Waarin het gazon van de zuivere geest wordt betreden

Het is lastig om het met Rob Riemen oneens te zijn, en toch zou dat moeten. De Nexus-voorman schrijft regelmatig een essay waarin hij pleit voor het in ere herstellen van het ideaal van het ware, goede en schone. Het is misschien wel goed om het ware, goede en schone in je achterhoofd te houden, maar bij Riemen staan ze op zijn voorhoofd geschreven. Al zijn essays gaan er in iets andere bewoordingen over, alle citaten waarmee hij zijn betoog lardeert zijn familie van elkaar. Ze vormen een carrousel waarin steeds dezelfde rondjes worden gedraaid en altijd de woorden waar, goed, schoon, zin, liefde, compassie, wijsheid, rechtvaardigheid, deugd, zelfkennis, onvergankelijkheid en beschaving voorkomen.

Het is bij Riemen een draaimolen omdat ze een leven onafhankelijk van de werkelijkheid leiden. Hij cultiveert ze als zuivere begrippen, als platoonse ideeën. Ze moeten niet al te zeer met de echte werkelijkheid geconfronteerd worden, want dan worden ze vuil, smoezelig en komen er vlekken op. Wanneer Riemen het over ‘beschaving’ heeft als iets dat afwezig is in deze tijden, dan heeft hij gelijk, groot gelijk. Te veel gelijk. Het gelijk dat niets kost, want er zal altijd te weinig beschaving zijn. Het gratis en leeg gelijk.

In Adel van de geest, een vergeten ideaal, zijn vandaag verschenen boek met vier essays, schrijft Riemen waar men de adel van de geest niet zal vinden: ‘Zoek haar niet in de wereld van de media, de politiek, de wereld van het lawaai. Daar is de geest nog nooit geweest. Ga niet naar de academia. Die hebben de geest verdreven. En de kerken? Niet zonder reden klinken zij hol. De wereld van de roem? We zullen er slechts in dolen.’

Riemen verklaart de halve wereld (media, politiek, academia, kerk, lawaai) tot woestijn waar de geest verdreven is. Daar moet je je dus niet in begeven om niet geestloos te worden. Je zou zeggen dat de adel van de geest – als je die dikke woorden al in je mond zou willen nemen – op zijn waarde moet worden getest in de harde praktijk, onder druk van de echte problemen. Dus precies daar waar het er op aan komt te tonen wat persoonlijk verworven ideeën en waarden voorstellen: in de slangenkuil van de ‘media’, bij de vuile handen van de politiek en middenin het ‘lawaai’. Het is geen kunst om het ware, schone en goede te cultiveren op het gazon van de zuivere geest.

Riemen is wat men en secundair essayist noemt, iemand die voortdurend grote geesten citeert en nooit tot een oorspronkelijke eigen gedachte komt. Hij recycelt andermans gedachtegoed, van Socrates, Spinoza, Goethe tot Thomas Mann.  Veel kwaad kan dat natuurlijk niet. Wat Riemen citeert verwondt niemand, en sommige mensen komen bij hem woorden tegen die ze lang niet gezien hebben, maar het blijft uit de tweede hand.

Carel Peeters

recent

Waarin een nieuw genre opduikt

Thomas Vaessens zal in Vast, de nieuwe roman van Ton Anbeek waarin het gaat over criminele jongens in een gesloten inrichting, misschien een bewijs willen zien van het nieuwe engagement waar hij voor pleitte in zijn boek De revanche van de roman, maar dat zou iets te tendentieus zijn. Anbeek, die in 1981 in De Gids het essay schreef waarin hij vroeg om meer ‘straatrumoer’ in de Nederlandse literatuur, is het bewijs dat engagement nooit weg is geweest uit de Nederlandse literatuur. Zijn essay zette de discussie voort die in 1979 was begonnen met het debat over ‘De taak van de schrijver’ in De Revisor. In de  discussie over het straatrumoer werden de nodige nuances aangebracht. ‘Engagement’ moest niet al te plat opgevat worden, Mystiek lichaam van Frans Kellendonk of Casino van Marja Brouwers moesten er ook onder kunnen vallen.

Anbeek heeft altijd een zwak gehad voor realistische of naturalistische romans, wat niet uitsloot dat hij ook gecharmeerd kon zijn van het romantisch-decadente werk van Gerard Reve. Over allebei de genres heeft hij boeken geschreven, De naturalistische roman in Nederland en Het donkere hart. Romantische obsessies in de moderne Nederlandse literatuur. Wij zaten in 1982 samen in de jury  voor de Henriëtte Roland Holst Prijs, die wordt toegekend aan een roman die ‘uitmunt door sociale bewogenheid en literair niveau’

(toen gewonnen door Walter van der Broeck voor Brief aan Boudewijn).

Van sociale bewogenheid is zeker sprake in Vast, maar ook van enige romantische fascinatie voor het rauwe leven. Vast is een nieuw genre in de Nederlandse literatuur: de documentaire roman. Dat was al meteen te merken aan het gesprek met Anbeek in het radioprogramma Kunststof van dinsdag 22 september. Dat ging niet of nauwelijks over de roman, maar louter over de werkelijkheid en de research die een documentairemaker doet: Anbeeks bezoeken aan een gesloten inrichting voor criminele jongeren om materiaal te verzamelen voor het boek. Vast is een roman waarin werkelijkheid en verdichting elkaar voor de voeten lopen. Anbeek heeft het taalgebruik van de jongens willen benaderen, maar aan alles is duidelijk dat hij er toch literatuur van heeft gemaakt, terwijl de bron er doorheen schemert. De roman is geschreven vanuit het perspectief van een criminele jongen die iets meer ontwikkeling heeft dan zijn lotgenoten. Dat is goed bedacht, maar de jongen denkt en schrijft toch te sophisticated: Anbeek zelf steekt er doorheen. Om echt realistisch te zijn had het boek Bukowski-achtig rauw moeten zijn, of meer in de geest van Irvine Welsh’ Trainspotting. Hoe dichtbij Anbeek ook komt, er zit een onzichtbaar scherm van literaire netheid tussen de werkelijkheid en woorden van de jongen. Zoals een echte documentaire signaleert de roman ook een probleem en een dilemma: zo’n gesloten inrichting waarin jongens twee, drie of vier jaar vast zitten heeft niet het gewenste effect. Ze komen er niet beter uit. Ze vervallen in herhaling.

Carel Peeters

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Waarin Van Gogh een parallel-oeuvre krijgt

Er zijn veel brieven in de nieuwe editie van Van Gogh Brieven die begin oktober in zes kloeke delen zal verschijnen die je exemplarisch zou kunnen noemen: brieven die over één thema blijken te gaan, over religie, over kunst, over de techniek van het schilderen, over zijn ouders, over de stand van zijn leven, over kleurgebruik, over zijn melancholie. Nu ik een flink deel van de 2180 pagina’s gelezen heb kan ik wel zeggen dat het prettige verrassingen zijn wanneer zo’n exemplarische brief weer opduikt.

Een exemplarische brief tegenkomen betekent oogsten: in zo’n brief staan meer dan in andere brieven passages, zinnen, alinea’s die essentieel zijn voor de kennis van de persoon, het werk en het leven van Van Gogh. Leven en werk van Van Gogh zijn verre van onbekend, maar er zijn maar weinig mensen die alle 819 brieven  gelezen hebben. Van Gogh is natuurlijk zijn werk, maar hij zit ook in zijn brieven. Door deze nieuwe, geannoteerde en onbekrompen geïllustreerde editie worden de brieven nog meer een soort parallel-werk, nóg een oeuvre, maar dan in geschreven vorm.

Je kunt een biografie over Van Gogh lezen, maar het zelf lezen van de brieven (of een deel ervan) parachuteert je midden in zijn leven, alsof je erbij staat. Het is onvermijdelijk dat het lezen van zoveel brieven je dwingt om over Van Gogh na te denken, over zijn karakter, zijn ambities, zijn grilligheden, zijn religieuze bevliegingen, zijn ideeën, zijn kijk op mensen. Hij schrijft zo voor de vuist weg, zo zonder schroom, zonder bijgedachten, dat je zijn leven en gedachten bijna van dag tot dag kunt volgen. Je zit op zijn lip.

Eén zo’n exemplarische brief is nummer 537, geschreven vanuit zijn ouderlijk huis in Nuenen op woensdag 28 oktober 1885. Dat is de brief over de techniek van het schilderen en zijn nieuwe overtuiging dat ‘kleur uit zichzelf iets uitdrukt’. Als de kleur ‘het maar goed doet op het doek’. Van Gogh was in die tijd gegrepen door de vermogens van kleur. Hij moest ‘macht’ over zijn kleurgebruik krijgen om het effect ervan precies te kunnen berekenen. Hij schrijft er over als een alchemist: aan de hand van schilders als Monticelli en Delacroix, en met de boeken van Braquemont en Blanc voor zich berekent hij wat een bepaalde combinatie van kleuren zal doen. Soms moeten kleuren van Van Gogh tegen elkaar schreeuwen.

briefKennis van kleur werd een sleutel voor hem: ‘Het is zeker’, schrijft hij in die brief aan zijn broer Theo, ‘dat door de wetten der kleuren te bestuderen, men van instinktmatig geloof in de groote meesters tot ’t zich rekening kunnen geven waarom men mooi vindt wat men mooi vindt komen kan, en dat is wel nodig tegenwoordig als men bedenkt hoe verschrikkelijk willekeurig er beoordeeld wordt en oppervlakkig.’

De brief gaat ook over het loslaten van de realiteit en het zelfstandig worden van de kleur. Van schilders die met ‘afgrijselijke preciesigheid’ de kleur van een gezicht nabootsen wanneer ze een portret maken, moet hij niets hebben. Hij wil liever een portret van Courbet, dat veel ‘waarder’ is omdat het zich juist niet houdt aan die letterlijke nabootsing. ‘Machinaal en slaafsch de natuur copieeren’ ruilt hij in voor het schilderen ‘vanuit het palet’. Hij wil een colorist zijn die meer liefde heeft voor de kleuren van zijn palet, dan voor die van de natuur. Zo wemelt deze brief van Van Goghs ontdekkingen. ‘Kleur drukt uit zichzelf iets uit, dat kan men niet missen, daar moet men gebruik van maken, wat mooi doet, werkelijk mooi – is ook juist.’

Carel Peeters