The Breakfast Club

In Suriname werd deze week 150 jaar Hindostaanse Immigratie gevierd. Maandag 5 juni werd eenmalig tot een nationale vrije dag uitgeroepen en waar de één lekker heeft gefeest, heeft de ander, zoals ik, het heel rustig aangedaan. Het hoogtepunt was het bezoek van de Indiase president Droupadi Murmu aan het land. 

Weken vooraf zijn er tal van activiteiten georganiseerd. Samen met een collega heb ik een reportage voor de lokale televisie gemaakt over de Hindostaanse Immigratie. Daarvoor heb ik historicus Maurits Hassankhan geïnterviewd over hoe de Hindostanen zich hebben ontwikkeld vanaf hun komst tot vandaag de dag. Hassankhan vertelde onder meer waarom de Hindostanen naar Suriname werden gehaald. Na de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 moesten de tot slaafgemaakten nog tien jaren verplicht werken op de plantages voor een karig loon. Daarna besloten ze zo ver mogelijk te gaan van de plantages. Ze wilden niets meer met de plantages te maken hebben, vrij logisch. Er moesten daarom anderen gezocht worden die op de plantages wilden werken en er werd besloten contractarbeid in te zetten.

De Britten gaven de Nederlanders toestemming voor het werven van contractarbeiders in Brits-Indië. Besloten werd dat de contractarbeiders voor vijf jaar betaalde arbeid moesten verrichten op de Surinaamse plantages. Om de contractarbeiders in Suriname te houden kregen ze na hun werktermijn een stuk grond en 100 Nederlandse gulden van de Nederlandse overheid, zei Hassankhan. Vandaag de dag zijn er minder Hindostanen in de landbouw werkzaam. Het was namelijk hard werken en door schommelende prijzen was het ook niet altijd rendabel. Ouders moedigden daarom hun kinderen aan verder te studeren en in andere branches werk te zoeken. Zo deden steeds minder Hindostanen aan landbouw. Desondanks wordt er in het district Nickerie, dat bekendstaat als het landbouwdistrict, nog steeds veel aan rijstteelt gedaan en in het district Saramacca tuinbouw. 

Uit de Hindostaanse samenleving zijn er een aantal markante Surinamers voortgekomen zoals verzetsheld Janey Tetary, politicus Jaggernath Lachmon, schrijver Bea Vianen en dichter Shrinivási.

Naar mijn mening is het belangrijk om los van het feesten informatie te delen over deze groep. Door de verdeel-en-heers tactiek van de kolonisator zijn er vandaag de dag namelijk nog steeds stereotypering en vooroordelen bij de verschillende groepen over de andere groepen. We eten graag een bordje mee bij de buren, in dit geval roti, maar wat weten we precies over onze buren, wat voor muziek vinden ze mooi, wat zijn hun inzichten over bepaalde onderwerpen en wat zijn hun gevoelens daarbij? Daar kunnen we ook naar vragen.

Deze situatie laat mij denken aan de film The Breakfast Club: vijf tieners, van verschillende achtergronden met vooroordelen over elkaar die op een zaterdag voor straf negen uur moeten doorbrengen op hun middelbare school. Ze kunnen elkaar nauwelijks uitstaan, maar beseffen dat ze toch elkaar moeten gaan verdragen om het beste ervan te maken. Elk moet een essay van minimaal duizend woorden schrijven over wie ze denken dat ze zijn.

Tijdens de negen uren stellen ze zich langzaam open voor elkaar waardoor ze achter de overeenkomsten komen die ze hebben, hun uitdagingen als individu en hun dromen. Ze beginnen elkaar steeds meer te accepteren, rebelleren tegen onderdirecteur Richard “Dick” Vernon, die toezicht op hen moet houden en aan het eind van de dag gaan ze als vrienden uit elkaar. Los van sterke acteerspel, pakkende dialogen en een prachtige soundtrack – met als uitschieter het lied Don’t You (Forget About Me) van Simple Minds – is de boodschap gewoon sterk in deze film: onwetendheid zorgt voor verdeeldheid, maar zodra we ons openstellen om meer over elkaar te leren en moeite doen om elkaar te begrijpen, wordt er ruimte gecreëerd om te verbinden. Daar moeten we naartoe als land en daar kan meer kennis over de gezamenlijke geschiedenis, toegang tot literatuur en goede gesprekken een belangrijke rol spelen. 

Wat ik ook nog interessant aan de film vind, is dat overgrote deel ervan zich afspeelt in een bibliotheek.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

recent

Observator wordt deelnemer

Bij het lezen van de nieuwe roman van Merijn de Boer, Het Surinamedagboek (2023), dacht ik af en toe aan Wilde aardbeien (1957) van Ingmar Bergman. De hoofdpersoon uit die film begint in de openingsscène ook aan een dagboek en somt dan kort alle achtergrondgegevens op die de toeschouwer nodig heeft om zijn onderneming te begrijpen. Het Surinamedagboek komt eveneens razendsnel op gang. De Boer legt meteen alle vertelelementen op tafel: de hoofdpersoon, Merijn, ziet in De Groene Amsterdammer een advertentie voor een gratis groepsvakantie naar het Surinaamse binnenland, gemodelleerd op een reis die Albert Helman maakte en beschreef in Het eind van de kaart (1980), meldt zich aan, komt in contact met organisatoren en reisgenoten, en vertrekt. In krap vijf bladzijden zijn premisse en plot uit de doeken gedaan, waardoor de overige tweehonderdvijftig besteed kunnen worden aan de minutieuze beschrijving van de natuurgezichten en merkwaardige sociale interacties onderweg. 

In die compacte openingsscène gaat de hoofdpersoon langs antiquariaat Kok om een Privé-Domein-uitgave van Het eind van de kaart uit de etalage te laten halen. Aangestoken door diens enthousiasme liep ik er in mijn middagpauze langs, maar andere lezers van De Boer waren me al voor geweest: het ene beschikbare exemplaar was kort daarvoor besteld door een liefhebber uit Almelo, het andere was opgehaald, zo liet ik mij vertellen, door een verwilderde man in een schrikbarend wijd openhangend overhemd met een vuistgrote kristalhanger op zijn borst. 

‘Net een Merijn de Boer-personage,’ dacht ik, terwijl de vreemde figuren uit de geweldige roman De nacht (2014) en de verhalenbundel De geur van miljoenen (2018) me weer door het hoofd begonnen te spoken. Het Surinamedagboek breidt dit gezelschap uit met reisleider Eljaar, een onaangepaste praatjesmaker die een sterk naar boven aflopend postuur heeft (heel lange benen, klein hoofd) en zich de eerste nacht van de tocht ‘uitschakelt’ door dronken in het ondiepe deel van een zwembad te duiken. 

Maar het uitlichten van dergelijke capriolen geeft mogelijk een verkeerde indruk van het boek. In zijn (terecht) veelgeprezen vorige roman, De Saamhorigheidsgroep (2020), leek De Boer absurdisme steeds meer te verruilen voor oprecht invoelend schrijven, en die ontwikkeling wordt met Het Surinamedagboek doorgezet. Komen zijn medereizigers hem in eerste instantie als onverdraaglijk voor, door met ze te praten kan Merijn begrip voor ze opbrengen en raakt hij zelfs aan ze gehecht. Van een verliteratuurde en enigszins eenkennige observator wordt hij gaandeweg een deelnemer; een verandering die culmineert in het opbloeien van een onverwachtse liefde. 

Dit lichtvoetige zomerboek roept het werk van levenslustige vertellers als Jacques Gans, Adriaan Morriën en Albert Helman zelf in herinnering, waarmee De Boer eens te meer een unieke plek binnen het hedendaagse literaire landschap bekleedt. Hij schrijft glashelder, soms bijna naïef proza, dat uiterst meeslepend is in zijn onomwonden, klassieke toonzetting, en perfect het lome ritme van de dagen lijkt te vangen: 

‘De ochtenden zien er als volgt uit: ik word, in alle vroegte, wakker door een van de anderen die gaat plassen of door de geluiden die gepaard gaan met het gloren van de dag. Dan eerst zwemmen in de rivier, een verstild moment, terwijl nevelslierten boven het water hangen en je je bewust wordt van de volkomen verlatenheid van de plek.’ 

Ik was er, met Merijn, kwam via hem dichter tot de anderen en dat overweldigende landschap, en net als hij werd ik lichtelijk weemoedig toen ik het boek dichtsloeg en de reis ten einde kwam.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

IJsland als geheugen

(De wereld in stukken 21)

De vader van Jorge Luis Borges gaf hem een vertaling van Völsunga saga, een verzameling Noordse Sagen, deels gebaseerd op de Edda, de verzameling teksten verzameld en overgeleverd door Snorri Sturluson, een goed opgeleide IJslandse historicus en dichter uit de vroege 13e eeuw. De verhalen moeten een immense impact hebben gehad op de kleine Jorge. Jaren later, als deze meester van de Argentijnse poëzie in zijn schemerduister van naderende blindheid leeft, leest hij de Edda in het Oud-Noors, een woordenboek bij de hand. In de persoonlijke mythologie van Borges is IJsland een bibliotheek. Hij refereert er op verschillende plekken aan als ‘het geheugen der Germanen’ waarmee de Noord-Europese volken worden aangeduid. De vroege Edda manuscripten werden immers op IJsland bewaard. In de gedichten van Borges over IJsland zie je heel mooi de drie restjes van de verhalen die het meeste indruk maakten op het jongetje dat hij was terugkomen, hier bijvoorbeeld:

Heimelijk eiland, koude roos
die het geheugen van Germanië werd,
en die voor ons haar uitgedoofde,
begraven mythen hebt gered,
de ring die negen ringen baart,
de hoge wolven van het ijzeren woud
die maan en zon zullen verslinden,
het schip dat wordt gebouwd door Iets of Iemand
met nagels van de doden.

en in en veel later gedicht:

Gewijde grond
die het geheugen der Germanen werd
en die hun mythologie veiligstelde
voor een woud van ijzer met daarin de wolf
en het door de goden zo gevreesde schip,
vervaardigd met de nagels van de doden.

en weer later

Zij werd gedroomd op IJsland. Door de ontsloten
zeeën werd zij ontwaard met heilige schrik;
zij komt terug met de vervloekte brik,
beslagen met de nagels van de doden.

Het is mooi: je ziet een jongetje in pyjama in een bedje in Buenos Aires in 1907 keer op keer huiveren bij dit vreselijkste van alle beelden: een schip gemaakt van de nagels der doden. Las uñas de los muertos. Naglfar heet dit schip in het Oud-Noors. En in de Edda staat de waarschuwing dat wij van de doden voor we ze ter aarde bestellen goed de teen- en vingernagels moeten knippen, zodat het huiveringwekkend schip Naglfar minder snel gebouwd kan worden.

IJsland is voor Borges wat het voor veel mensen is: een samenballing van mythen. En hij beschrijft ook waarom je je steeds meer kunt verlaten op zo’n mythische plek:

Wanneer het lichaam moe wordt mens te zijn,
wanneer het vuur veranderd is in as,
is het goed om je berustend toe te leggen,
op een studie waaraan nooit een einde komt;
ik koos die van jouw taal, het Latijn van het Noorden,
dat alle steppen en de zeeën omvatte
van half de aarde en in Byzantium weerklonk
en op Amerika’s maagdelijke kusten.
Ik weet dat ik haar niet kennen zal, maar mij
wacht mogelijk de aalmoes van de zoektocht
en niet de vrucht, wijselijk onbereikbaar.
Dit zal ook de ervaring zijn van wie
de sterren of getallen ondervragen…

Alleen de liefde, de ongerijmde liefde, IJsland.

In zijn essay over poëzie uit de Zeven avonden (1980)schrijft Borges (of citeert Borges, dat loopt bij hem veel dooreen) dat een van de effecten van poëzie moet zijn dat ze ons de indruk geeft niet dat we iets nieuws ontdekken, maar dat we ons iets dat vergeten was opnieuw herinneren. Alles is er al, we hoeven het alleen nog maar te zien.

En dat lukt, want ik zie het:

Wat een geluk voor alle mensen
dat, IJsland van de zeeën, jij bestaat.
IJsland van stille sneeuw en koortsig water.
IJsland van nachten die zich welven
boven het waken en de slaap.

Eiland van de almaar witte dag die weerkeert…

Naar kaart 22

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.