Waarin stil gefladderd wordt

Het is altijd een verademing om tussen het hectische nieuws in de krant ineens een stilleven van Adriaen Coorte (c.1683-1707) te zien. Het fungeert als een oase. De perziken, aardbeien, asperges en kruisbessen trekken zich nergens iets van aan, er kunnen koninklijke hoofden vallen en rivieren buiten hun oevers treden, maar Coortes vlinders fladderen verstild in de donkere achtergrond van zijn schilderijen.

Deze onverstoorbaarheid mag niet verhinderen dat we moeten erkennen dat een van de twee dezer dagen bij een slapende familie opgedoken Coortes, het ‘Stilleven met de test aardbeien’, geen opzienbarende aanvulling op zijn oeuvre is. Het is het elfde schilderij waarop een bijna identieke test met aardbeien te zien is. En het is, ook omdat hij waarschijnlijk nogal vuil is, niet de mooiste. Hij wordt met liefde toegevoegd aan de andere vierenzestig Coortes, maar zijn rol zal bescheiden zijn.

Anders is het met ‘Stilleven met perzik en twee abrikozen’ dat tegelijk uit een la tevoorschijn kwam. Er is wel een andere met perziken en abrikozen (nr 27 in de catalogus van Quintin Buvelot voor de tentoonstelling in het Mauritshuis in 2008), en er is er ook een met perziken en één vlinder (cat. nr. 17), maar deze nieuwe heeft twee vlinders die allebei op een strategische plaats in het schilderij zijn geplaatst, een in de donkere bovenkant, en een tegen de rand van het brede tafelblad. Die tegen de rand lijkt te leven, het is alsof hij pogingen doet om over de rand te klimmen.Perzik...

Hier is Coorte weer de poëtische realist. De fijnzinnigheid waarmee hij schildert maakt hem niet tot een fijnschilder. Het wordt bij hem nooit glad of levensloos. Hij weet iets gewoons uit de werkelijkheid zo te individualiseren en op zichzelf te plaatsen dat het een bescheiden allure krijgt. Zijn vlinders in de zwarte achtergrond vertegenwoordigen die poëzie. Ze zorgen voor een delicaat effect, maar ze maken het schilderij niet precieus. Ze vormen een luchtig contrast met de massieve tafelbladen. Het is alsof ze even zijn komen aanfladderen om op het schilderij te figureren. Ze zijn blijven plakken.

recent

Waarin water bij Epicurus wordt gedaan

Vanaf het moment dat over het menselijk geluk wordt nagedacht, duikt het varken op als symbool van onbevangen tevredenheid. Die ligt lekker te knorren in de modder en de rest gaat hem niet aan. Het varken had een slechte aan Socrates, want die beweerde dat een leven zonder kritisch onderzoek naar de waarde ervan niet de moeite waard was. Dat had geen gehalte. Maar zodra iemand het leven gaat onderzoeken verdwijnt op slag zijn tevredenheid, dat is een wet, want dan duikt het ene probleem na het andere op. Zo’n bewuste en rationele instelling is slecht voor het geluksgevoel. De vraag is dus: liever een ontevreden Socrates of een knorrend varken?

Over deze vraag ging het originele boek Filosofie voor de zwijnen van Klaas Rozemond dat het in 2005 bracht tot een nominatie voor de Socrates Wisselbeker. De complete geschiedenis van de filosofie kwam langs en werd onderworpen aan de porcratische test: hoeveel ontevredenheid is redelijk om nog gelukkig te kunnen zijn? Dat het antwoord gezocht moet worden in een combinatie van Socrates en het varken (het socratische zwijn), is wel erg de gulden middenweg, maar het is een vernuftig bedacht en onderhoudend boek.

Rozemonds nieuwe boek Het aardse leven heeft de gevaarlijke ondertitel ‘Een filosofische handleiding’. Dat is een elastisch gebruik van het woord ‘handleiding’. De eerste suggestie die ervan uitgaat is dat het een inleiding op de filosofie is, en dat is het (gelukkig) niet. Het is een boek over de mogelijkheid en onmogelijkheid van wereldbeelden. Aan de titel van het boek is te zien dat Rozemond zelf kiest voor een aards, naturalistisch wereldbeeld waarin ervan uitgegaan wordt dat de wereld met een oerknal begon en dat daarna alles zich op een natuurlijke manier heeft ontwikkeld. Bij een godsdienstig wereldbeeld is de wereld door God geschapen. In de sceptische wereld wordt alles in twijfel getrokken. Het wetenschappelijke wereldbeeld leunt natuurlijk dicht tegen het naturalistische aan, maar ook tegen het sceptische, aangezien twijfel een wezenlijk bestanddeel is van het wetenschappelijke proces.

Nijkamp

In hun kern zijn al die wereldbeelden niet hard. Ze zijn uiteindelijk niet te bewijzen: de oerknal niet, het bestaan van God niet, het bestaan van de wereld niet. Is de wereld immers niet louter een voorstelling van onze wil, zoals Schopenhauer beweerde? Hoeveel aardigs er ook in Het aardse leven staat, Rozemond heeft ook nu weer een uitgangspunt dat enigszins voorspelbaar op de middenweg uitkomt: hij betoont zich bijvoorbeeld een aanhanger van Epicurus en moet dus uitkomen op een wereldbeeld dat de epicurische gemoedsrust bevat. Die gemoedrust bereik je door te beseffen hoe vergankelijk je bent en door macht te hebben over je begeerten. Dat is geen wereldbeeld waarvoor je elke dag uit bed stapt. Vandaar dat Rozemond water bij Epicurus doet: ‘Misschien’, schrijft hij, ‘kunnen we streven naar een bepaald evenwicht’. Dus niet teveel denken aan de vergankelijkheid, en die macht over de begeerten mag ook wel iets losser. Ook in andere opzichten komt Rozemond uit bij dat ‘bepaalde evenwicht’ tussen uitersten: geen puur eigenbelang en geen puur medelijden, maar een ‘optimale mengeling van eigenbelang en medelijden’. Net als in Filosofie voor de zwijnen is de slotsom van Het aardse leven minder prikkelend dan de weg er naar toe.


Carel Peeters


(De tekening van Schopenhauer komt uit het boek en is gemaakt door Jet Nijkamp)

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Steeds minder dood

Piramides, mausolea, grafmonumenten, historieschrijvers, relikwieën, archieven, testamenten, erfenissen, biografieën, het achterlaten van plukjes haar: dat waren zoal de middelen waarmee men ervoor zorgde na de dood nog herinnerd te worden. De lezing waarmee de Groningse psycholoog-historicus Douwe Draaisma vorige week vrijdag het nieuwe seizoen van het Academisch Cultureel Centrum Spui25 in de aula van de Universiteit van Amsterdam opende had als titel ‘De tweede dood, en hoe er aan te ontkomen’. Werkelijk dood ben je pas als je dierbaren je vergeten, was zijn uitgangspunt. Men probeert daaraan te ontkomen door regieaanwijzingen achter te laten voor de manier waarop dat moet gebeuren.

Draaisma was gestuit op een verzameling van zo’n tweehonderd afscheidsbrieven geschreven door mensen die tijdens de Terreur van de Franse Revolutie (1793-1794) onder de guillotine kwamen. Dat die verzameling bestaat komt omdat die brieven nooit zijn aangekomen bij de geadresseerden. Ze werden niet bij de nabestaanden afgeleverd, maar verdwenen in een archief. Die brieven zeiden allemaal op een andere manier ‘Vergeet mij niet’. Toch werden er niet alleen brieven gebruikt voor het heilige doel. De vrouw die ervoor zorgde dat de wrede Jacobijn Marat in zijn bad de dood vond, Charlotte Corday, zorgde ervoor dat haar portret werd geschilderd voor ze werd onthoofd. Corday wist dat haar daad de geschiedenis zou halen en nam zelf de regie ter hand. Er is zelfs een schilderij waarop te zien is hoe de schilder van haar portret zijn spulletjes inpakt na gedane arbeid. Ook de prinses van Monaco, Marie Thérèse, werd onthoofd, maar niet nadat zij een dag uitstel had gevraagd (en gekregen) zodat ze de tijd had om een vlecht van haar haar te maken. Die wilde ze aan haar kinderen nalaten.

Draaisma hield het vooral historisch. Vandaar dat hij niet overweldigd kon worden door de vele manieren om in de herinnering voort te blijven leven sinds de uitvinding van de fotografie, de film, de geluidsopname en de video. Je zou kunnen zeggen dat tegenwoordig steeds minder dood wordt gegaan. Het herinneren wordt erg geholpen. Onsterfelijk kunnen mensen nog steeds niet worden, maar elke willekeurige dode kan nu in lengte van dagen de duurzame herinneringstatus van vroegere koningen en keizers krijgen als er maar gefotografeerd en gefilmd is. En als dat materiaal maar gewaard is in de familie of in een openbaar archief.

De dode wordt er niet levend van, maar toch nog aanzienlijk meer dan met een haarlok, een brief of een schilderij. Het aardige is ook dat men niet zoals vroeger speciaal maatregelen hoeft te nemen om in de herinnering te blijven, maar dat fotograferen en filmen nu heel gewoons is. Het heeft niets meer met ijdelheid te maken, de geschiedenis kijkt niet mee, hij loopt mee. Draaisma zei dat het geheugen zich niet laat commanderen, maar als er foto’s, stemmen en filmpjes zijn worden de dierbaren nog minder gauw vergeten.


Carel Peeters