Psychologie – over kleur in het leven

De encyclopedie van het geluk 23

Hoe het licht door het raam valt bepaalt bij glas-in-lood hoe kleurig de afbeelding wordt. In de nacht is er geen kleur. Generaties kerkgangers moeten op sombere en op zonnige dagen tijdens lange kerkdiensten afdwalend de vergelijking hebben getrokken tussen stemming en kleur. Lang voor de psychologie gemeengoed werd. De kerkvloer is steengrijs, óf spat van de kleuren. Somberte is alomtegenwoordig óf het leven lacht je toe.

In Paustovski’s Tijd van de grote verwachtingen beschrijft hij een reporter-collega Arenberg in Odessa die altijd staat te dansen van geluk als er iets gebeurt: ‘Het leven zelf als perpetuum mobile met al zijn details en verwikkelingen, intrigeerde hem, los van wat dit met zich mee kon brengen: geluk of ongeluk. Natuurlijk was dit ook wel belangrijk voor hem. Maar op de tweede plaats.’  

Dat is misschien iets om naar te streven: in dat geval schijnt het licht door alles wat je meemaakt, er gebeurt zoveel interessantst op dit moment! Venezuela! Groenland!

Hoe je te wapenen tegen wat het leven voor je in petto heeft kun je heel goed leren in case studies van psychologen en psychiaters. Ik las onlangs een heel geweldige: The Examined Life van Stephen Grosz. En ik bleef tijdens het lezen maar roepen dat dit een heel belangrijk boek is. Portretten van worstelende mensen, zoals waargenomen door een goede psychotherapeut, kunnen extreem leerzaam zijn. De menselijke geest is veelzijdig en soms bizar, maar vertoont op cruciale momenten ook veel consistentie en althans overeenkomst of gelijksoortigheid. Er is aan te sleutelen. Met andere woorden: van andermans geestelijke problemen kun je enorm veel oppikken. In afdelingen met titels als ‘beginnen’, ‘liegen’, ‘liefhebben’, ‘veranderen’ en ‘vertrekken’ voert Grosz enkele tientallen van zijn patiënten op die hem een inzicht brachten, en daarmee de lezer aan een geweldig inzicht kunnen helpen. Het boek is kristalhelder, empathisch en zeer weldoordacht geschreven. Ik stond half genezen op uit de divan waarin ik had liggen lezen.

In The New Yorker las ik over Oliver Sacks, die andere meester van de case study. Is het nou erg dat hij veel van zijn personages opgeladen heeft met zijn eigen persoonlijke worstelingen en bijzonderheden, karaktereigenschappen? Wel als je een groot geloof hecht aan non-fictie: de feitelijkheden. Dat heb ik denk ik nooit gedaan. Waarheid en waarheid zijn in geschreven teksten verschillende dingen: van mij mag je inzichten vanuit verschillende personages samenvoegen. Het wordt daarmee minder waar en meer waar tegelijk.  Alleen zul je het wel moeten melden. Als je toegeeft dat je fictionaliseert is er geen probleem.

Hoe echt zullen de case studies in de befaamde Psychopathica Sexualis van Richard Freiherr von Krafft-Ebing zijn? Bestaan zulke bizarre seksuele aberraties wel? Het vreemde van dit boek is dat je in al die werkelijk afgrijselijke seksuele afwijkingen zo’n groot medeleven voelt met de mensen die hieraan lijden. Dat is ook wat overheerst in het Oliver Sacks’ verhaal: hoe komt een man van zijn intelligentie en vooral van zijn kennis van de psychiatrie tot het bewust een groot deel van zijn lange leven onderdrukken van zijn homoseksualiteit? Het is een zeer droevige geschiedenis. Hij lijkt weliswaar weloverwogen maar toch een principieel verkeerde keuze te hebben gemaakt.

Intussen koos hij blijkbaar voor Arensbergs oplossing: hij verlustigde zich in al het interessants wat er op de wereld te zien was zonder al te veel met geluk of ongeluk bezig te zijn. En maniakaal schrijven. Anderhalf miljoen woorden per jaar.

Voor hem pakte dat alles denk ik niet zo goed uit.

[…]

Ik ben moe, ik denk
waaraan ik niet denken kan – aan de stilte die heerst
in een bos, als de vogels al slapen,
aan het naderende einde van de zomer.
Ik hou mijn handen tegen mijn hoofd,
als wilde ik het beschermen tegen vernietiging.
Van buiten gezien kan ik welzeker
onbeweeglijk lijken, haast levenloos,
berustend, beklagenswaardig.
Alleen is dat niet waar – ik ben vrij,
misschien zelfs gelukkig.
Ja ik houd mijn handen tegen
mijn zware hoofd,
maar daarin wordt juist een gedicht verloren.

Uit Adam Zagajewski, ‘Zelfportret in een vliegtuig’, vertaling Karol Lesman

Fascinerende verzamelingen case studies:

Stephen Grosz The Examined Life. How we lose en find ourselves
Douwe Draaisma Ontregelde Geesten
Oliver Sacks The Man Who Mistook his Wife for a Hat
Irvin D. Yalom Staring at the Sun: Overcoming the Terror of Death
Richard Freiherr von Krafft-Ebing Psychopathica Sexualis


Konstantin Paustovski Tijd van de grote verwachtingen, vertaling Wim Hartog

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Feestweek

Toen ik jong was – onder de vijfenveertig – heette de periode tussen kerstavond en nieuwjaarsdag onder mijn vrienden De Feestweek. Er gold dan één harde regel: als een vriend je smste dan moest je komen.

Ik herinner me karaoke-zingen in een verder lege Meander op Eerste Kerstdag; bachata dansen (wat ik eigenlijk niet kan) in de Savoy met een al dan niet echte politieagente die al dan niet echt een vrouw was; een bunkerfeestje in Noord waar de vloer bezaaid lag met een lichtgevend groene drab – mijn vriend Abel gleed uit, viel op zijn zij en was de rest van de nacht voor de helft lichtgevend groen.

En er was meer, veel meer, maar mijn punt is dat die Feestweken even geweldig als slopend waren: vrijwel geen slaap, veel alcohol, en drugs waar mogelijk. Meestal was de week erna de uitziekweek.

Zo’n echte Feestweek gaat niet meer – ik heb het vorig jaar nog geprobeerd, maar strandde al op derde kerstdag. Er zouden die avond vrienden langskomen, ik zou koken en dat héb ik ook gedaan. Praten lukte me alleen niet meer.

Je zou kunnen zeggen dat ik als vijftiger wat laat ben met het besef dat ik te oud word om een week wakker te blijven en daarbij zoveel in te nemen. Je zou gelijk hebben. Dit jaar lag ik steeds vóór halfdrie in bed. Ik heb op twee dagen zelfs nauwelijks gedronken. Mede daardoor herinner ik me:

Karaoke-zingen met mijn dochter bij haar tante op het platteland, en hoe mooi de zonsondergang daar was.

Mijn vrienden Arie en Marijn te eten hebben, en dat Marijn – een wiskundig wonder en de jongste professor van de prestigieuze Carnegie Mellon-universiteit in Pittsburgh – zich urenlang verloor in het afmaken van een puzzel van drieduizend stukjes met mijn zoon;

Koken bij me thuis met mijn collega’s van De Druif en onze curry daarna met het voltallig personeel opeten in ons zoete warme cafeetje;

Op babybezoek gaan bij een vriend en het badeendje dat mijn dochter voor zijn kindje uitzocht – het kostte Ada een halfuur om exact het juiste eendje te vinden in zo’n kuttige toeristenwinkel;

Een kerstdiner met mijn schoonfamilie in het tweede jaar zonder mijn ouders – dat ik ze steeds meer begin te missen en dat ik daar heel blij mee ben;

Gourmetten bij vrienden en dat ik gourmetten tot mijn grote schaamte steeds minder kut vind;

Borrelen met mijn oude feestweekvrienden en dat ik die avond om elf uur in bed lag;

Dansen in de woonkamer met vrienden en familie en dan op het dak kijken naar het laatste Amsterdamse vuurwerk ooit;

Vanaf dat dak de Vondelkerk zien afbranden aan de andere kant van de stad.

Een droevig afscheid van een levenslange traditie, dat benadrukte dat Amsterdam daar, net als ikzelf voor de feestweek, écht te oud voor is geworden.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De gelukkige tijdsprong – over je hoofd als schedel

De encyclopedie van het geluk 22

Ian McEwans recente roman What we Can Know speelt gedeeltelijk in de toekomst. Twee wetenschappers in een Engeland dat alle schade van de klimaatcrisis al heeft ondervonden, zoeken naar informatie over een dichter die in onze tijd leeft en een sonnettenkrans schreef: een ‘corona’, zoals dat genoemd wordt, waarbij het 15e en laatste sonnet uit alle eerste regels bestaat.

Een heel eenvoudige weg naar geluk is dat je je verplaatst in een situatie die heel veel erger is. Een van de wetenschappers in de 22ste eeuw uit het boek verliest zich in verlangen naar de tijd die hij bestudeert. Onze tijd. Zo’n tijdsprong werkt dus gelukkigmakend. Voor hem is het escapisme, voor ons is het het besef dat je zou kunnen verlangen naar deze tijd. De dystopie als gelukshulp. Kampliteratuur lezen werkt op dezelfde manier. De hoofdpersoon in Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale wordt diepgelukkig als ze een vrouwentijdschrift krijgt uit de tijd dat die nog mochten. De heerlijke onnozelheden waarvoor je toen nog kon kiezen. Dit alles gaat over wat nu wel bereikbaar is, maar ooit misschien niet.

Een andere gelukkigmakende, want relativerende gelukssprong is die van het je de wereld voorstellen als de mensheid al verdwenen is. Het filosofische sub specie aeternitatis; van onder het aspect van de eeuwigheid wordt dagdagelijks leed onbelangrijk.

Op zoek naar een sonnettenkrans zoals die door McEwan beschreven werd liep ik tegen Edna St. Vincent Millay op, de Amerikaanse dichteres die Vasalis zo goed vond. In haar reeks ‘Epitaph For the Race of Man’ luidt het vijfde sonnet:

v

Wanneer de mens verdwenen is en slechts goden
over de wereld zwerven, hun machtige lijven omgord
met gouden schild en gouden krullen kort
over hun kinderlijke voorhoofden; als de dode

ronde mensenschedel wordt opgetild en dan weer achtergelaten
door een terugtrekkende golf, tussen het zand
en de kiezelstenen van het strand —
welke tong zal dan over het wonderlijke mensenbrein nog praten:

deze schelp vol wind, zwaar van muziek ooit,
zwaar van kennis over sterrenconstellaties,
de voormalige bewoner van deze tochtige hal,

heeft zelf voorspeld in een tekst die met geleerdheid strooit,
na eeuwen van studie, verstoord door strijd tussen naties,
Deze getande pompoen, dit hoofd schoongeveegd van al.

(Voor het natuurlijk veel mooiere Amerikaans, zie:

https://millay-a-day.tumblr.com/sequences )

Het is een wonderlijke vreugde: de vreugde van het klein maken van de dagelijkse ellende in de wereld zoals 2025 er het nodige van zag, en je een wereld voorstellen waar je schedel over de keien ratelt.

Waarom is dat gelukkigmakend? Omdat het ergste dan niet erg lijkt te zijn. Vanuit dat perspectief.

Tegelijkertijd neem ik me voor om eens nauwkeurig onderzoek te doen naar wat je zoal nog meer gelukkig maakt.

Gelukkig nieuwjaar!

(een klein schot voor de boeg, wat me bijvoorbeeld gelukkig kan maken is een heel goede foto, zoals deze van Edna St. Vincent Millay door Arnold Genthe…

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.