Waarin Geert Mak en Tzvetan Todorov elkaar vinden

TodorovDat Geert Mak en de Franse essayist Tzvetan Todorov op 29 september in Maison Descartes in Amsterdam zouden ‘discussiëren’ over Todorovs nieuwe boek Angst voor de barbaren kon meteen aan het begin van de avond op hun eigen ironie rekenen. Het is bekend dat Todorov grote bewondering heeft voor Mak en zijn boek In Europa. Mak zei dat hij zijn uiterste best zou doen het niet altijd met Todorov eens te zijn.Mak

Dat Todorov het in de titel van zijn boek over ‘barbaren’ heeft wil zeggen dat we terug moeten naar de tijd van de oude Grieken om de betekenis van het woord goed te begrijpen. Het had toen een tweeslachtige betekenis: het waren de ‘anderen’, de niet-Grieken, en het waren de ‘vreemden’. Als ‘vreemden’ werden ze niet helemaal als menselijk beschouwd, waardoor ze ook anders behandeld mochten worden.

Allebei de betekenissen spelen mee in de Europese verhouding tegenover emigranten, volgens Todorov. Ze worden te veel gezien als anderen en te veel als vreemden, bovendien met een vreemde religie. Hij pleit ervoor om emigranten niet zo erg als vreemden te zien. We moeten er niet van uitgaan dat ze over alles wel anders zullen denken. Dat doen ze niet. Het is beter ze te beschouwen zoals we naar mensen met een ander beroep kijken, of uit een andere leeftijdsklasse, uit een ander milieu, of een andere groep. Een beetje anders, maar niet veel anders. We zijn altijd al omgeven door vreemden die ons vertrouwd zijn, en daar moeten de emigranten ook toe gaan behoren.

Wij zijn al lang allemaal multiculturalisten, zei Todorov, omdat we dagelijks met heel verschillende mensen omgaan: mensen met een verschillende status (een directeur, een portier, een student) met andere beroepen, vreemde gewoonten en andere morele codes. Al die verschillen verwerken we spelenderwijs omdat er één overkoepelende code boven uitsteekt: de gedeelde collectieve identiteit van medeburgers. Daar moet de nadruk op liggen wat Todorov betreft, en niet op religie, cultuur of huiselijke gewoonten. Emigratie is een sociaal-cultureel probleem en geen religieus probleem voor Todorov, geheel in door hemzelf hooggehouden traditie van de niet-fundamentalistische Verlichting (hij was een van de samenstellers van de grote tentoonstelling Lumières!, over de filosofen van de Verlichting in de Bibliothèque Nationale in 2007).

Het leek er even op dat Geert Mak het niet met Todorov eens ging zijn toen hij zei dat zich boven het emigrantenprobleem een nog groter probleem bevond: wat hij ‘de grote oorlog tegen de elite’ noemt. Alle mensen die het tegenwoordig voor het zeggen hebben in bedrijven en organisaties falen. Buschauffeurs, treinconducteurs, politiemensen, mensen op kantoren van banken: ze worden genegeerd, er wordt geen rekening met ze gehouden, er wordt met ze geschoven alsof het pionnen zijn op een schaakbord. Niet alleen de recessie zorgt voor angst, ook de onafgebroken zucht om te veranderen en te reorganiseren maakt mensen vogelvrij en onzeker. ‘De wereld is nog nooit zo veel en snel veranderd dan de afgelopen vijftig jaar’, zei Mak. ‘Overal zijn mensen ongelooflijk boos omdat ‘stabiliteit’ is vervangen door onafgebroken ‘verandering’ en ‘dynamiek’.

FTTodorov kon het met deze visie onmogelijk oneens zijn, hoe graag hij dat ook had gewild. Hij kon Mak zelfs met een sterk voorbeeld aanvullen: de toestanden bij France Telecom, waar in 1 jaar vierentwintig mensen zelfmoord hebben gepleegd. Het bekend worden van die zelfmoorden ontlokte bij de leiding van het bedrijf niet veel anders uit dan een technocratische reactie: dat het onderzocht zou worden. De achtergrond van dit drama is precies waar Mak het over had: de permanente onzekerheid waar mensen bij France Telecom in leven omdat er voortdurend gereorganiseerd moet worden omdat het bedrijf zich zo nodig in heel Europa moet ‘positioneren’. Niet alleen moeten mensen naar hele andere steden verhuizen, ook binnen het bedrijf heeft een constante stoelendans plaats. Steeds kreeg men te maken met een andere baas, een andere structuur, een andere strategie. Dat heeft zijn tol aan mensen geëist.

Deze laatste poging van Mak en Todorov om elkaar in de haren te vliegen liep ook op niets uit. Geen wonder, ze praktiseerden waar ze het in hun werk zo vaak over hebben: over redelijkheid, tolerantie en pluralisme.

Carel Peeters

recent

Waarin Winnie the Pooh een Vervolg krijgt

Natuurlijk wordt het op 5 oktober verschijnende en door David Benedictus geschreven vervolg op Winnie the Pooh met de grootste argwaan afgewacht. Wat denkt hij wel? De gelijke van A.A. Milne te kunnen zijn? Toch is het verre van onmogelijk om een vervolg in de geest van A.A. Milne te schrijven, zoals het ook niet hels lastig is om een schilderij in de stijl en geest van Ruysdael of De Hoogh te schilderen. Als je maar een beetje kunt schilderen en het voorbeeld bij de hand hebt.

Tea partyDe vraag is meer: wil je wel een vervolg lezen, of hou je het liever bij de twee delen die er zijn, Winnie the Pooh en House at Pooh Corner? Wil je meer van hetzelfde? Want daar zal het op neer komen. Benedictus zal helemaal in de geest van Milne te werk moeten gaan, anders wil geen Pooh-lezer er aan beginnen.

David Benedictus is duidelijk in de huid van Milne gekropen, dat blijkt uit het eerste hoofdstuk van Return to the Hundred Acre Wood dat in de Sunday Telegraph van zondag 27 september stond. Benedictus is een freelance schrijver van een reeks boeken, waaronder een als geestig bekend staande autobiografie. Hij is ook radiomaker en producer van de Pooh-luisterboeken, waarvoor hij Stephen Fry als Pooh wist te strikken en Judy Dench voor Kanga.

Benedictus’ taal is geheel en al Milne. De dialogen zijn helemaal in stijl. Hij wilde verhalen over Pooh schrijven die Milne ook had kunnen schrijven, schrijft hij in zijn nawoord bij dit eerste hoofdstuk. Vijf jaar geleden had hij twee hoofdstukken opgestuurd naar de erfgenamen van A.A. Milne. Toen konden ze er niets mee, want ze hadden de rechten van de boeken niet meer. Die hadden ze verkocht aan Disney. Maar die rechten hebben ze weer terug en de Milne Estate nam zelf contact met Benedictus op. Dat tweede hoofdstuk, waarin hij van Konijn een piraat had gemaakt, moest hij maar vergeten, verder mocht hij het nog eens proberen.2

Geen van de karakters valt uit zijn rol, aan het eerste hoofdstuk te zien. Pooh is meteen weer zijn potten honing aan het tellen en weet nog steeds niet of hij er tien of elf heeft. Knorretje wil weer een Erg Belangrijke Vraag stellen aan Pooh over een Gerucht dat hij heeft gehoord omtrent de Terugkeer van Christopher Robin, maar krijgt de kans niet. Uil doet weer alsof hij echt kan lezen, enzovoort. Kanga, Roe, Konijn, Teigetje en Iejoor zijn er natuurlijk ook bij. En er wordt weer in Hoofdletters gepraat als dat nodig is, vooral door Knorretje.

Het eerste hoofdstuk is gewijd aan de terugkeer van Christopher Robin (sinds 1928 niet meer gezien). Zijn vrienden organiseren een heuse Welcum Back Party. Dat is een even eenvoudig als vernuftig begin, want daarin heeft een hartverwarmende hereniging plaats. Christopher Robin is niet noemenswaardig gegroeid, te zien aan de tekeningen van Mark Burgess die wel dicht in de buurt van E.H. Shepard komen, maar hem niet imiteren. Hij komt op een fiets met een mandje waarin Coming-Home-cadeautjes zitten.

Kleine details laten zien dat Benedictus het fijne van de Pooh-wereld weet: hij laat Roe tegen Christopher Robin zeggen dat er genoeg puddingen, want hij en Teigetje hebben ze klaar gemaakt. De rode, die met de aardbeien, beveelt hij aan, want hij heeft zelf zijn zinnen op de groene gezet. Maar even later voelt hij zich daar schuldig over en beveelt hij toch de groene pudding aan. Iejoor, die altijd verongelijkt is, gedraagt zich ook karakteristiek: hij zegt dat Christopher Robin hem niet herkent. ‘Not that it’s important. After all, why should he?’ Christopher blijft ook zichzelf. Wanneer hij flink wat pudding heeft gegeten zegt hij tegen Pooh dat hij geen honing meer op kan. Wil jij het niet voor mij opeten, Pooh?: ‘I wondered, Pooh, whether you would be kind enough to eat it for me? Pooh was kind enough and did.’

Wanneer Benedictus ervoor heeft gezorgd dat er veel vertrouwds te lezen valt, en daarnaast van alles heeft bedacht dat voor verrassingen zorgt zonder wezensvreemd aan het verhaal te zijn, dan zal zijn Vervolg met knorrende en welwillende ironie worden ontvangen. Tenslotte zoemt het verhaal zelf ook van de ironie.

Carel Peeters 
 


Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Waarin de digitale knip- en plakstijl oprukt

Er komen vele zegeningen uit het digitale universum, maar daar hoort deze zin niet bij: ‘als je communicatief ingrijpende teksten wil aanmaken, dan moet je net als vroeger de technè van de huidige schrijfpraktijk beheersen. Een auteur moet nu eenmaal in haar tijd staan.’

De laatste zin is zo soepel neergeschreven dat het onwaarschijnlijk is dat er echt over is nagedacht: schrijvers moeten natuurlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend in hun tijd staan. Bij voorkeur moeten ze een beetje los van de tijd staan, zodat ze er van een afstandje naar kunnen kijken. Als ‘in je tijd staan’ betekent dat je als schrijver voortaan tekst moet ‘aanmaken’, dan wordt het nog aantrekkelijker om van een afstandje toe te kijken. En als dat  ‘teksten’ moeten zijn die ‘communicatief ingrijpend’ zijn, dan ziet het er naar uit dat een schrijver voortaan eerst een cursus communicatie-techniek moet hebben gevolgd voor hij een iets mag…aanmaken.

Brakke HondIn hetzelfde stuk van Dirk Vekemans in het afgelopen winternummer van het Vlaamse tijdschrift De Brakke Hond (nr 101) dat mij onder ogen kwam, wordt het zelfs de willigste ingezetene van het digitale universum tegen gemaakt om dit soort open deuren te lezen: ‘Elke tekst die je aanmaakt is het resultaat van jouw input aan een programma dat jouw input verwerkt tot een leesbaar geheel, maar die blijvende leesbaarheid dankt de tekst enkel aan het feit dat het op valideerbare wijze is omgezet in machinaal leesbare code.’

Deze Brakke Hond gaat over het zinnige onderwerp van de voor- en nadelen voor literaire tijdschriften om online te gaan. Wanneer de digitale revolutie in literaire tijdschriften tot dit proza leidt, dan wordt er erg geknabbeld aan haar zegeningen. Bij het redigeren van dit nummer is men volgens de Leger des Heils-methode te werk gegaan: we laten alles en iedereen toe. Dat is geen goede methode in de literatuur. Ook in het digitale literaire universum moet wel eens ‘nee’ gezegd worden tegen stukken. Het is geen goed teken dat twee artikelen zo beginnen: ‘Dit stuk is grotendeels samengesteld uit fragmenten van artikelen die ik eerder op internet heb gepubliceerd.’ Het andere: ‘Ik schrijf dit stuk in de nasleep van de Amerikaanse presidentsverkiezingen.’ Dit is een veel te amicale-jongens-onder-elkaar toon. Bijna alle stukken (niet dat van Joris Note) in dit nummer zijn in de knip- en plakstijl voor elkaar geschreven, alsof er eigenlijk gechat wordt, maar dan in de vorm van iets dat op een artikel lijkt. Deze amicale toon is funest voor een literair tijdschrift, het wordt er een clubhuis van, een plaats waar men onder elkaar is, en waar gewone lezers min of meer buitengesloten worden. ‘Communicatief ingrijpende teksten’ levert het in ieder geval niet op.


Carel Peeters