968 vrienden, een landweg en een boom

Ik moest eerst niet zo veel hebben van die sociale netwerken op het wereldwijde web. Vrij laat opende ik een paar accounts. Ik gebruikte hyves vooral om in contact te blijven met familieleden die een eind van Amsterdam wonen en facebook als internationale variant. Twitter is meer zenden dan ontvangen, dus dat gebruik ik vooral op die manier.

Nu is hyves aan zachte dood aan het sterven en dat komt denk ik met name door het belabberde niveau en door de lay-out van de site die inmiddels wel erg veel kenmerken van facebook heeft overgenomen, maar nog altijd een Peppi en Koki uitstraling heeft.

Mijn ‘vrienden’ op hyves bestonden uit mijn gewone vrienden, dat waren er een paar, een stuk of honderd mensen die ik ken of ooit ontmoet of gesproken heb, en een enorme verzameling mensen met allerlei achtergronden die me een vriendenverzoek stuurden terwijl ik geen idee had wie die mensen waren. Er zaten zangers van smartlappen bij. Er zaten boksers tussen die via via mijn naam ergens hadden opgepikt. Er zaten mensen bij die mijn boeken gelezen hadden of die zeiden dat ze mijn boek gelezen hadden. Er zaten mensen bij die graag zelf willen schrijven.

Ik heb het zelf ook gedaan: wildvreemde mensen vragen of ze je vriend willen zijn. Bijna iedereen accepteerde me als vriend. Het was bizar. Het was geweldig. Alsof ze wisten wie ze in huis haalden. Op een gegeven moment had ik 968 vrienden.

Ik schrijf dit in de verleden tijd, want ik heb bijna iedereen er weer uit gegooid. Ik werd ziek van de ‘krabbels’ op mijn hyves-pagina van mensen die me een ‘prettige dinsdag’ wensten. Ik kon niet meer tegen de overdaad aan emoticons. Iedereen die me iets wilde vertellen via hyves en die daarvoor zo’n emoticon gebruikte ging eruit. Ik was er klaar mee en hou nu alleen hyves nog aan om die paar familieleden die ver weg wonen en mensen van de voetbalclub die vooral hyves gebruiken om elkaar te kunnen mailen.

faceFacebook is anders. Facebook is serieus in de zin dat mensen, voor zo ver ik dat kan overzien, vooral ‘vrienden’ hebben die ze ook daadwerkelijk kennen. Het lijkt een soort code te zijn dat je niet iedereen zo maar een vriendenverzoek stuurt. Af en toe wil ik nog wel eens een collega die ik alleen van naam ken accepteren, maar verder zijn mijn vrienden allemaal mensen die ik ken, en in ieder geval een keer gesproken heb.

Verder is er op facebook een grote groep schrijvers en muzikanten en kunstenaars actief. Wanneer ik het in mijn status heb over een konijn, dan zijn er erg veel mensen die begrijpen over welk konijn dit gaat. Als ik het heb over de oudbolligheid van het woord ‘verlovingstijd’, dan zijn er erg veel mensen die weten over welk boek ik het heb. Zelfs het vertaalde citaat ‘Landweg met een boom’ leverde reacties op waaruit bleek dat iemand wist dat ik de eerste zin van Wachten op Godot citeerde, volgens hem een slechte vertaling. Op hyves was dit kansloos geweest.

Dat is prettig, dat er binnen dit hele virtuele gebeuren van vriendschap en contact, mensen zijn die weten waar je het over hebt.

Jan van Mersbergen


recent

Een schreeuwende fluisteraar

Ik wil best geloven dat er mensen zijn die contact hebben met overleden personen, maar er zijn types die dit op zo’n manier gebruiken dat het me woedend maakt, iedere keer als ik ze de wonderen zie verrichten, op een commerciële televisiezender.

Een van die mensen is Derek Ogilvie. Deze Schot werd bekend als babyfluisteraar, omdat hij in contact kan komen met het onderbewustzijn van kleine kinderen. Inmiddels maakt hij theatershows, even commercieel als zijn televisieprogramma. Voor € 59,- kunt u er bij zijn.

Dat geld is geen probleem, en ook het in contact komen met mensen die er niet meer zijn, wilsonbekwamen of andere spoken is geen probleem. Afgelopen maand hoorde ik hem in een afsluitend filmpje na zijn televisieshow zeggen dat hij sceptische mensen zal overtuigen van wat hij allemaal kan. Natuurlijk ben ik sceptisch als het over contact met overleden mensen gaat, en met baby’s, maar deze man hoeft me niet te overtuigen bepaalde zaken te kunnen zien, die hij eigenlijk niet geacht wordt te kunnen zien. Dat is vaker gebeurd en het zal allemaal wel. Stuitend is vooral de pretentie van Ogilvie dat hij mensen helpen kan.

ogIn een van zijn shows op televisie bezocht hij een Nederlands gezin. De moeder van het gezin had problemen, en trok het gezin daar in mee. Ik zag ook wel dat deze vrouw gesloten was, vol zat met verdriet, zich niet kon uiten, angsten had, onzeker was en dat haar leven daardoor geen pretje was. Allemaal zaken die van haar gezicht af te lezen waren, daar heb je geen contact met overleden familieleden voor nodig.

Gelukkig voor Ogilvie had deze vrouw wel een aantal overleden familieleden, en ze kwamen juist op bezoek toen hij daar ook op de koffie ging. Al snel was hij met ze in gesprek en deze doden wisten te melden dat de vrouw heel vaak iets deed wat ze eigenlijk niet wilde. Mensen die depressief zijn hebben doorgaans moeite met het afstemmen van wat ze willen, op wat ze doen. Daar zit nogal wat ruimte tussen en dat schept problemen.

Aan de hand van een paar kenmerken van een overleden oom of tante – iets met een gouden ketting en school, heel vroeger, en waar dat prulletje nu ligt – wist Ogilvie het gezin ervan te overtuigen dat hij echt contact met hen had en dat de vrouw haar man en kinderen in een moeilijke situatie bracht, door haar gedrag. De vrouw moest bijna huilen.

Toen kwam het, de hulp. Ogilvie keek de vrouw indringend aan en met zijn vette Schotse accent zei hij tegen de arme vrouw: ‘I’m angry at ye. I wanne slap ye. I wanne slap ye in the face. Stop it. Just stop is, atherwise I will slap ye.’

Dat was de hulp waar de vrouw het mee moest doen. Hij was tegen haar aan het schreeuwen. Overdonderd door de krachtige taal, door het krachtige knikken van de andere familieleden en waarschijnlijk ook door de aanwezigheid van een cameraploeg in het huis, gaf de vrouw toe dat ze erg stom was geweest en dat ze voortaan alles anders zou doen. Ze bedankte de Schotse weldoener.

Dat deze Ogilvie weet wat de overleden moeder van deze vrouw voor hangertje ze aan haar gouden ketting had die ze droeg toen ze haar voor het eerst naar school bracht, en dat dit hangertje nog altijd op zolder in een kastje ligt, in dat en dat laatje, is werkelijk bijzonder. Daar moet zelfs een doorgewinterde televisiekijker bijna van huilen en die tranen trekken adverteerders aan, zoals een verse drol vliegen.

Maar dit soort hulp is geen hulp. Het doet deze arme vrouw geen goed, en ik durf te zeggen dat ze, wanneer ze simpelweg probeert te stoppen met haar onhandige, onverantwoorde en deprimerende gedrag, dat helaas wel haar eigen gedrag is, ze haar problemen alleen maar zal vergroten. Ik wens haar desondanks veel sterkte.

Jan van Mersbergen


Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Anoniem?

Ik heb jaren naast het kantoor van een nachtclub en escorteservice gewoond en buiten het af- en aanrijden van taxi’s met vrouwen op hoge hakken, korte rokken en bungelende handtasjes, gaf dat geen overlast, tot de zomer toen ze achter het huis een houten terras bouwden en de dames daar hele dagen rondhingen, als lome katten, pal naast het platte dak van een schuur waar wij ons terras op hadden.

Het maakt niet veel uit wie er opeens naast je komt te zitten, het is altijd ongewenst, en ik moet toegeven dat wij bijzonder gesteld zijn op onze privacy. Dus dit was niet prettig, hoeren of niet.

an

We dachten aan een schutting, we dachten aan klimop over die schutting, we dachten aan allerlei oplossingen, maar omdat zij een meter hoger zaten en op ons neerkeken, letterlijk, leek geen enkel plan afdoende de hoeren aan het zicht te onttrekken, laat staan aan het gehoor, want als er iets is dat hoeren naast hun werk graag doen dan is het eindeloos kletsen, leerde ik die zomer. Ik zal in ieder geval niet vreemd opkijken wanneer in Tien voor Taal verteld wordt dat het werkwoord ‘ouwehoeren’ hiervan afgeleid is.

Onze buurhoeren zetten ons in de sigarettenrook, enorme dikke rookwolken, de hele dag, en ze lieten spullen slingeren op hun terrastafel, die dan tussen onze plantjes waaiden. Ik vond een lijst waarop alle medewerksters van het bureau stonden, keurig onder elkaar geschreven in een meisjeshandschrift met rondjes op de ‘i’ en achter iedere naam wat voor type meisje het was, en vervolgens wat ze wel en niet deden, in de vorm van kruisjes in kolommen. Zo had je Aziatische meisjes, Russisch, negerinnen, Hollands, en een soort open categorie. Exotisch stond er ook tussen.

Dan de kruisjes. Angelique, de bovenste, had een kruisje achter ‘anaal’, ‘dubble date’, ‘all night’ en ‘DP’. Dat laatste betekent double penetration. Achter ‘kissing’ stonden bijzonder weinig kruisjes. Er waren meisjes bij met Russische namen die wel aan kissing deden, maar verder waagde zich daar bijna niemand aan.

Die nationaliteiten en omschrijvingen koppelen aan waar wel of geen kruisjes achter stond, en daar dan patronen in proberen te ontdekken, was een aardige bezigheid. Toch was die lijst ranzig en was het aanhoren van de gesprekken hierover ronduit afleidend, en de blikken van de dames vond ik ook tamelijk verveeld en ondoorgrondelijk, en verder waren de dames van kantoor en vooral de chef, of pooier, een vreselijk stel botterikken.

Liever had ik natuurlijk een buurvrouw gehad die gewoon haar krantje zou lezen, en af en toe iets over mijn boeken zou vragen. Meer heeft een schrijver niet nodig.

Nooit zo weinig buiten gezeten als die zomer, en dat lag niet aan het weer. Hoeren kleurden gratis bij en wij zaten in het park. Een oplossing kwam uit onverwachte hoek. Nog voor de herfst zich aandiende ontstond er brand in de keuken van het restaurant onder het terras van de escorteservice. Het hele terras brandde af en wij hadden ons plekje weer terug.

Die lijst moet ik nog ergens hebben.

Jan van Mersbergen