van J.W. Bezemer die later steeds geüpdatet is door Marc Jansen die naast zijn Grensland Geschiedenis van Oekraïne nog twee boeiende boeken schreef bij ons: een geschiedenis van Georgië onder de titel Belaagd paradijs, en De toekomst die nooit kwam, hoe Rusland worstelt met zijn verleden.

Afijn, ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend.’

Tot mijn verbazing lees ik nu net op onverwacht plek dit: ‘De oorlog is derhalve onvermijdelijk het enige middel om Rusland bij te brengen dat Europa niet zal zwichten voor de ongebreidelde expansie van hun grondgebied en macht, en de constante dreiging van hun duizenden kanonnen en miljoenen manschappen.’** Een analyse van de Russische dreiging uit onverwachte hoek: een uitgebreide brief van Alfred Russell Wallace uit 1856 vanuit het Maleisisch eilandenrijk over de Krim-oorlog.

En l’histoire se répète. Eindeloos. 

*vertaling Margriet Berg en Marja Wiebes, **vertaald door Ruud Rook.

Ook lezen: Ryszard Kapuściński Imperium, ‘a personal, brilliantly detailed exploration of the almost unphatomably complex Soviet empire in our times.’

Op deze kaart: Verhovansk. Wikipedia zegt: ‘Tussen 1860 en 1917 werd ze vooral gebruikt als politiek verbanningsoord.’ Zucht. Echt elk dorp in Siberië lijkt ooit een verbanningsoord te zijn geweest.

Naar kaart 42

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Een soort legpuzzel

En toen hadden we het zomaar over onze ouders. Hoe het precies gebeurde kan ik me niet goed herinneren, maar dat doet er ook niet toe.

Ik zat met mijn Amsterdamse neven en Utrechtse nicht in een kroeg. We waren eerder die avond op een verjaardag geweest. Het was de eerste keer dat ik echt met mijn Amsterdamse neven sprak. Vroeger, als kleine kinderen, hadden we elkaar natuurlijk zo nu en dan gezien, maar ja, toen waren we klein en hadden we niet zoveel met elkaar op. Mijn Utrechtse nicht zag ik vaker.

We hadden het eerst over onze grootouders. Misschien maakte dat de stap naar onze ouders kleiner. Onze grootouders woonden in Driebergen, in een rustige buurt, waar voor ons als kinderen niet veel te doen was (in totaal zijn er zeven kleinzonen en twee kleindochters). We hadden het erover hoe we elk muurtje in de buurt van het huis van onze grootouders wel hadden gebruikt als ‘buut’ bij verstoppertje. Hoe vaak we daar niet hadden gevoetbald, met jassen en sleutels als doelpalen, die we soms snel moesten opruimen als er een auto aankwam (ik verschoof de doelpalen van de tegenstander wel eens stiekem met mijn voet als niemand keek). Iemand memoreerde dat we ook eens boven in het huis achter een computer belandden waar we tetris speelden, met z’n allen op één toetsenbord. En dat we met Kerst vaak dia’s bekeken, op een scherm geprojecteerd. Hoewel we elkaar weinig hadden gezien, bleken we toch vele gedeelde herinneringen te hebben.

Maar we begonnen elkaar ook vragen te stellen. Over hoe wij ons onze grootvader, pake, herinnerden, die ons hele bestaan half-verlamd in een rolstoel heeft gezeten. Over waarom we eigenlijk niet vaker een familiereünie hebben gehad. Over de gelijkenissen tussen mijn vader en mijn oom (de vader van mijn Amsterdamse neven). We vroegen ons af of wij elkaar vaker hadden gezien als pake niet half-verlamd in een rolstoel had gezeten. Uit de verhalen van onze ouders kwam hij altijd naar voren als een verbinder, een man met veel energie die waarschijnlijk veel had georganiseerd om de familie vaak bij elkaar te hebben: verjaardagen, feestjes. Misschien hadden we dan wel eens met z’n allen Sinterklaas gevierd in Driebergen.

Naarmate het gesprek vorderde, had ik het gevoel alsof we met z’n allen een legpuzzel aan het maken waren. We begonnen de verhoudingen in onze familie te bekijken. Iedereen vertelde wat hij of zij wist over of vermoedde van de reden waarom bepaalde broers en zussen (onze ouders dus) een iets hechtere band met elkaar leken te hebben dan met de anderen. De een legde uit dat hun ooms en tantes, onze oudooms en oudtantes, er iets mee te maken hadden. Een ander vertelde dat hun grootouders, onze overgrootouders, ook veel invloed hadden gehad. Nu is mijn familie een hele gelukkige familie waar iedereen goed met elkaar kan opschieten, dus grote, smeuïge ontdekkingen heb ik niet gedaan, maar kleine verklaringen kreeg ik wel: voor gedrag, voor de irritaties die er soms – zoals in elke familie – zijn, voor bepaalde gebeurtenissen van vroeger.

Interessant genoeg heb ik de afgelopen tijd steeds vaker dit soort legpuzzelervaringen, niet alleen wanneer ik met mijn neven of nichten praat, maar ook als ik met oude vrienden spreek. Alsof het bevragen van vroegere gebeurtenissen en de menselijke relaties om ons heen ineens hele natuurlijke en logische gespreksonderwerpen zijn geworden. Met menselijke relaties bedoel ik zowel liefdesrelaties, als vriendschappen, als de band tussen broers en zussen, als ook gewone groepsdynamiek. Zo zat ik begin september met een oud-klasgenote in een café en toen hebben we veel gesproken over onze tijd op het gymnasium in Leiden. Onze schoolgenoten daar, de docenten, het milieu eigenlijk. Ook tijdens dat gesprek vielen er allerlei stukjes op hun plaats.

De gesprekken gaan vaak eerst over hele andere dingen: politiek, het nieuws, studie. Maar op een zeker moment buigt het gesprek af naar het gedeelde verleden en dan stelt een van de aanwezigen over een bepaalde gedeelde ervaring een vraag, en van het ene op het andere moment ben je aan het puzzelen.

Het komt natuurlijk door mijn – onze – leeftijd. We zijn oud genoeg dat bepaalde gebeurtenissen en/of spanningen tussen mensen, van vroeger of nu, ons opvallen. Bovendien zijn we oud genoeg om alles wat we vroeger hebben gehoord of op een andere manier ontdekt, te ordenen en met elkaar in verband te brengen. Ik weet niet of dat bewust of onbewust gebeurt, maar dat doet er ook niet echt toe.

Dat je samen met anderen puzzelt is wel belangrijk, omdat iedereen een eigen beetje kennis met zich meebrengt, waardoor het geheel duidelijker wordt. Want daar gaat het om: de samenhang wordt duidelijker. Of dat nu de relaties tussen broers en zussen betreft of de redenen waarom bepaalde mensen op zeker moment niet meer meegingen op familievakantie. Er worden verbanden getrokken tussen verschillende ervaringen en verschillende stukjes kennis. En dat is moeilijk om in je eentje te doen.

Daarnaast zijn we oud genoeg om serieus met elkaar over deze dingen te spreken. Misschien weerspiegelt dat ook onze behoefte om er over te praten. Of, wellicht is ‘behoefte’ een wat groot woord, en is ‘interesse’ beter. We vinden het interessant genoeg om het erover te hebben. Het geeft wat duiding aan vroeger en daarmee mogelijk aan het nu. Daarnaast is het ook gewoon een combinatie van herinneringen ophalen, wat altijd voor een vrolijke sfeer zorgt, en roddelen, wat eveneens vaak leuk is. Het hoeft niet in een hele serieuze sfeer plaats te vinden, wil ik maar zeggen.

Aan het eind van de avond, toen de kroeg bijna sloot, stonden we op. We besloten dat we maar eens een neven-en-nichten-dag moesten organiseren, om eens met iedereen van onze generatie samen te komen. Ik ga ervan uit dat we dan een nog grotere puzzel zullen leggen.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.