recent

Lieve Z,

DSC01108Ik schrijf je een kort briefje want je kan niet lezen. Een lange brief zou je doen blozen en aangezien je dat zelfs  niet kan, hou ik het gewoon maar kort en bondig.

Mijn hele jeugd ben je er geweest. Eerst samen met S, die je soms tot bloedens toe verwondde, in zijn laatste dagen niet eens meer wilde zien, daarna alleen.

Ik herinner me de eerste keer dat ik je vasthield. Je buik rook naar melk en je was eigenlijk nog veel te klein. Het is gek te bedenken dat toen ik daar zat, met jou in mijn armen, de planken boven mijn hoofd opeens doorbraken, dat een stortvloed aan boeken jou op een haar na raakte. Ik hield mijn handen stevig om je heen om je te beschermen en jij gaf geen kik. Ik vraag me af of je dat nog weet, en of je het me hebt vergeven.

Toen ik je na jaren weer terugzag was je oud geworden. Rond je mond zaten nu grijze haren en je bewoog moeilijker. Als je vroeger rondjes rende was het mooi om te zien, nu was het eerder ontroerend; in de parken waar je liep zag en hoorde je steeds minder. Liep je eerst nog achter de anderen aan, nu hield je je bezig met kleinere dingen: blaadjes in het gras, de voet van een boom, een stoeptegel die blijkbaar aantrekkelijk rook. Het moet rustig zijn geworden in je hoofd, dat kan haast niet anders.

Eigenlijk kan ik niemand bedenken die zo dicht bij de menselijkheid is gekomen als jij. Je liet boeren en scheten, soms zuchtte je diep en om de zoveel tijd had je een rothumeur. Ook at je alleen nog maar waar je zin in had.

Nu loop je steeds langzamer de trappen op, staat soms op de overloop uit te hijgen, soms ga je zelfs even zitten. Ik zeg dan dat je op moet schieten, dat ik haast heb. Ik geef je duwtjes en even later loop je dan trouw verder.

Ik zei een tijd geleden tegen X dat als de tijd komt dat je al die trappen niet meer op of af kan lopen, ik je zal gaan dragen. En dat beloof ik je hierbij plechtig.

Liefs,
David Pefko

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Beste Ans van de Van Baerlestraat,

Amsterdam-BuildingPublic-ConcertGebouw1-AD1886De eerste keer dat ik je tegen het lijf liep was op de Van Baerlestraat, voor het concertgebouw. Je vroeg of je even met me mocht praten. Ook pakte je meteen mijn hand vast. Je droeg een bontjas en suède pumps. Je vertelde in paniek dat iemand je tas had gestolen en dat je mij, als buurtbewoner, om een gunst wilde vragen. Vijftig euro, om naar huis te komen en tussendoor even iets te eten bij brasserie van Baerle. Toen ik antwoordde dat ik vijftig euro een beetje veel vond en dat je ook met de tram kon gaan, wellicht thuis nog iets te eten had, werd je kwaad en riep je terwijl je de volgende voorbijganger staande probeerde te houden: ‘Klootzak!’

Enkele weken daarna gebeurde hetzelfde. Je zag er wat verwilderder uit, je eens zo nette kleding zat nu vol met vlekken, maar je stem was dezelfde; bekakt en arrogant. Je vertelde nu dat je drie maal de verkeerde pincode had ingevoerd, je was namelijk ziek en onder invloed van een zware pijnstiller. Je wees me op de leegte in je portemonnee, en inderdaad, alleen tientallen bankpasjes en opgevouwen bonnetjes zag ik zitten, je drukte hem onder mijn neus en vroeg: ‘Dertig euro, u kunt het missen, dat zie ik meteen. U krijgt het terug, ik geef u mijn kaartje… Ik woon in de van Eeghenstraat, op stand meneer!’
Achteraf gezien heb ik spijt dat ik je alleen de tip gaf gezichten te gaan onthouden, want ik had in die tijd best je visitekaartje willen zien, in ieder geval willen weten wat je naam was of voor wie je je uitgaf. Want nu, vele jaren later, sta je tussen elf en half drie op de Ceintuurbaan, voor de avondwinkel. Je haar is grijs geworden, je draagt een kunstgebit en je bontjas is vervangen door een grijze regenjas. Het enige wat niet veranderd is, is je bekakte manier van praten.
‘Ach meneer, mag ik even met u spreken, wilt u even tijd maken voor een wanhopige vrouw met kanker?’ Dat was je nieuwe inleiding, een vrij smakeloze, maar wel een interessante aangezien je mij daarna om een sigaret vroeg die ik je natuurlijk gaf.
Ik kon niet slapen die nacht en had de fiets gepakt om een ritje door de stad te maken.
‘Weet u,’ begon je, ‘ik ga dood van de pijn, niemand wil me helpen, ik ben geen slecht mens geweest maar er is geen persoon die me liefde wil geven. Heeft u liefde meneer?’
Ik vertelde dat ik liefde had, en dacht aan al die keren dat ik je in de Van Baerlestraat op mensen af zag komen, ze in een portiek dreef en ze dan om een geldbedrag vroeg.
Soms heb ik je horen schelden en andere keren liep je weg met een tientje.
Ik vertelde dat ik je kende, van vroeger, en jij begon meteen over de behandelingen die je had gehad in het ziekenhuis. Toen zei je: ‘Weet u dat er geen deur is waar ik nog kan aankloppen? In de hele stad is er geen bel die ik in kan drukken, is er niemand die naar mij omkijkt. Ik wil alleen maar een stukje brood, een kopje koffie, meer verlang ik werkelijk niet. Een tientje? Alstublieft meneer?’

Dat in vijftien jaar tijd vijftig euro een tientje is geworden vond ik al droevig genoeg. Ik vroeg me af waar je bontjas was gebleven, en je nette schoenen, maar vroeg geen van die dingen en gaf je het geld.
‘Ik wil alleen weten hoe je heet,’ zei ik.
‘Ans van de Van Baerlestraat, zo noemen ze me. U bent een goed mens, dat zag ik meteen, ik heb een neus voor goede mensen,’ zei je en snelde de avondwinkel in. Even later zwaaide je naar me met een blik bier in je hand.

Hartelijke groet en succes,

David Pefko