Een stuk van de taart – ongeclaimd land

(De wereld in stukken 40)

Wat zou er gebeuren als ik iemand vermoord in Marie Byrds Land? Het zou geen verstandige actie zijn, en moordlustig ben ik niet. En in deze witte en blauwe plek is het zo koud dat ik ook mijn grootste vijand beter dicht in de buurt zou houden om warmte te delen. Mijn neiging zou toe te schrijven zijn aan een zekere internationaal juridische interesse.

Marie Byrds Land is het grootste stuk ongeclaimd land op aarde, met 1,610,000 km2 is het iets groter dan Mongolië. Wiens wetten gelden er? Die van het Antarctic Treaty System uit 1959, die verdere escalatie van verdeelkwesties een halt toeriep en verdere claims op het land onmogelijk maakte.

De witte taartpunt is het. De zuidpool smelt veel sneller dan berekend, vooral door het contact met de grond. Dus eerder dan we denken is dit grote land wellicht wel interessant.

De leegte, het intense wit en blauw als het helder is, stel ik me voor als een geweldige ervaring. De ruimte is zo overweldigend, zo eindeloos. Het Marie Byrd Land van de geest is het bereizen al waard: cultuurloos, oneindig, eenzaam, een ergens gelukzalig voorportaal van de dood. Hoe zou het zijn er rond te lopen? Er zijn maar zo weinig mensen die het kunnen vertellen dat we louter voorstellingsvermogen hadden, en nu Artificial Intelligence.

Die helpt een stukje, want Chat GPT weet alles:

‘Wandelen in Marie Byrd Land, een afgelegen en onbewoond gebied op Antarctica, zou een unieke en uitdagende ervaring zijn. Hier is een beschrijving van wat je zou kunnen zien en voelen als je in deze extreme omgeving loopt:

1- Uitgestrekte ijs- en sneeuwlandschappen: het dominante kenmerk van Marie Byrd Land is de enorme uitgestrektheid van ijs en sneeuw. Het landschap wordt gekenmerkt door gletsjers, ijskappen en sneeuwvelden die zich uitstrekken zover het oog reikt. Het terrein is over het algemeen vlak en de horizon is vaak ononderbroken, waardoor een gevoel van isolatie en onmetelijkheid ontstaat.

– Briljant wit en blauw: Het landschap is overwegend wit, waarbij de ongerepte sneeuw en het ijs het felle zonlicht reflecteren. De heldere, blauwe lucht boven je hoofd contrasteert met het witte landschap, waardoor een verbluffend visueel contrast ontstaat. Op een heldere dag kunnen de kleuren ongelooflijk levendig zijn.

– Isolatie: Marie Byrd Land is extreem geïsoleerd, zonder permanente menselijke bevolking. De enorme leegte en stilte kunnen overweldigend zijn, en het gevoel van eenzaamheid en isolatie kan zowel vredig als griezelig zijn.

– Unieke dieren in het wild: Hoewel de regio onherbergzaam is voor mensen, is het de thuisbasis van een verscheidenheid aan dieren in het wild die zijn aangepast aan extreme kou, waaronder pinguïns, zeehonden en verschillende zeevogels. Het observeren van deze wezens in hun natuurlijke habitat kan een lonend onderdeel van de ervaring zijn.’

Maar poëzie is dit niet, dit is te verzamelen overbekende kennis. Want Chat GPT voelt niets en heeft alles van horen zeggen. Dan dit:

De branding, bevroren

Hoe op een nacht, de branding hier bevroor
en een halsstarrige, onderhuidse vloed toen geweldige schotsen
over de zandbanken kruide en zo de zee
onder arctisch pakijs liet verdwijnen, in een daglicht
dat haast niet te verdragen was –

(Hans Tentije)

Alleen al dat het daglicht haast niet te verdragen is help meer dan alles daarvoor. Dit is een ervaring.

Ik dacht dat het in de Marie Byrdse oneindigheid vooral over het licht zou gaan en ging daartoe te rade bij de dichter van het licht bij uitstek, de deze week overleden dichter Hans Tentije, van wie je niet snel genoeg hebt, zo goed is dat werk…

Maar – wat ik had kunnen weten – Tentije lijkt een echte Europese cultuurdichter, in kerken, op pleinen, in duinen, door straten. Licht is overal, maar de ijselijke vlakten zocht ik verder tot dusver vruchteloos. In zekere zin is Marie Byrds Land het land van de beperking van voorstellingsvermogen, van ervaringen, van de hegemonie van het cliché. De juridische kant doet onze eigen beperktheid eveneens op onszelf terugslaan: ik zal voor een misdrijf aldaar gewoon volgens Nederlands recht veroordeeld worden.

Tentije voegt zich bij het tragische rijtje van mensen van wie ik dacht dat ik ze nog wel eens uitgebreid zou spreken, maar het nooit deed.

Je hoeft niet door Marie Byrd Land te dwalen om elkaar niet tegen te komen.


eveneens over antarcica

Naar kaart 41

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Oma

In Frankrijk viel ik in het hurktoilet. Ik was zes en had nog nooit zo’n toilet gezien – het was een gat in de grond, alsof de loodgieter een begin had gemaakt en daarna halsoverkop was vertrokken voor een spoedklus. Aan het vallen heb ik geen herinnering, het enige dat ik nog weet is hoe hard mijn oma moest lachen, zo luid dat ik het soms nog steeds kan horen. Nadat ze de tranen van haar rozige wangen had geveegd, hielp ze me pas overeind, verlamd door het schaterlachen. Ik huilde niet, maar lachte mee. De schaterlach van mijn oma was zo aanstekelijk dat ze zelfs de grootste chagrijn meekreeg. Op elke verjaardag vertelde ze dat verhaal weer, en lachte net zo hard.

Als het zomer was ging ik logeren bij mijn opa en oma, die op een camping stonden in Zeewolde. In de avonden hing ik wat met de vrienden die ik daar had gemaakt, tot elf uur, want dan moest ik terug zijn van mijn opa. Ik keerde nooit op tijd terug. Mijn opa lag dan al te slapen en mijn oma had leverworst en kaasblokjes gesneden, knipoogde als ik wat beschroomd de rits van de voortent openmaakte, zei niets over de klok, die duidelijk twaalf uur aangaf. We keken televisie tot we allebei begonnen te gapen. Dan gaf ze me een zoen, wenste me welterusten, en fluisterde dat ze opa morgen zou zeggen dat ik keurig op tijd terug was gekomen.

Toen mijn moeder het opgegeven had om me naar zwemles te brengen – ik vond het zo vreselijk, dat ik een paar dagen voor de zwemles al onhandelbaar werd – ging mijn oma met me mee, elke week. Als ik weer bovenkwam nadat ik door het gat was gezwommen, stak ze trots twee duimen in de lucht. We aten samen altijd frietjes na de zwemles. Nadat ik een keer verdrietig was, omdat het watertrappelen niet was gelukt, zette ze het blauwe schoenhoesje dat haar keurige schoenen drooghield op haar hoofd als een haarnetje, trok een raar gezicht, stelde me gerust dat het de volgende keer zeker zou lukken. Niemand was zo trots als mijn oma toen ik mijn zwemdiploma haalde – na drie jaar.

We rookten samen sigaretjes op het balkon als ik langskwam, keken dan naar de auto’s die langsreden, keuvelden wat over mijn dag. Het maakte niet uit hoe lang ik bleef, of het een kwartier was of een halve dag, ze was altijd blij om me te zien. Een tijdje terug had ze een ovenschotel gemaakt zoals alleen zij dat kon en meldde na het eten trots dat ze wat bier en wijn in huis had gehaald, speciaal voor mij, maar dat ze niet wist of ze wel genoeg had gehaald omdat ze zelf amper dronk. Ze liep naar de koelkast, zette even later tien biertjes op tafel en een grote fles wijn, keek me lachend aan, en vroeg: ‘Is dit genoeg voor het komende uur, denk je?’

Van de mensen van de zorginstelling waar ze vorige week aanspoelde na een val had ze al twee waarschuwingen gekregen, omdat ze binnen had gerookt. Ze zouden het toch niet ruiken, had ze gezegd, met die ondeugende twinkeling achter haar ogen, bovendien had ze met een luchtverfrisser al haar sporen uitgewist. Ik nam haar mee naar het rookhok, net buiten het terrein. Met een plof nam ze plaats op het zitje van de rollator die ze nooit wilde gebruiken – dat was voor oude mensen – en keek tevreden om zich heen.

‘U ziet er goed uit,’ zei ik, terwijl ze me een sigaret gaf. Ze veerde wat op, duwde met haar hand het haar bij haar slapen wat omhoog en lachte.

‘Ik blijf een knaptoet, vind je niet?’ grinnikte ze en keek met een half oog naar een mannelijke verzorger die ook stond te roken.

Een paar dagen later zaten we aan haar bed. Ze hield mijn hand vast, draaide rondjes met haar vinger over de palm van mijn hand, drukte zich naar me toe. Ik ging op mijn knieën zitten, sloeg mijn armen om haar heen, legde mijn gezicht op haar wang. Alle woorden die ik had schoten tekort. Mijn oma fluisterde zachte dingen, die ik vanaf nu altijd met me meedraag. Ik zei haar hoeveel ik van haar hield, hoe onbeschrijfelijk dankbaar ik was dat ze mijn oma was, dat ik haar meer zou missen dan wat dan ook ter wereld. Nog nooit was ik zo lang zo dichtbij mijn oma geweest en toen ik na tien minuten de deur van haar kamer dicht liet vallen en met mijn moeder door de lange gang liep, wist ik dat ik vanaf dat moment nooit meer zo dichtbij zou kunnen komen.

Gisteren sloten we de kist, zag ik mijn oma voor de laatste keer, met de familie. Wij zijn de achterblijvers nu, zoeken troost bij elkaar, halen herinneringen op aan het wonder dat mijn oma was. Toen ik naar haar keek, zo stil, zo leeg, zo koud, leken de laatste woorden nog op haar lippen te liggen.

Daarna liep ik naar buiten, de regen in. Het was koud, een soort kou die je nooit meer uit je lijf krijgt, een kilte die zich nestelt in elke spier, een vorst die niet ontdooit.

Ik wilde huilen, maar kon het niet, omdat ik bang was dat het nooit meer op zou houden.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Wie is wijs? (De kettinglezer 2/2) 

Heb jij dat ook, lezer, dat je van de boeken die belangrijk voor je zijn nog precies weet waar en wanneer je ze las? De dood in Venetië las ik niet in Italië, maar in een bus vol zingende jongeren op weg naar een Spaanse badplaats. Ik was zeventien. Tijdens een regenachtige midweek in het Drentse Witteveen zakte ik dankbaar weg in Lolita. Toen ik samen met mijn broertje tot het ochtendgloren waakte bij mijn stervende stiefvader, bood – hoe toepasselijk – Reis naar het einde van de nacht de nodige verlichting. 

Ook als ik de drukproeven van De schim van Raamswolde doorblader doen passages mij denken aan de boeken die ik las toen ik die zinnen schreef. Ik herinner mij dat ik mezelf na het geworstel en het gepeuter beloonde met een paar pagina’s van bijvoorbeeld Zwerm van Berthe Spoelstra (en een fijn sigaartje). 

Is het wijs om andermans fictie te lezen wanneer je zelf aan een roman werkt? Sommige schrijvers zullen zeggen van niet. (Er zijn zelfs schrijvers die beweren nooit romans van collega’s te lezen, maar dat zet ik weg als kletsmeierij…) Ik heb wel eens gehoord dat een schrijver te vergelijken is met een open pak melk in de ijskast; het neemt in no time de smaak aan van hetgeen dat ernaast staat. 

Toen mijn roman net af was vroegen veel mensen: ‘Waar lijkt het op?’ 

Tja…

Ik legde de vraag voor aan mijn redacteur Menno (zeer belezen). 

‘Nou,’ zei hij, ‘daar zou ik wat langer over moeten nadenken.’ 

Dat is een goed teken, lijkt mij. Zo’n vaart loopt het dus niet met die literaire bestuiving. Misschien gebeurt dat wel alleen als je slechts de boeken leest van je helden? Dan is het niet erg. Daar wil je je graag door laten beïnvloeden, nietwaar? Er mag best iets lekken, hoor. Hoogstwaarschijnlijk is dat toch al gebeurd voor je überhaupt met schrijven begon. En je laten beïnvloeden is iets heel anders dan nabootsing. Een echte schrijver begrijpt dit verschil. O, natuurlijk kun je wel imiteren, maar dan in de vorm van een pastiche. Of je adopteert iets kleins, een toon bijvoorbeeld, om een literair spel te spelen. Ik vind het zelf altijd erg leuk om verwijzingen naar andere literatuur aan te treffen in boeken en ik baal altijd als ik iets over het hoofd gezien heb, maar een recensent het wel opgemerkt heeft. 

Tijdens het schrijven heb ik in eerste instantie vooral veel boeken herlezen. Ik zocht het in de thema’s waar ik mij mee bezig hield. Om verwantschap te voelen? Zou dat kunnen? Schaken: Zweig, Nabokov, Euwe, Timman. Gekte: bijna de hele Russische Bibliotheek. Vaders en zonen: nog een Rus. Uitkoping: Rosenboom. Ik las briefromans van Goethe, Amos Oz, Choderlos de Laclos, Jane Gardam en Jan Wolkers. De brievenboeken van Reve (natuurlijk!), Adriaan Morriën, Vincent van Gogh, Ilja Leonard Pfeijffer. De verslavende faxen van Nicolien Mizee. Veel briefwisselingen tussen schrijvers. Het kon niet op. Nog buiten de romans en de bundels die ik las om de hedendaagse literatuur een beetje bij te houden. Vaak vond ik iets wat ik wilde nastreven, soms zag ik dingen die ik zelf totaal anders zou doen. 

Maar dan… zit je op een zomerse zaterdagavond in de achtertuin, volledig ontspannen met een fles witte wijn binnen handbereik. Om héél even aan de letterkunde te ontsnappen lees je een detective van Baantjer*. (Immers, ook een chef-kok eet toch wel eens een frikandelletje? Ontkennen is liegen!) En dan blijf je ineens ergens aan hangen. Een lollig twistgesprekje, of een slimme sprong in de tijd. Nog eens lezen. Hoe deed hij dat? Zit je toch weer aantekeningen te maken. 

Het is mij meerdere keren overkomen, niet alleen bij Baantjer, maar ook bij een kinderboek dat ik aan mijn kinderen voorlas, een reality-programma op televisie of een artikel in een populair damesblad waar ik geboeid doorheen ging in de wachtkamer van de tandarts. Zelfs een afgeluisterd gesprek in een café kon voeding zijn. 

Nog voor ik ooit mijn eerste roman van Isaac Bashevis Singer las (Schimmen aan de Hudson, gevonden op het Haarlemmerplein in Amsterdam – het lag gewoon op straat!) zag ik de film Yentl**, gebaseerd op één van zijn korte verhalen. In een notendop gaat het over een zeer leergierige Joodse vrouw die niet aan trouwen denkt, maar wil studeren. Na de dood van haar vader vermomt ze zich als man, neemt de naam aan van haar overleden broer en vertrekt naar een Jesjiva. Natuurlijk wordt ze verliefd op haar studiepartner, dat zul je altijd zien. Het mooie van de film vind ik dat de kijker steeds van de rabbijnen en studenten kleine brokjes wijsheid, gebaseerd op de Talmoed, krijgt toegeworpen. Op de puber die ik was maakte dit een diepe indruk. Ik strooide het rond in de schoolkantine. Als twee knapen door middel van een potje armpje-drukken wilden zien wie het sterkst was, zei ik: ‘Weet je wie pas sterk is? Hij die zijn driften beheerst.’ (Ik maakte mij hier niet altijd geliefd mee…)

Tijdens het schrijven van dit stuk, spookte één zo’n brokje filosofie steeds door mijn hoofd. Een wijsheid van Simeon ben Zoma, leerde ik later: Who is wise? He who learns from all men. 

Blijf lezen, alles wat je te pakken kunt krijgen! 

*Mocht je trouwens ooit overwegen zo’n Baantjer-boekje tot je te nemen, kies een oudje. Deel 1 t/m 10, dat zijn de betere. Guilty pleasure? Lulkoek. Je moet je nooit schamen voor je pleziertjes! 

** De film is een musical met veel zang van Barbra Streisand, daar moet je wel van houden. Maar het is heel sfeervol gefilmd.

"Foto van Alexander Baneman"
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.