Landbezit, zeebezit

(De wereld in stukken 32)

Wat bezit je als je land bezit? Is het de zekerheid niet van je plek verdreven te worden? Hoe zeker is dat, historisch gezien? In wezen bezit je nooit meer land dan er onder je voeten zit, oppervlakkig een paar ons zand. Wanneer je loopt beweegt de grond onder je voeten met je mee. Steeds dat kleine stukje is even van jou. Het perceel waarop je huis gebouwd is vormt het meest logische grondbezit. Of dat er net omheen: een stukje land is dat je naar eigen inzicht kunt inrichten, je tuin. Of je leeft van landbouw en moet meer land bewerken om ervan te leven. Dan is het niet zo belangrijk of het land van jou is: als niemand je er maar af gooit.

In wezen moet je vooral geen hekken hebben, dan is alle land tot je beschikking

Oh, give me land, lots of land under starry skies above
Don’t fence me in
Let me ride through the wide open country that I love
Don’t fence me in
Let me be by myself in the evenin’ breeze
And listen to the murmur of the cottonwood trees
Send me off forever but I ask you please
Don’t fence me in

(schreef Robert Fletcher voor Cole Porter)

Possession Island werd op 24 januari 1772 ontdekt door de Franse ontdekkingsreiziger Marc Joseph Marion du Fresne. Julien Crozet, tweede man aan boord van het schip de Mascarin, werd aan land gestuurd waar hij een ceremonie van ‘inbezitneming’ uitvoerde door een fles met een perkament in naam van koning Lodewijk XV op de grond te plaatsen. Het eiland kreeg toen de naam Eiland van de inbezitneming, of L’île de la Possession.

De grootste landeigenaar ter wereld is momenteel koning Charles van Engeland. Hij en de Britse koninklijke familie zouden ruim 6.600.000.000 hectare land over de hele wereld bezitten, al gaat het dan om ceremonieel landeigenaarschap via de Commonwealth. De familie bezit land in het Verenigd Koninkrijk, Canada en daarbuiten. Dit voelt niet goed, maar ik ben dan ook geen royalist. Overigens wordt het hoe beter je zoekt steeds lastiger te zien wat hier nu precies eigendom van is…

Tweede op de lijst is de katholieke kerk. Hun 177 miljoen hectaren bevinden zich over de hele wereld en omvatten kerken, scholen en boerderijen. Ze bezitten ook veel religieuze monumenten zoals de Scala Sancta en het Apostolisch Paleis, evenals landbouwgrond. Dit voelt evenmin goed, maar ik ben dan ook niet kerkelijk.

Op de derde plaats staan ​​de Inuit-bevolking van Nunavut in Canada. Volgens de Nunavut Land Claims Agreement Act van 1993 verleenden de regering van Canada en de regering van de Northwest Territories de Inuit het eigendom van een afzonderlijk gebied genaamd Nunavut, dat ongeveer 87 miljoen hectare groot is. Het was (en is nog steeds) de grootste schikking over landclaims in de geschiedenis van Canada. Dit lijkt veel rechtvaardiger dan de voorgaanden.

De vierde vermelding op de lijst is Gina Rinehart, het rijkste mens in Australië. Ze is een mijnmagnaat met een vermogen van meer dan $30 miljard. Ze bezit 23 miljoen hectare grond, voornamelijk bestaande uit bossen en veehouderijen. Rinehart verdiende haar fortuin met ijzererts en is de dochter van ijzerertsontdekkingsreiziger Lang Hancock.

Op de vijfde plaats staan ​​de Inuvialuit-bevolking van de Inuvialuit Settlement Region in Canada, met meer dan 22 miljoen hectare. De Inuvialuit Settlement Region (soms afgekort als ISR) werd in 1984 door de Canadese regering aangewezen en omvat verschillende stukken land, waaronder het noordelijke deel van Yukon en het noordwestelijke deel van de Northwest Territories.

De grootste boerderij ter wereld is Mudanjiang City Mega Farm, gelegen in Heilongjiang, China, en staat op de zesde plaats op de lijst. De ruim 22 miljoen hectare grote boerderij heeft meer dan 100.000 melkkoeien en produceert jaarlijks 800 miljoen liter melk.

Dan heb je de hacienda’s in Midden en Zuid Amerika. Ook op de Filipijnen noemen ze grote agrarische bedrijven zo. Overigens zijn de Filipijnen de eigenaar van behoorlijk veel zee, al ben je formeel nooi echt eigenaar van zee. De grooste hoeveelheid toegewezen oceaan is van Amerika, nummer twee is Frankrijk.

De Franse maritieme ruimte vertegenwoordigt, met een totale oppervlakte van ongeveer 10,7 miljoen km², de op één na grootste maritieme ruimte ter wereld. Overzeese gebieden vormen 97% van deze ruimte. Frankrijk is een kuststaat die aan bijna alle oceanen grenst. Hieronder hoe gebruik van de zee geregeld is:

Zelf wil ik graag een bos kopen, om er wat te onderhouden, een beetje hout te hakken en in de stilte tussen twee bomen in een hangmat naar de vogels te luisteren en naar de onderzijde van bladeren te kijken, fantastische bezigheden. Wie weet een betaalbaar bos voor me? Wereldwijd goedkope grond vind je hier.

Of zoals Robert James Campbell Stead schreef:

Wie is eigenaar van het land?

Terwijl zachtmoedige verbazing gloorde
sprak het kind: ‘Net als de hemel en de lucht,
en stromend water, bloemen, vogels in hun vlucht,
en slaapliedjes en vriendelijke woorden,
en roze zonsondergangen, wolken en stormen,
en God geopenbaard in al Zijn vormen,
is het duidelijk dat stukken land eigenlijk behoren
aan wie op aarde maar werd geboren.
Niemand maakte ooit maar een korrel zand;
Hoe kan hij zeggen dat hij eigenaar is van het land?’

gegevens: Madison Trust Company en Maritime Mimites.

Naar kaart 33

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

recent

Dromen in de Druif

Nadat ik bijna omver was gekegeld door een toeterende stadsbus, kwam ik toch ongeschonden aan bij De Druif in Amsterdam. Ik keek langs de mensen die voor anker waren gegaan op het terras, en zag door de smalle deuropening hoe Gil lachend achter de bar stond, een biertje tapte en een praatje maakte met twee dames aan de bar. Het zou hoe dan ook een goede avond worden, wist ik al.

Bij binnenkomst werd ik begroet met een luide roep van Gil, die zich meteen een weg naar me baande. Als ik iemand een tijd niet gezien heb, probeer ik dat gemis in een omhelzing te persen, dus drukte ik hem stevig tegen me aan. Na drie gekneusde ribben lieten we elkaar weer los.

In de hoek zat de harde kern van de Helmersgroep al fanatiek aan het bier: Marije, Jess en Luuk, die ik allemaal had leren kennen bij de Vertellers van Helmers, de literaire avond die Jan en Gil organiseren in de hoofdstad. Ze waren allemaal een tijdje geleden afgereisd naar Amersfoort, samen met Jan en Cindy, die nu verstek moesten laten gaan, om met eigen ogen te zien of die stamkroeg waarover ik had geschreven daadwerkelijk zo bijzonder was, en sindsdien bevolken we een gezellig appgroepje.

Ik omhelsde de vroege vogels, die ik niet meer had gezien sinds ons personeelsuitje in Van Zanten, en streek neer naast Jess, op een houten bankje. De Druif stond me meteen enorm aan: de smalte van de kroeg, die niet benauwend was, maar juist omvattend, de oude foto’s aan de muur, de vaten met namen erop, de uiteenlopende leeftijden van de stamgasten. De Druif is zo’n kroeg die je denkt te herkennen, terwijl je er nog nooit geweest bent. Een droom van een thuiskomst, zonder dat je je die droom kunt herinneren. Het was er warm, zo warm zelfs dat ik mijn jasje uitdeed, maar dat deerde niet.

Even later haakte Rosa ook aan, en zaten we in het hoekje van de kroeg, alsof we nooit iets anders hadden gedaan. Het was fijn om Amersfoort even uit te zijn, en nog fijner om bij te praten met Marije, Jess, Luuk en Rosa. We hadden het over vakanties, pornofilms, wonen in Amsterdam, borsten, bierreclames en de borstcrawl. Gil luisterde af en toe mee vanachter de bar, en zag dat het goed was.

Terwijl ik een nieuw fluitje kreeg van Gil, keek ik de groep rond en dacht: dit zijn de mooie mensen. Dit zijn de mensen die je nooit verwacht had, maar die je uit het niets in je schoot geworpen krijgt. Dit zijn de mensen die je hebt gemist, zonder dat je wist dat je ze miste.

Tegen het einde van de avond stonden Jess, Gil en ik even buiten om op adem te komen.

‘Het lijkt alsof je nooit iets anders hebt gedaan, zoals je achter de bar staat,’ zei ik tegen Gil, en hij lachte.

‘Ik heb het ook heel lang gedaan.’

‘Twintig jaar geleden, ja,’ zei ik.

‘Je verleert het nooit. Ik weet zeker dat als jij twintig jaar stopt met drinken, dat je het daarna ook weer doodgewoon kan oppakken. Het is als fietsen,’ grinnikte hij.

Ik besloot niet twintig jaar te wachten, maar bestelde na een paar minuten weer een fluitje. En daarna nog een, en nog, en nog een, tot de een-na-laatste me dwong om me los te weken uit De Druif, gedag te zeggen tegen de Helmersgroep en terug te reizen naar mijn eigen stad.

Foto: die schrijvende barman van de Druif

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Vlees zijn – de leeuw van Afrika

(De wereld in stukken 31)

Muggen doen goed hun best de pest die de mensheid vormt op deze aarde uit te roeien. De malaria- en denguemug zijn als soort vermoedelijk de succesvolste in het decimeren van Homo sapiens.  Een paar virussen doen leuk mee in dat project, en die zullen nog wel een succesvol kunnen blijken te zijn, ze muteren lekker snel dus hebben veel mogelijkheden.

Lang was de grootste angst voor mensen het mensverslindend dier, we hebben er een stel: haaien, beren, tijgers en leeuwen, krokodillen, komodo-veranen. Maar het meest tot de verbeelding sprak meestal de leeuw.

‘Heer mijn God, bij u zoek ik bescherming, bevrijd mij van mijn achtervolgers. Red mijn leven, want zij zijn als leeuwen, bereid mij te verscheuren, mij weg te slepen,’ luidt het in psalm 7. En Vondel dicht in de aanloop naar de Gijsbrecht van Aemstel dat Gijsbrechts broer de vijand najaagt die vlucht: zo stuift de zee voor wind met haar gedreven golven, zo zag men menigmaal een kudde wrede wolven en felle tijgers vlien voor het ijselijk geschreeuw van aller dieren vorst, de hongerige leeuw om niet al levendig en vers te zijn verslonden van hem die op de jacht geen aas en had gevonden.’

In David Quammen’s Monster of God staat het zo: ‘Grote en verschrikkelijke vleesetende beesten hebben het landschap altijd met mensen gedeeld. Ze maakten deel uit van de ecologische omgeving waarbinnen Homo sapiens zich ontwikkelde. Ze maakten deel uit van de psychologische context waarin ons identiteitsgevoel als soort ontstond. Ze maakten deel uit van de spirituele systemen die we hebben uitgevonden om ermee om te gaan. De tanden van grote roofdieren, hun klauwen, hun wreedheid en hun honger vormden een grimmige realiteit die konden worden ontweken maar niet vergeten. Af en toe kwam er een monsterlijke carnivoor als een noodlot uit een bos of een rivier tevoorschijn om iemand te doden en zich met het lichaam te voeden. Het was een bekend soort ramp – zoals autododen vandaag de dag – die, ondanks de bekendheid, elke keer opnieuw en schokkend gruwelijk moet zijn geweest. En het bracht een bepaalde boodschap over. Een van de vroegste vormen van menselijk zelfbewustzijn was het besef vlees te zijn.’

Het besef vlees te zijn. Dat zouden we wel eens wat vaker kunnen hebben. In het schitterende Westwaarts met de nacht van Beryl Markham beschrijft ze haar jeugd in Tanzania en Kenia en in een huiveringwekkende scene over een tamme leeuw Paddy, die even de call of the wild hoorde en achter het kind Beryl aanging:

‘Ik stopte en hij hief zijn kop op magnifieke wijze rustig omhoog en staarde me met gele ogen aan. Ik staarde terug, wroette met mijn blote tenen in de aarde en perste mijn lippen samen om een onhoorbaar fluitgeluid te produceren — een heel klein meisje dat verstand van leeuwen had. Paddy kwam toen zachtjes zuchtend overeind en begon me op een kalme, ingestudeerde manier te bekijken, zoals iemand die wat traag van geest is kan gaan spelen met een ongewone gedachte. Ik kan niet zeggen dat er een dreiging in zijn ogen lag, want die was er niet, en evenmin dat er kwijl langs zijn ‘vreselijke kaken’ liep, want die kaken zagen er mooi en netjes uit. Wel snoof hij echter de lucht op en het leek me dat hij daar hoorbaar tevreden over was. En hij ging niet weer liggen.’

Mijn eerste leeuw was in Nationaal Park Masai Mara in Kenia, maar vanuit een veilige Jeep, die overigens wel twee keer stuk ging. Mischien was het een nazaat, want eveneens mooie en nette kaken. Ik herinner me vooral de majesteitelijke rust en de glimlach – als ik me even schuldig maak aan antropomorfisme – op het gelaat van de patriarch. Een groep van tien ongeveer. Een windje, verre einders, een prachtleven leek me.

‘Ik herinnerde me,’ gaat Markham verder ‘de regels zoals je je die zo kunt herinneren. Ik liep niet hard weg. Ik liep erg langzaam en begon een uitdagend liedje te zingen. ‘Kali coma Simba sisi,’ zong ik, ‘askari yoti ni udari! Wij zijn zo woest als een leeuw, alle askari’s zijn dapper!’ Terwijl ik zong liep ik in een rechte lijn langs Paddy en ik zag zijn glimmende ogen in het dikke gras en ook hoe zijn staart de maat sloeg bij mijn liedje. ‘Twendi, twendi – ku pigana — piga aduoi — piga sana! Laten we gaan, laten we gaan — om te vechten — versla de vijand! Sla hard toe, sla hard toe!’  Welke leeuw zou niet onder de indruk komen van het marslied van de King’s African Rifles? Al zingend ging ik op een drafje naar de rand van de lage heuvel waarop, als ik geluk had, struikjes ananaskers zouden groeien. Het land was grijsgroen en droog en de zon stond er brandend boven, waardoor de grond onder mijn blote voeten heet was. Er was geen wind en er was niets te horen. Zelfs Paddy maakte geen enkel geluid toen hij snel achter me aan kwam. Wat ik me van het volgende ogenblik nog het duidelijkst herinner, zijn drie dingen: een kreet die nauwelijks harder was dan een fluistering, een klap die me tegen de grond sloeg, en hoe, terwijl ik mijn gezicht in mijn armen verborg en voelde hoe Paddy’s tanden zich om mijn been sloten, een fantastisch op en neer dansende tulband — die aan Bishon Singh toebehoorde — over de rand van de heuvel verscheen. Ik bleef bij bewustzijn, maar ik deed mijn ogen dicht en trachtte bewusteloos te raken. Het ging niet zozeer om de pijn als wel om het geluid. Ik denk dat het geluid van Paddy’s gebrul in mijn oren slechts herhaald zal worden als de helledeuren op een dag in hun wiebelige scharnieren zullen draaien en het hele panorama van Dante’s dichterlijk beschreven nachtmerries hoorbaar en zichtbaar zullen maken. Een onmetelijk gebrul omsloot de aarde en liet mij erin verdwijnen. Ik deed mijn ogen stijf dicht en bleef stil onder het gewicht van Paddy’s klauwen liggen.’

Bishon, vertelt later wat er gebeurde, een man met een zweep was erachteraan gesprongen maar de leeuw ging achter hem aan, want Paddy was van ‘mening dat zijn meester op geen enkele eerlijke manier recht had op een portie van het verse vlees, waar hij, de leeuw, dankzij eigen inspanningen beslag op hadden weten te leggen.’

Bishon Sing verkondigde deze buitengewoon redelijke interpretatie met een indrukwekkende ernst, alsof hij de zaak van de leeuw uiteenzette voor een jury van Paddy’s vrienden. “Vers vlees…” herhaalde ik dromerig, en duimde.’

lezen: Westwaarts met de nacht van Beryl Markham, David Quammen’s Monster of God en nog een stukje over Markham.

Naar kaart 32

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.