Plusminus Atlantis

(De wereld in stukken 36)

In een dicht conifeerwoud loopt een jong dier over een paadje achter haar moeder aan, net zoals ze gisteren deed, ze herkent het paadje al: verderop is de open plek waar je drinken kunt en er voldoende te grazen is zodat je erna even goed in de zon kunt gaan liggen voordat ze verder gaan. De zon schijnt en er hangen een paar mooie witte wolken boven de boomtoppen, van waar uit geschreeuw van kleinere vliegende dieren.

Ons geheugen is beperkt. Een paar simpele regels van je voor te stellen hoe iets geweest zou kunnen zijn helpt verder. Want met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is deze scene waargebeurd, 70 miljoen jaar geleden. Hier op deze kaart waar een eilandenrijkje – de Kerguelen – de toppen vormen van een verzonken microcontinent. Het Kerguelen-plateau. Atlantis bestaat. Alles speelt zich hier onder water af. Het continentje vormde een oppervlak van een derde van de landmassa van de huidige Verenigde Staten, en moet met een dicht tropisch conifeerwoud bedekt zijn geweest tijdens het Krijt. Bloeiende planten, vissen, bijen die de bloeiende planten afgingen, vlinders, krokodilachtigen, en schildpadden. Het moet een bij vlagen herkenbare wereld zijn geweest.

Maar dat veranderde na de meteoorinslag natuurlijk, en zo’n 20 miljoen jaar geleden verdween dit continent voorlopig uit het zicht en vlijde de oceaan zich over haar heen en resten ons wat eilandjes en een vermoeden.

In de geschiedenis van mensen speelt de Franse zeevaarder Yves-Joseph de Kerguelen- Trémarec  dan nog een rolletje op deze kaart. Op 12 februari 1772 vaart hij langs, op zoek naar Terra Australis Incognita, het grote zuidelijke continent, dat wel moest bestaan om dat het in evenwicht zou zijn met de noordelijke landmassa. Weinigen in de geschiedenis der mensheid zijn zo te laat geweest. Hij was 20 miljoen jaar te laat. Dat toegeven aan Lodewijk de 15e durfde hij echter niet, hij overdreef zijn ontdekking en plukte daar de wrange vruchten van, gevangenisstraf, al schijnt een volgens scheepsmores illegale minnares in zijn kapiteitshut er ook iets mee te maken te hebben gehad.

Een Atlantis ligt hier op de kaart, onder het blauw. Een echt. Het schemert er nog wat doorheen als je goed kijkt. Generaties van dieren leefden hun leven en zijn voorgoed verzwolgen in de nacht van de geschiedenis. Een ver verleden en waarschijnlijk een redelijk nabije toekomst. 1.100 tot 2.200 meter onder de zeespiegel rest nog ergens dat paadje, en wat overbleef van die open plek.  En de resten van moeder en dochter minmi. Alleen de fantasie kan ze er nog aan onttrekken.

Atlantis

Ze hebben wel of niet bestaan.
Op een of geen eiland.
Een of geen oceaan
Verzwolg hen wel of niet.

Was er iemand om van iemand te houden?
Was er iemand om met iemand te strijden?
Alles of niets geschiedde
daar of niet.

Er waren steden, zeven.
Is dat wel zeker?
Ze wilden eeuwig blijven.
Zijn er bewijzen?

Het buskruit vonden ze niet uit, nee.
Het buskruit vonden ze wel uit, ja.

Twijfelachtig en verondersteld.
Niet voor nageslacht bewaard.
Niet genomen uit de lucht,
uit water, vuur en aarde.

Niet in steen vervat
noch in een druppel regen.
Niet bij machte serieus
enige moraal te demonstreren.

Een meteoor sloeg in.
Het was geen meteoor.
Een vulkaan barstte uit.
Het was geen vulkaan.

Iemand riep iets.

Niemand riep iets.
Op dat plusminus Atlantis.

-Wisława Szymborska, vertaling Gerard Rasch

naar kaart 37

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Lobi disi

Ik haalde mijn dochter van school en fietste met haar naar café Waterkant aan de Marnixstraat. Daar zouden we een colaatje drinken terwijl we wachtten tot het tijd was voor haar streetdanceles bij het Amsterdam Dance Center.

Ik tilde haar van het zitje op mijn stang en liep met Ada onder de Europarking door naar het water. Aan de bar bestelde ik twee cola en zes bitterballen, en terwijl ik betaalde keek ik over mijn schouder naar het bolletje van mijn dochter, die aan een tafeltje aan die beloofde waterkant op me wachtte.

Ik besefte hoeveel ik houd van ledige momenten samen, tijd om je gedachten de loop te laten. Soms volg je zo’n gedachte een eindje, soms laat hem verwaaien en merk je het wel weer wanneer je aan iets anders denkt. In mijn Amsterdamse leven zitten niet zoveel ledige momenten.

Ik dacht aan Suriname, en dat ik daar al negen jaar niet meer geweest ben. Zoals altijd zag ik meteen die brede bruine rivier voor me; bij Leonsberg, aan de Waterkant, bij de markthallen, bij de Wijdenboschbrug, bij Domburg. In gedachten ging ik stroomopwaarts tot het stuwmeer en stapte dan in Atjoni op een korjaal om de longen van de wereld in te varen, voorbij stroomversnellingen en dorpjes tot het bos het van de mensen overnam.

Suriname blinkt uit in ledige momenten. Alles duurt er lang. Je stelt je in op wachten en verveling, doodt de tijd met babbeltjes, lezen, dutten of gewoonweg staren.

Ik staarde naar Ada’s hoofdje en liep zo langzaam mogelijk naar haar toe met onze drankjes. Ze had een arm over de leuning van de stoel naast haar gelegd, waar ik over een paar tellen zou gaan zitten. Aan de bolling van haar wang was te zien dat ze glimlachte of met haar ogen kneep tegen het licht.

Ik stelde me haar voor in een warmer licht, aan een warmere waterkant, zag hoe een van de softverkopers een praatje met haar maakte, haar woordjes Sranan leerde. De liefde die ik voelde was een mengelmoes van liefde voor mijn dochter en voor het thuis dat Suriname is.

Wie geen kinderen heeft zal niet snappen hoe het is om ze te zien zonder dat ze jou doorhebben. Hoe het voelt om ze contact te zien maken zonder je hulp. Mijn hart brak in schitterende scherfjes bij het idee haar een dawet te zien kopen op de Saoenah Markt.

Hier is dit hele wezen, denk je als ouder, dat uit me komt maar buiten me bestaat, ademt, geniet van wat ze meemaakt, haar plek in deze wereld aan het vinden is.

‘Kijk eens,’ zei ik, om mijn eigen redenen met mijn ogen knijpend, en zette een flesje cola voor Ada neer.

‘Dank je,’ zei ze.

Ik zag nu dat ze fronste tegen het zonlicht én glimlachte. Ik wees naar de vele vlaggetjes die aan koorden rond café Waterkant hingen. ‘Weet je welke vlag dat is?’

‘Tuurlijk weet ik dat,’ zei Ada. ‘Dat is Suriname.’

Hoewel ze er nooit geweest is, weet onze dochter veel over Suriname. Haar broer Nadim herinnert zich ons huis op palen in Flora. Het aapje van de buurvrouw. Dat hij met zijn vrienden op het erf speelde. Hij herinnert zich de verhalen over Anansi de spin die hij in het binnenland van Sensi hoorde en die zo anders waren dan de sprookjes die hij had gekend – wie ten koste van alles en iedereen bovenaan eindigt is de held, is de moraal van bijna elke Anansi tori.

De afgelopen dagen keken we Kinderen van Mavungu, de documentaire die Miriam Marks maakte over schoolkinderen uit Pikin Slee, een dorpje in het binnenland waar Nadim als kleine jongen ook heeft rondgerend. De kinderen die Mirjam volgde staan op het punt naar de middelbare school te gaan, wat een enorme overgang is, omdat ze daarvoor hun dorp in het binnenland moeten verlaten.

Ik dacht aan grote stappen, aan overgangen in een leven. Aan het loslaten van allerlei vormen van thuis.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De droom

Ik werd wakker in een kamer die niet van mij kon zijn, naast een vrouw die ik niet kende. Ze sliep op haar zij, droeg haar lange, blonde haren als een masker voor haar gezicht. Op het nachtkastje ontdekte ik een foto waarop we samen stonden: lijven tegen elkaar, in een ver land, op een klif. We lachten allebei. Kennelijk kenden we elkaar beter dan ik dacht.

Ze ontwaakte traag, veel trager dan in het echt. Daar was er altijd haast, spijt, een trein. Maar nu niet: ze draaide wat, schoof de plukjes haar met haar hand opzij, opende haar ogen. Ze zoende me, vroeg of ik goed geslapen had, begon te praten over iets. Dit was een droom, maar dat wist ik toen nog niet. Dat kwam pas later.

Delen van de droom ben ik vergeten, maar ik weet nog dat ik door het huis liep, het stukje groen bij de voordeur zag, met mijn handen langs de ruggen van de boeken ging die ik kennelijk had gelezen, in de woonkamer met de hoge ramen stond.

Er hingen geen klokken, maar foto’s aan de muur, met bewijzen van een bestaan dat niet van mij kon zijn. Er was een keukentafel waaraan ik een kruiswoordpuzzel maakte, niet met een potlood, zoals de twijfelaar die ik buiten de droom was, maar met pen. Er stond een broodbakmachine op het aanrecht, want kennelijk wist ik hoe dat moest. Overal hing de geur van een grasveld, net na een lentebui.

Ik werkte wat achter de laptop, dat is wat ik me ook nog herinner, al had ik geen idee wat ik precies deed, maar het voelde alsof ik ervoor gestudeerd had. Het was een doodnormale baan, dat moest wel, ik denk dat het iets met Excel was. Alles voelde afgebakend, de dingen in de droom gingen met een vanzelfsprekendheid die ik niet kende. Ergens in de droom stond ik met een kop koffie voor het raam en keek naar een lege straat. Er hing een kalmte over me, dat weet ik nog het beste, die je bijna doet huilen van tevredenheid. Wat ik vooral nog weet: dat ik iets voelde, wat schuurt aan het geluk.

‘Zullen we naar buiten gaan?’ vroeg de vrouw ergens in de droom, en we gingen. We liepen door een bos, er was ineens een hond die een stok apporteerde, ik riep een naam, we kwamen bij een meertje met een bankje.  

Een van de laatste dingen die ik nog weet, is het restaurant. We zaten aan een tafel met mensen die waarschijnlijk mijn vrienden waren, want we voerden gesprekken alsof we elkaar kenden. Er werd gelachen, zo luid dat ik me ervoor had geschaamd, als het geen droom was geweest. Ik betaalde zonder eerst naar mijn bankrekening te staren. Er was geen geklaag, geen gesomber, geen gezeik. Er was de warme trui die ik droeg, een kind dat langs ons rende, een broodmandje.

Buiten was het al donker toen de vrouw en ik naar huis liepen. Ik liep kaarsrecht. We vonden het huis dat ik nooit zou weten te vinden en de deur viel zo zacht achter ons dicht, dat ik daar niet wakker van had kunnen worden. Het moet iets anders zijn geweest, maar ik weet niet meer wat.

Ik ontwaakte in een doorzichtige staat, de vorm van ontwaken die me het meest dierbaar is. Het is de vorm van wakker worden waarbij je al een paar minuten in de realiteit ligt, maar de droom nog even uitmondt in het echte leven. De dag lijkt bedekt met de nevel die soms boven weilanden hangt, alsof iemand de werkelijkheid nog even op sluimerstand laat staan.

Alles was nog even mooi, gladgestreken, volmaakt. Tot het onweerlegbare licht van de dag stukbrak op mijn scheve bestaan toen ik de gordijnen openschoof. Er viel niets meer te ontkennen: het licht, de dag, mijn leven. Hoe hard ik dat ook de rest van de week geprobeerd heb.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman