Goed leven

Het schiereiland van een schiereiland – bestaat er een betere plek om te verpozen voor een schrijver? Omgeven door de kalme beweging van wind en golven, ver weg van het gedruis van de metropolen en daarmee rustig genoeg om er weg te kunnen zinken in het borrelen van de binnenwereld, terwijl de verbinding met het vasteland het wel mogelijk maakt om, wanneer het schrijfwerk gedaan is, terug te keren naar de wereld en het leven van de anderen. Vogelvrij, maar net niet in volledige verlatenheid.

Het is goed mogelijk dat Geerten Meijsing (1950) hiermee zou instemmen. Op een filosofische bedevaart naar Syracuse, de plek waar Plato volgens sommigen heeft geprobeerd zijn gedroomde republiek te realiseren, belandde hij op Ortygia, waar hij spontaan langere tijd bleef hangen, bekoord door de alomtegenwoordigheid van het water: 

”t Eerste wat mij opviel, was dat elk dwarsstraatje aan beide kanten op zee uitloopt, een andere zee aan elke kant: aan de ene kant de binnenzee van de Porto Grande, aan de andere de Ionische. Wat een weelde: op en neer te kunnen lopen tussen twee zeeën! Dat lukt je nog niet in Panama. Ik ben de koning te rijk. En ik wist het zeker: dit was mijn koninkrijk, en ik voelde mij eindelijk thuis.’ 

In zijn Siciliaanse brieven (2023) brengt Meijsing verslag uit van het dagelijks leven in zijn nieuwe kroondomein, daarbij veel aandacht bestedend aan couleur locale en plaatselijke gebruiken – wat dat betreft sluiten deze teksten expliciet aan bij de klassieke reisliteratuur. Een deel ervan werd jaren terug in Vrij Nederland gepubliceerd, maar dan, zo geeft de auteur te kennen, ‘in een vereenvoudigde oervorm’. Dat klinkt enigszins cryptisch, maar bedoeld wordt dat deze definitieve bundeling de volledige toenmalige briefproductie bevat, ongeredigeerd en hier en daar zelfs uitgebreid, rijker in descriptie en detail en daarmee een nog groter genoegen voor de lezer.

Want laat duidelijk zijn: deze levensberichten draaien vooral om de bijzondere geneugten van het Mediterraanse bestaan, die door de schrijver met een aan uitzinnigheid grenzend enthousiasme gevierd worden. Zo struint hij vismarkten af, onderwijl recepten delend, indexeert hij de verschillende smaken en bloeiperioden van lokaal fruit (druiven, peren, pruimen en vijgen), en ziet hij opdrogend in de zon na het nemen van een duik (‘fare un tuffo’) verrukt toe hoe een metgezel om een onbewoond eiland heen zwemt: ‘Van zwemmen krijgen vrouwen mooie schouders, en hun borsten duiken uit de golven op.’ Ook bevat het boek een schitterende lofzang op het roken, waarbij Meijsing de waarschuwing op de verpakking van zijn Toscaanse sigaren (‘Il fumo uccide’) als beginpunt neemt:

‘Leven is dodelijk, zullen ze bedoelen, en leven is niet zozeer lang leven, als wel goed leven. Mijn leven in ballingschap is in alle opzichten een grotelijks geslaagde poging ‘het goede leven’ te leven, ook met weinig geld.’ 

De liefhebber ziet hierin een herneming van het epicurisme en hedonisme uit de vroege boeken van Joyce & Co.; nog altijd toont Meijsing zich een toegewijd student van het alledaags geluk, het zinnelijke genot. Dat maakt deze Siciliaanse brieven tot een gepaste literaire herintrede: dit fraaie egodocument, dat jeugdig en niet fatalistisch is van toon, doet eerder geïntroduceerde thema’s op verfrissende wijze weerklinken, waarmee een sinds lang indrukwekkend oeuvre simultaan wordt verbreedt en verdiept.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

recent

Durf

In mijn tienerjaren las ik ontzettend veel comics en strips. Superman, Batman, Spider-man, Paling en Ko en Suske en Wiske. Ik verslond ze allemaal. Op een gegeven moment ‘ontdekte’ Rappa’s stripbieb waar ik deze boeken kon lenen of daar en op dat moment kon lezen. Zodra ik de ruimte in het weekend had, was ik daar te vinden. De eigenaar en auteur Robby Parabirsing, beter bekend als Rappa, kende ik al van zijn boeken Fromoe Archie en De vlek uit het verleden. Rappa was in die tijd nog Nederlands leerkracht op de Algemene Middelbare School en in de middag hield hij zich bezig met de bibliotheek. Veel scholieren kwamen er langs om de boeken te lenen die zij moesten lezen van de literatuurlijst van het vak Nederlands en voor de vele stripboeken. Met Rappa kon je ook uren praten over verschillende onderwerpen. Over de geschiedenis van het land, de politiek en natuurlijk boeken. Hij had ook luisterend oor. De stripbieb was voor velen van ons een literair toevluchtsoord. Er heerste een ongedwongen sfeer en Rappa behandelde ons als gelijkwaardige. 

Rappa zette de plek op in een woelige periode in het land, namelijk de jaren 80 in Suriname. De Decembermoorden, waar vijftien Surinamers, die zich verzette tegen de militaire dictatuur waren vermoord, hadden net plaatsgevonden en op de onderwijsinstelling waar hij les gaf, had hij leerlingen die een familielid waren kwijtgeraakt bij de Decembermoorden. Rappa bracht vaak stripboeken naar school en leende die aan de jongeren voor tijdelijke ontsnapping aan de ellende. Hij besloot kort daarna de bibliotheek op te zetten voor anderen om er stripboeken en later andere boeken te lenen. Rappa zorgde daarbij ook voor begeleiding door soms simpele gesprekken die plaatsvonden in de bibliotheek. 

Fromoe Archie was een van de coming-of-age boeken die ik in mijn jeugd heb gelezen. Het gaat over de escapades van een Surinaamse jongeman binnen de sociale verhoudingen in zijn land kort voor de staatsgreep van onder leiding van legerbevelhebber Desi Bouterse in 1980. Op de mulo moet je voor het mondeling schoolonderzoek voor het vak Nederlands namelijk een aantal boeken van een boekenlijst kiezen en lezen. De lijst bestaat uit boeken van verschillende schrijvers, van binnen en buitenland. Ik koos op gevoel voor het boek van Rappa Fromoe Archie en werd aangenaam verrast met een verhaal waar ik mij als tiener mee kon identificeren. Rappa verschafte in zijn boek ook inzichten over de politiek in Suriname, de verstandhouding tussen Suriname en Nederland en de verstandhouding tussen Surinamers en Surinamers die naar Nederland zijn vertrokken en Nederlanders van Surinaamse afkomst. Prit pangi en opo borsu, direct en bot, vertelt Rappa deze zaken aan de lezer.

De Versurinamisering kon pas beginnen nadat Surinamers het hadden overgenomen van de Hollanders. Dit proces kwam echter nog niet op gang, omdat de eerste generatie Surinamers die overnam bij gebrek aan een vastomlijnd Surinaams iets maar bleef hangen bij hetgeen ze hadden geleerd van hun Hollandse meesters of ze vielen terug op voorouderlijke structuren. Het Hollandse was wel on-Surinaams, maar het was vastomlijnd en het had aanzien, het kwam van de koloniale meester. Dat eigene had onder een belangrijk deel van de eigen mensen geen aanzien, het werd zelfs onderdrukt. Pas toen de jongeren bewust werden, vooral als gevolg van de luxe dat zij in het buitenland, Nederland, konden studeren, werden zij krachtig met hun neus op feiten gedrukt, is den vreemde leerde je het eigene waarderen.

Passage Fromoe Archie, eerste druk 1984, pagina 50 

De lef die Rappa tentoonstelde als schrijver vond ik toen bewonderingswaardig omdat velen zich toen en zelf nu zich niet over een heleboel zaken zoals de ongelijkheid tussen de armen en rijken in Suriname  durven uit te spreken. Dat leerde ik van hem als schrijver, durven je gedachtegang neer te pennen en niet bang te zijn voor de consequenties. Je moet achter hetgeen je hebt geschreven blijven staan. Bij de uitgeverij  van Rappa Ralicon debuteerde ik 2019 als fictieschrijver met de novelle Eens in een leven. Een manuscript waar ik bijna tien jaar mee rondliep. Rappa durfde er iets mee te doen. Dat werd mijn startpunt als fictie-auteur. Daarvoor zal ik Rappa altijd dankbaar zijn. Toen ik hem vertelde over het idee van de verhalenbundel Prakseri was hij direct enthousiast en stuurde mij ook binnen korte tijd een verhaal dat hij op de planken had liggen. Samen met een van mijn schrijfhelden sta ik in de bundel en daar ben ik nog steeds ontzettend trots op.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

White spots – Schermverslaafd op Groenland

(De wereld in stukken 13)

Groenland heb ik uit maar een paar boeken leren kennen. Een white spot op boekengebied. Groot reiziger Coen Stork toonde me eens zijn boekenkast: geordend op land en omgekeerd chronologisch, oud onder, nieuw boven. Heb verzuimd naar Groenland te kijken. En ik ken het uitsluitend door boeken. Toevallig allemaal wel heel goede. Twee momentopnames, een roman en een studie. De momentopnames zijn het mooist, Niko en Lies Tinbergen brachten een jaar door op Groenland in 1932-1933 en Niko schreef daar het prachtige Eskimoland over. Het is een boek over geluk, omdat de twee een geweldig jaar hadden. Maar ook een oerboek van de onderzoeker Tinbergen. Neem deze scène waarin Tinbergen uitlegt hoe je een op het ijs zonnende zeehond vangt. De methode ‘berustte erop dat de jager, door zo natuurgetrouw mogelijk de bewegingen van een zonnende zeehond (qatsimaleq) na te bootsen, onopgemerkt naderbij kwam en van korte afstand de zeehond harpoeneerde of, na invoering van de vuurwapenen, schoot. Een qatsimaleq die ligt te slapen sluit de ogen zelden langer dan een minuut en kijkt dan even met opgeheven kop in het rond. Krijgt hij daarbij iets in het oog dat er daarvóór niet geweest is, dan fixeert hij het opeens en blijft een tijdlang strak ernaar kijken. En, hoewel hij maar vluchtig rondkijkt en niet veel opmerkt, blijkt hij als hij een verdacht voorwerp in het oog heeft, scherp te kunnen zien. Wanneer de jager nu, bemerkende dat de zeehond naar hem kijkt, zich doodstil houdt, wat men voor het meest voor de hand liggend zou houden, verspeelt hij de kans om voor een qatsimaleq aangezien te worden, want een qatsimaleq ligt nooit lange tijd achtereen doodstil op het ijs, behalve als hij dood is. Hij zorgt dus van tijd tot tijd zijn hoofd op te steken en op zeehondmanier er wat mee rond te zwaaien, om vervolgens weer te gaan liggen. Af en toe moet hij, zoals elke qatsimaleq, op zijn zeehonds met zijn benen spartelen of in de buurt van zijn schouder een wuifhandje laten verschijnen. De argwanende zeehond is dan, wanneer de jager zijn vak verstaat, al spoedig tevredengesteld en kan behoedzaam op dezelfde wijze tot op zeer korte afstand benaderd worden.’

Wanneer inleving in de zeehond, method acting en zeehondimitatie te veel moeite is – hoewel het wuifhandje op schouderhoogte echt te leuk is om te laten schieten – dan is het schermpje de oplossing: voorop een sleetje monteer je met wat latjes een wit katoenen schermpje, waarachter je je zolang schuilhoudt tot je kunt schieten. Zijn er mooiere jachtmethoden denkbaar?

Een andere prachtige momentopname is een gelukkige vondst in een antiquariaat: Thomas Frederiksen Het dagboek van een eskimo. Het dagelijks leven van een Groenlandse eskimo, getekend en beschreven door hemzelf. In dit prachtige boek (waar er tot mijn verbazing bij boekwinkeltjes nog wel een zwik te krijgen zijn) korte dagboek entry’s naast mooie tekeningen. ‘Oktober 1958. Gewoonlijk begeven we ons naar Nassuttoq om vosseklemmen te plaatsen. Ik ben dol op deze tochten die enkele weken in beslag nemen. Bij onze terugkeer in november hadden we een bandrob, dertien vossen, twee hazen, een aalscholver, drieënzestig eiderganzen en zeven zeekoeten bij ons.’

Net als Tinbergens vriend Karâle, die ook tekenaar was ruimt ook Frederiksen (wiens Inuitnaam Tuuma luidt) veel ruimte in voor mythische verhalen, waarin heldendaden en een humorvol belachelijk maken centraal staan. Ik zou dolgraag met een maaltje van knapperige walvishuid een avondje meelachen.

In Jared Diamonds Collapse staat een huiveringwekkend verhaal over de Greenland Norse, de vroege bewoning van Groenland (980-1430) en wat daar allemaal misging.

Niko eindigt vrolijker daar op Groenland: ‘De laatste avond vond het feest dan ten slotte plaats. Iedereen was uitgenodigd en iedereen was gekomen, ook alle matrozen in hun keurige blauwe pakjes die zo bij de Groenlandse meisjes in de smaak vielen. Volgens eskimomethode moest er rijkelijk gegeten en gedronken worden en dertien emmers vol limonade vonden die nacht hun weg naar dorstige Groenlanderkelen. We dansten totdat de zon opging en de deelnemers uitgeput bij de grammofoon kwamen zitten.

Lezen: Thomas Frederiksen Het dagboek van een eskimo. Het dagelijks leven van een Groenlandse eskimo, getekend en beschreven door hemzelf.

Niko Tinbergen, Eskimoland (een eerder stukje over dit boek)

Peter Høeg Smilla’s gevoel voor sneeuw

José Ortega y Gasset Het geluk van het jagen

Naar kaart 14

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.