Waarin mooie post wordt bezorgd

In het aan Getekende brieven van Nederlandse kunstenaars gewijde nummer van Kunstschrift staan niet alleen mooie  voorbeelden van geïllustreerde brieven (Van Gogh, Peter Vos, Willem Witsen, Fritzi ten Harmsen van der Beek, Pieter Holstein), maar ook een aantal enveloppen die zo copieus geïllustreerd zijn dat er nog maar net plaats is voor de naam van de geadresseerde. De geïllustreerde envelop is naaste familie van de dito brief, maar er is toch reden om hem aparte aandacht te schenken. Dat zie je aan de voorbeelden van Jan Toorop die in dit nummer zijn afgedrukt. Voor Toorop is de envelop gewoon een stuk tekenpapier waarop hij tekent zoals hij gewend is. Soms componeert hij de naam van de geadresseerde (altijd ‘Mevrouw de Waard, van Galenstraat, Den Haag’) er in grote stijl in, maar meestal moet hij de naam op het laatste moment nog ergens kwijt. Voor postzegels is al helemaal geen plaats. Er zijn acht van zulke enveloppen bewaard gebleven.

Henri Matisse ging precies omgekeerd te werk: hij wisselde tussen 1941 en 1954 maar liefst twaalfhonderd brieven met zijn vriend André Rouveyre. Hij schreef duidelijk eerst de naam van zijn vriend op de envelop, en wat er aan ruimte overbleef voorzag hij van sierlijke en kleurrijke guirlandes, boterbloemen, stippeltjes, blaadjes, streepjes en vogeltjes – als het er maar fris en vrolijk uitzag, aangezien André net als Matisse in het Zuidfranse Vence woonde, en wel in een huis met de naam La Joie de Vivre. Dat was een naam naar Matisse zin.

32Een van de mooiste verzamelingen van versierde enveloppen is helemaal niet van een kunstenaar, maar van een officier in het Engelse leger: Captain Hugh Rose. Hij ontmoette in 1894 Mrs Constance King-Harman, de vrouw van de koloniaal secretaris van Mauritius. Rose werd de adjudant van deze secretaris. Hij werd natuurlijk verliefd op haar, maar liet dat op geen enkele manier merken, Victoriaans opgevoed zijnde. Ze schreven elkaar allerhartelijkste maar keurige brieven. De koloniaal secretaris werd regelmatig overgeplaatst, en Rose’ brieven volgden haar trouw naar Barbados, St Lucia, Gibraltar of Londen. Captain Hugh Rose maakte er werk van: hij voorzag 119 enveloppen van de charmantste taferelen: konijnen in vergadering rond het adres, een politieman die een zaklantaarn op haar naam en adres richt, een zeemeeuw met een envelop in zijn bek, een krantenman met een sandwichbord met het laatste nieuws in de vorm van naam en adres, of het konijn uit Alice in Wonderland dat een papieren rol vasthoudt met haar naam. De charme van de brieven blijft geheel beperkt tot de buitenkant, aangezien de inhoud van de brieven wel gedicteerd lijkt door koningin Victoria zelf. Het blijft 119 keer ‘My dear Mrs King-Harman’, en eindigend met ‘Yours very sincerely, H. Rose’.

recent

Waarin de ‘spike’ in ere wordt hersteld

Naar aanleiding van My Paper Chase, de memoires van de legendarische hoofdredacteur van The Sunday Times (1967 tot 1981), herinnert Peter Stothard er in de Times Literary Supplement aan dat op de krantenredacties van Fleet Street altijd een spike stond. Een spike is een lange scherpe pin waarop men papieren en papiertjes kon prikken: bonnetjes die bewaard moesten worden, of kattebelletjes om iets niet te vergeten. In de tijd van Evans werden er stukken op geprikt die niet in de krant kwamen: niet goed genoeg of geen nieuws meer.

Tegenwoordig is de spike nergens te bekennen, want als een artikel niet in de krant komt, gaat het wel op de website van de krant. Er is tegenwoordig altijd plaats. Vandaar dat Harold Evans zich afvraagt of het niveau van de gedrukte journalistiek in zijn digitale vorm wel gehandhaafd blijft.

In ieder geval had het artikel van Waldemar Januszczak over de Engelse editie van Van Goghs Brieven in The Sunday Times van 20 september jl. op die spike geprikt moeten worden: te beroerd. Het is een in smeuïge populaire krachttermen geschreven stuk. De lezer moet denken dat die Januszczak echt kan schrijven. Het wemelt van de niet ter zake doende informatie: over het weer in Amsterdam, dat hij vroeger in het Vondelpark sliep, dat hij haring kreeg te eten en over de gezondheid van een van de redacteuren van de brieven. We worden ook vergast op Januszczaks parti pris: hij wil niet dat de zon schijnt, maar dat het regent in Amsterdam. Alsof hij dronken achter de computer zit roept hij uit: ‘Give me clouds and misery. Help me out here!’ Dit is het soort kreten waar online-geletterden patent op hebben.

Het Rietveld-gebouw van het Van Gogh Museum noemt Januszczak ‘strikingly concrete’ en een ‘bunker’. Van Gogh hoort niet in zo’n gebouw. Iemand met zijn explosieve natuur, zijn ‘instability of mind’, daar hoort een maf (potty) gebouw bij dat moet wankelen (tottering), en geen gebouw waarin hij de Belastingdienst verwacht.

Januszczak heeft het voortdurend over de ‘Van Gogh mythe’ die gekoesterd zou worden door een ‘Van Gogh industry’ die vanuit dat gebouw ‘gerund’ zou worden. Maar zelf lepelt hij alleen maar de platste cliché’s over Van Gogh op. Hij is louter op zoek naar pikanterieën, hongerig naar ‘juicy new bits’ in de noten van de brieven, en naar ‘psychosexual scandal’. Maar helaas, er zijn veel noten, maar ‘not a single shock’. Het is een geluk dat Van Gogh nog omgang heeft gehad met een prostituee. Dat kan hij als een juicy bit nog vermelden.

Gelukkig, gelukkig, heeft Januszczak een brief van Van Gogh aan Emile Bernard gevonden waar wel drie keer het woord neuken in voorkomt, zodat hij die uitvoerig kan citeren. Maar wat nu? Slaat daar de spreekwoordelijke Engelse hypocrisie toe in The Sunday Times? Steeds waar in het Engels het woord fuck staat heeft de Januszczak sterretjes gezet: f*** staat er nu, want het complete woord mag in Engeland niet openlijk geschreven worden.

En dan die brieven, die moeten zo nodig integraal in zes delen worden uitgegeven, alsof we niet genoeg hebben aan Van Goghs meesterwerken, schrijft Januszczak. Na zo’n opmerking verwacht je dat hij Van Gogh als briefschrijver niet hoog heeft zitten, maar nee, met die 900 brieven kan hij toch wel een leuke alinea maken. Volgt weer zo’n overbodige exclamatie uit de wereld van de online-geletterden: ‘Let me take a deep breath’.

Kern van de zaak is dat Januszczak de redactie van de brieven (Leo Jansen. Hans Luijten en Nienke Bakker) verwijt dat ze met de Van Gogh-mythe willen breken: ze zouden hem niet als het grillige genie presenteren, niet als een halve wilde, maar als een gedisciplineerde, hardwerkende, systematisch te werk gaande kunstenaar. Iedereen die meer in de brieven gelezen heeft dan Januszczak ontdekt geleidelijk aan hoe Van Gogh (ondanks al zijn mentale problemen) gedisciplineerd en vastberaden werkt. Ook al heeft hij er eerder voor de bühne schamper over gedaan: Januszczak wil alleen de mythe, de ruwe bolster Van Gogh, ‘the turbulent Van Gogh’.

En al dat werk van de redactie, al die verklarende noten, daar doe je Van Gogh geen plezier mee. Geef Januszczak maar een goede bloemlezing van de brieven, waarin flink gesnoeid en samengevat is. Deze integrale uitgave van de brieven maakt zelfs ‘een slechtere schrijver’ van Van Gogh.

spikeEén ding is zeker: Harold Evans had dit artikel van Januszczak resoluut op zijn spike geprikt.

Carel Peeters  
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 


Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Waarin de gewone lezer een held wordt

Halverwege de twintigste eeuw wordt het ideaal van een algemeen gedeelde cultuur losgelaten. De common culture werd gaandeweg vervangen door elites van specialisten, parafraseert Bas Heijne in NRC Handelsblad van 25 september Declan Kiberd, de schrijver van het boek Ulysses and Us. Daarin beweert Kiberd dat James Joyce’ roman in de loop der jaren in beslag is genomen door zoveel literatuurspecialisten, die er zoveel in hebben gestopt en uit hebben gehaald, dat het aantal proefschriften over het boek in de honderden is gaan lopen. Met als tragisch gevolg dat de roman door de gewone lezers niet meer ter hand wordt genomen omdat ze zich eerst een weg zouden moeten banen door het dieventaaltje van de specialisten. En dat doen ze niet. Jammer, want het boek gaat nu juist over het alledaagse leven dat de common reader zo dicht in zijn buurt heeft.

Dat die specialisten het de gewone lezer met hun geïnterpreteer en geanalyseer tegen zouden hebben gemaakt om Ulysses te lezen lijkt mij niet vol te houden. Een gewone lezer leest geen proefschriften en geen vaktijdschriften. Die hoort hoogstens wel eens dat iemand een geleerd boek over Ulysses heeft geschreven. Gewone lezers en academici treffen elkaar alleen wanneer een gewone lezer naar een lezing in de reeks Studium Generale van de Universiteit gaat. Maar dat zal hij niet zo gauw doen, omdat die voornamelijk door studenten worden bezocht. Maar als hij het doet zal de academicus van dienst de gewone lezer niet om zijn oren slaan met zijn dagelijkse jargon, aangezien hij de uitdrukkelijke opdracht heeft een brug te slaan naar die algemeen belangstellende gewone lezer, en dus moet hij in gewone mensentaal te werk gaan. Over het algemeen zijn de gewone lezer en de academicus twee verschillende werelden. Het zijn de culturele en literaire supplementen waar de gewone lezer het van moet hebben.

Ulysses is geen eenvoudig boek, zoals Bas Heijne terecht zegt in zijn commentaar op Kiberds bewering. Dát is de reden dat de gewone, maar wel erg geïnteresseerde lezer het boek niet meteen in zijn armen sluit. Het vereist een extra inspanning, die niet van de gemiddelde lezer gevraagd kan worden. Hij (waar ‘hij’ ook altijd zij, zeker als het om lezers gaat) heeft een druk leven en maar weinig tijd om zich extra in iets te verdiepen. Voor de common reader, deze niet erkende held van het gedrukte woord en de steunpilaar van de geletterde wereld, is Ulysses net iets te vernuftig van taal en strekking. Een probleem is dat natuurlijk niet, de gewone lezer wordt er niet minder van, en de echte liefhebber kan zich ermee onderscheiden wanneer hij de eindstreep van het boek wel haalt.

De gewone lezer is en andere dan een echte lezer. De echte lezer heeft het lezen en het verzamelen van boeken tot de passie van zijn leven gemaakt. Die staat met boeken op en gaat ermee naar bed, en tussendoor zijn ze altijd in de buurt, of dwalen zijn gedachten gemakkelijk naar boeken af als hij eigenlijk andere dingen moet doen. Ulysses heeft hij natuurlijk gelezen.

WoolfDe gewone lezer is een stevige lezer, altijd een boek in de buurt en altijd benieuwd naar iets nieuws, maar er zijn nog andere dingen in het leven, zoals kinderen, muziek, kunst of op stap gaan. De echte lezer droomt van boeken, heeft een aantal schrijvers die hij koestert, waarvan hij er één (kunnen er ook twee zijn) wel heel erg in de watten legt. Van bepaalde boeken heeft hij wel verschillende edities, en hij is altijd op zoek naar meer.

De echte lezer is natuurlijk een kostbaar wezen, maar de gewone lezer is in al zijn bescheidenheid een heilige. Die is geamuseerd geïnteresseerd in nieuwe boeken in het algemeen, en van bepaalde schrijvers in het bijzonder. Hij spelt twee boekenbijlagen, heeft een abonnement op een literair tijdschrift en als hij er aan denkt kijkt hij ook wel eens op de website van De Papieren Man. Hij gaat ook wel eens naar literaire avonden. Als je hem/haar spreekt is het alsof je praat met iemand die van de hoed en de rand weet als het om de literatuur gaat. Tegen zo’n gewone lezer kun je heel goed zeggen dat hij/zij het nog eens met Ulysses moet proberen. Het is even doorzetten, maar het genot en de beloning blijven niet uit: aan het eind komt immers met zekerheid de monoloog van Molly en die leest als een trein, want daar komen geen punten en komma’s voor. Het is één voortrollende gedachtestroom. En helemaal zonder liefde is Ulysses, en zeker de monoloog van Molly, ook al niet. Two cheers for the common reader.

Carel Peeters