{"id":300190,"date":"1970-01-01T00:01:09","date_gmt":"1969-12-31T23:01:09","guid":{"rendered":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/"},"modified":"2021-07-08T10:52:09","modified_gmt":"2021-07-08T09:52:09","slug":"van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra","status":"publish","type":"dbnl","link":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/","title":{"rendered":"Van Ostaijen en het organische vers\r\n\r\nJ.H.W. Veenstra"},"content":{"rendered":"<div class=\"wp-block-columns alignwide is-layout-flex wp-container-core-columns-is-layout-9d6595d7 wp-block-columns-is-layout-flex\"><div class=\"wp-block-column dbnl-links is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:66.66%\">\r\n\r\n <interp type=\"primair\" value=\"veen026\"><\/interp><interp type=\"secundair\" value=\"osta002\"><\/interp><div class=\"pb\">[p. 446]<\/div>\r\n<h2 class=\"bottom-small-margins\">[Tirade oktober 1970]<\/h2>\r\n\r\n<a name=\"61\"><\/a>\r\n<h3>Van Ostaijen en het organische vers\r\n<br><i>J.H.W. Veenstra<\/i>\r\n<\/h3>\r\n\r\n<p>\u2018Paul van Ostaijen is gestorven op een ogenblik dat hij vol nieuwe hoop de toekomst tegemoet zag, dat hij meende zich met nieuwe krachten aan zijn werk te kunnen geven. Want lijnrecht tegen de opvatting van een Dirk Coster in, dat hij na <i>Het Sienjaal<\/i> een verkeerde weg zou zijn ingeslagen, moet ik vooropstellen dat hij juist in de laatste tijd tot volle persoonlijkheid scheen gekomen. Men heeft gezegd dat hij de eerste, sommigen zeiden de enige, expressionist van Vlaanderen was &#8211; laat ons verder gaan en erkennen dat hij bezig was zijn groot en persoonlijk talent te bevestigen in dat z.g. expressionisme zelf&#8230; De po\u00ebzie was voor hem een groot spel, zuiver van rhythmen, een muziek van woorden, die noodzakelijkerwijs anders klinkt dan de muziek der tonen. Het woord heeft zijn eigen mogelijkheden, ook muzikaal, en voor ieder nieuw gedicht stelde Van Ostaijen zich nieuwe regels&#8230; Dat de inhoud bij een dergelijke ars poetica verzwakt, en soms, geheel opzettelijk tot een minimum teruggebracht werd, spreekt bijna vanzelf. Vergiste Van Ostaijen zich hier? de tijd zal het misschien uitmaken.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Dit zijn fragmenten uit het herdenkingsartikel dat na Van Ostaijens onverwachte dood op 18 maart 1928, zijn vriend Du Perron in het even later verschijnende april-nummer van <i>Den Gulden Winckel<\/i> aan hem wijdde. Ze zijn ontleend aan de enigszins gewijzigde versie, die in de definitieve tekst van de <i>Cahiers van een lezer<\/i> werd opgenomen en die te vinden is in deel II van het verzameld werk. Van de wijzigingen in de tekst, die Du Perron zelf had aangebracht, doet er in dit geval \u00e9\u00e9n toe, want het was voor mij de prikkel nog eens Van Ostaijens inzichten met betrekking tot de po\u00ebzie, zijn <i>ars po\u00ebtica<\/i> k\u00e1n worden gezegd maar dan moet er ook <i>in statu nascendi<\/i> aan worden toegevoegd, te leggen op de weegschaal van mijn eigen kritische waar-<\/p><div class=\"pb\">[p. 447]<\/div><p>dering. Een weegschaal die natuurlijk ook bijgesteld is, en dan herhaaldelijk, door de nu achter ons liggende po\u00ebziepraktijk van zo&#8217;n veertig jaar, maar die toch de teoretikus Van Ostaijen nog aantrekkelijk bleek te presenteren. En hem zelfs een antwoord deed geven op de vraag die Du Perron in de eerste versie van zijn herdenkingsartikel indringender had geformuleerd dan hier geciteerd, nl. \u2018De tijd, de tijd alleen zal het <i>misschien<\/i> uitmaken.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Om zo&#8217;n metafoor waar te maken moet de tijd een handje worden geholpen. Het is te aantrekkelijker voor wie ervan houdt, zoals ik, zich te vermeien in het soort zinloze spekulaties die beginnen met het woordje \u2018als\u2019. Als Van Ostaijen was blijven leven, behoorlijk lang, minstens tot aan de tweede wereldoorlog, wat was er dan gebeurd in onze literatuur? E\u00e9n ding is zeker: <i>Forum<\/i> was dan anders geweest. (Gesteld dat dan niet ook na 1930 <i>Avontuur<\/i> nog had bestaan en Ter Braak eenvoudig in de redaktie van dat blad zou zijn opgenomen.) Want als ook dan de uitgever Zijlstra van Nijgh en Van Ditmar het blad alleen had willen uitgeven met een Vlaming in de redaktie, was Van Ostaijen de aangewezen man geweest en had Maurice Roelants geen kans gekregen. En was er geen katolieke nasleep in de vernieuwde <i>Forum<\/i>-redaktie gekomen, geen Virginia-affaire en fatsoensrakkerij, geen verbittering, verwijdering en een uit onlust geboren onwil van de oprichters om ermee door te gaan, maar ik laat dat nu terzijde.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Een dergelijke konstatering is niet alleen maar spekulatief. In een brief van 11 juli 1932 van Du Perron aan Ter Braak zegt de eerstgenoemde over Roelants, dan mederedakteur van <i>Forum,<\/i> \u2018dat hij in laatste instantie tegenover ons altijd \u00e9\u00e9n tegen twee is\u2019, terwijl hij er in een naschrift de mening van de altijd scherpziende Jan van Nijlen aanhaalt, die had opgemerkt dat Du Perron en Ter Braak aan de ene kant en Roelants aan de andere kant niet bij elkaar hoorden. \u2018Paul van Ostaijen was misschien de eenige, die er w\u00e8l heelemaal bij gehoord had, en dan nog: dat had weer andere moeilijkheden opgeleverd\u2019, voegt Du Perron er voor eigen rekening aan toe.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Gezien van Ostaijens weerbarstige karakter en zijn neiging om als <i>lone wolf<\/i> te opereren, zouden inderdaad de andere moeilijkheden in het veronderstelde geval niet zijn uitgebleven. Maar ze zouden van een ander gewicht en gehalte zijn geweest dan die met de Roelants-<i>gang,<\/i>\r\n\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 448]<\/div><p>waar eerst Du Perron en later ook Ter Braak de gal van overliep. En er zou tegenover hebben gestaan de po\u00ebzie van een vernieuwde Van Ostaijen, een specimen van wat dit \u2018groot en persoonlijk talent\u2019 in het ekspressionisme als een eigenontwikkelde vorm ervan, het organische ekspressionisme had genoemd. Het zou in <i>Forum<\/i> tussen de parlando-, verslaggevers- en asfaltpo\u00ebzie, of hoe men het ook wil noemen, niet hebben misstaan. Naast de als welkome franje erin verzeilde cantilenes en vocalises, waar Jan Engelman zich toen aan overgaf <i>\u00e0 l&#8217;instar<\/i> van de <i>po\u00e9sie pure<\/i> die de Abb\u00e9 Br\u00e9mond had gepropageerd, zou misschien pas di\u00e9 Van Ostaijen voor het parfum tussen de spruitjesgeur hebben kunnen zorgen, om een ander bekend dichter te citeren. Zelfs welkom als de spruitjesgeur, zoals de dichter Elsschot ons die toen toewalmde, een penetrante overtuigingskracht had. Spekulaties als nu even uitgewerkt, zijn zo hecht als een zeepbak Maar er is hierbij toch meer in het geding dan een spel voor de literaire <i>incrowd<\/i>. Du Perron wees er in zijn herdenkingsartikel niet voor niets op dat Van Ostaijen juist in zijn laatste levensperiode tot volle persoonlijkheid scheen te komen. Wie de bewaard gebleven korrespondentie tussen de beide vrienden raadpleegt ziet eerst goed midden in welke problemen Van Ostaijen toen stond. En hoe hij, verstrikt in zijn teorie van het organische vers, bezig was onder impulsen van Du Perron vastere grond onder zijn voeten te krijgen tegen de tijd van zijn dood.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Van Ostaijens later overbekende definitie van po\u00ebzie uit diens <i>Aanteekeningen<\/i> en nadien opgenomen in <i>Self-defense,<\/i> was uiteraard Du Perron al vertrouwd toen ze half maart &#8217;25 gingen korresponderen. Nadat ze elkaar enkele weken eerder hadden ontmoet, wat was gebeurd bij de Antwerpse schilder Jozef Peeters, toen een van de grote animatoren in Belgi\u00eb van het kubisme, surrealisme en alles wat er verder in de kunst modernistisch was, en tijdens een vergadering waarin tot de oprichting werd besloten van een nederlandstalig blaadje dat al die tendenzen zou propageren en dat de passend konstruktivistische naam <i>De Driehoek<\/i> meekreeg.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Van Ostaijen had toen de kerngedachte van zijn po\u00ebtica als volgt geformuleerd: \u2018Po\u00ebzie = woordkunst. Po\u00ebzie is niet; gedachte, geest, fraaie zinnen, is noch doctoraal, noch dada. Zij is eenvoudig een in het metafysische geankerd spel met woorden.\u2019 In eerste instantie had\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 449]<\/div><p>Du Perron de meestal ver van minzame Van Ostaijen een \u2018rotvent\u2019 gevonden en een \u2018rotliterator\u2019, zoals hij het later formuleerde. Maar dat neemt niet weg dat hij kort daarna de \u2018Geachte Heer van Ostaijen\u2019 de herziene uitgaaf stuurt van zijn verhaal <i>Het roerend bezit,<\/i> een in 1924 gedrukte priv\u00e9-editie met kleine oplaag waarop hij volgens een jaren volgehouden proc\u00e9d\u00e9 alleen vrienden en vrienden <i>in spe<\/i> vergastte. Hij gaat tegelijk even in op een bespreking van <i>Het roerend bezit<\/i> in de NRC door een Vlaams dichter en kritikus die jarenlang een van zijn horzels zal zijn, Urbain van der Voorde, hij citeert met instemming een uitlating van Van Ostaijen over dit verhaal en vraagt hem of hij proza beschikbaar heeft voor een van de toen ook beraamde <i>Driehoek<\/i>-boekjes. Het slot van de brief is duidelijk een in- viet: \u2018Mijnheer van Ostaijen, ik groet u in de hoop dat ik u met dit wschl. onverwachte praatje niet te zeer lastig ben gevallen. Mocht u lust hebben terug te schrijven dan zie ik gaarne enige regels van u tegemoet.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Van Ostaijen schrijft terug en de tweede brief die hij van Du Perron krijgt, tien dagen later, gaat al over zijn hier geciteerde po\u00ebziedefinitie. Kwasi argeloos begint Du Perron te zeggen niets van deze zaken te weten, alle goede literatuur woordkunst te vinden en zowel in gedachten, geest, fraaie zinnen, doktoraal of dada po\u00ebzie te <i>kunnen<\/i> vinden. En dan al komt de persoon aan bod, die voor Du Perron algauw het enige hem nog regarderende kriterium voor al dan niet hem boeiende literatuur zal worden. \u2018Spel met woorden is heel aardig en kan een even goede uiting van po\u00ebzie zijn als een ander, pourvu er een poe\u00ebet aan het woord is &#8211; van zich uit lyrieker, zoals u zegt ,- maar er zijn ogenblikken waarin dit spel ontaardt in een vrij vulgaire jacht op jeux-de-mots.\u2019 Hij noemt dan als voorbeeld van iemand die zich overgeeft aan een \u2018woordkunstig spel-met-woorden\u2019 degene die als me- de-redakteur van een tijdschrift kort daarna even zijn reisgenoot maar nooit zijn bentgenoot zal worden, Gaston Burssens. Later putte deze zich nog in het woordoverspelige proc\u00e9d\u00e9 uit ook.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Hoe na deze schriftelijke introduktie het verdere kontakt verloopt tussen de twee, is moeilijk na te gaan. Er zijn brieven verloren gegaan en er volgen algauw persoonlijke ontmoetingen. Zeker is dat ze elkaar direkt volledig raken wat betreft hun persoon, en met reserves voor zover het hun werk aangaat. De een is dan een schrijver die nog maar\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 450]<\/div><p>net zijn aanloop was begonnen; een Indischman die in een kultureel isolement was opgegroeid, die toevallig in Belgi\u00eb verzeild was geraakt en er zich in rekordtempo grondig ori\u00ebnteerde in de Europese literatuur. De ander, drie en een half jaar ouder, was als jong in Berlijn zowel als Parijs doortrokken van alles wat er toen gistte aan modernistische idee\u00ebn, idealen en stromingen en ook goed ge\u00efnformeerd over wat er in die zin werd ge\u00ebksperimenteerd en gepresenteerd. Als ekspressionistisch dichter en kritikus publiceert hij dan al zo&#8217;n jaar of tien, zonder veel weerklank of sukses, maar altijd gravend onder de eigen standpunten en bereid die te herzien als ze wankel waren gebleken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Een paar maanden later laat Du Perron Van Ostaijen weten, als hij hem zijn voor <i>De Driehoek<\/i> bestemde recensie van Dirk Costers po\u00ebziebloemlezing <i>Nieuwe Geluiden<\/i> toestuurt, dat hij afzonderlijk nog een artikel wil schrijven over Van Ostaijens werkwijze en betekenis. De lezing van diens bundel <i>Het Sienjaal<\/i> doet Du Perron in juli schrijven dat hij er veel in heeft gevonden dat waarde voor hem heeft en veel dat langs hem heengaat, waarbij hij stuk voor stuk de verzen opsomt die hem hebben getroffen. Hij dringt er bij Van Ostaijen op aan zelf een verantwoording van zijn werk op te stellen, bv. een bondige analise van de Van Ostaijen van 1918. Ook biedt hij aan in deze geest Van Ostaijen te interviewen of het bedoelde stuk zelf te schrijven uit gegevens die Van Ostaijen hem dan weer moet verschaffen. De man die later <i>Het land van herkomst<\/i> zal schrijven laat dan al het uiteinde zien van de leiddraad die hem op de duur volledig in beslag zal nemen: \u2018Men weet over &#8216;t algemeen niet wat men is omdat men zich laat afleiden door wat men graag zou willen zijn; met enige inspanning vermag men vrij zuiver vast te stellen wat men was.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Van Ostaijen gaat dan akkoord met het publiceren van een door hem ge\u00efnspireerd artikel dat zal worden geschreven en ondertekend door Du Perron, maar tegelijk laat hij weten hoe hij op zijn beurt staat tegenover de zo anders geaarde en anders verwerkte po\u00ebzie van zijn nieuwe vriend. Ook Du Perron had de modernistische invloeden van de twintiger jaren ondergaan en tot uitwerking gebracht in enkele alweer voor een priv\u00e9kring bestemde plaquettes. Hij zal jaren later, als hij er met Greshoff gemoedelijk over nakorrespondeert, Apollinaire, Pellerin en Toulet noemen, en er nog de namen Der\u00eame en\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 451]<\/div><p>Greshoff aan toevoegen wegens hun invloed in kleine beetjes, maar hij voegt er als om een misverstand te korrigeren met onderstreping aan toe: \u2018Van Ostaijen <i>nihil<\/i>&#8230;\u2019 En een andere vriend, met wie hij over het vrijvers korrespondeert, wijst hij er ook op hierbij niet door Van Ostaijen te zijn be\u00efnvloed maar wel door Morand en Larbaud.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In de tijd dat het persoonlijke kontakt met Van Ostaijen tot stand komt is Du Perron al zo ver boven zijn invloeden uit, dat hij een onwrikbare stelling kan innemen; maar eerder instinktmatig dan langs teoretische weg bereikt. Ondanks zijn voorgewende argeloosheid voelt hij waar het bij Van Ostaijens po\u00ebzie om gaat, hij kan het talent van het proc\u00e9d\u00e9 scheiden en de persoon van de teoretikus. Het bepaalt zijn waardering voor de specimina van wat bij Van Ostaijen altijd po\u00ebzie van heel ongelijk gehalte was. Het doet komiek aan nu jongeren te zien betogen, en dan verwijtend zoals in de afgelopen jaren enkele nitwits het deden, dat Du Perron niets van een zo belangrijke stroming als het surrealisme heeft afgeweten en eraan is voorbijgegaan. Als dergelijke schoolmeestertjes in plaats van hun vingers op te heffen ze eens in een krantenlegger van die tijd hadden gestoken, en dan bv. in de jaargang 1930 van <i>De Groene Amsterdammer,<\/i> hadden ze kunnen lezen dat daar een voorganger-schoolmeester met het pseudoniem Albert Helman juist Du Perron aan het lezerspubliek presenteerde als de enige surrealist in onze literatuur. Tableau! zouden leuke schoolmeesters dan moeten zeggen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De waarheid is dat Du Perron vanaf begin 1922, toen hij een tijdlang in Parijs ging wonen, en ook tijdens latere Parijse eskapades de ontwikkeling van het surrealisme op de voet had gevolgd. Tot ver in de twintiger jaren heeft hij waarschijnlijk vrijwel alle Franse surrealistische publikaties gelezen; en dat betekende toen dat men het surrealisme kende. Alleen het paste niet bij zijn naturel en niet, om even die term te lenen, bij zijn belang.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Als Du Perron na de dood van Van Ostaijen nog een tijdje blijft doorkorresponderen met Burssens, komen de surrealisten die deze mederedakteur van <i>Avontuur<\/i> zo warm koestert, ekspliciet ter sprake. De toen als een grootmeester gevierde Cocteau wordt genoemd \u2018een klier van wie NIETS mij meer interesseert, zelfs niet de briljante intelligentie. Hij heeft alle techniek die iemand hebben kan, maar de ziel van een dansmeester en een cabotin. Apollinaire daarentegen is\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 452]<\/div><p>voor mij eenvoudigweg de grootste dichter van de XXe eeuw.\u2019 Van een andere surrealistische <i>roaring lion<\/i> uit die tijd, Louis Aragon, zegt hij hier en daar een gedicht te aksepteren, maar hem overigens \u2018als schreeuwer in de surrealistebende geducht antipatiek\u2019 te vinden. In een bundel van Robert Desnos komen volgens hem \u2018een hoop vrij stupide calembours en grapjes\u2019 voor, maar ook \u2018enige verzen van een grote lyriese kracht\u2019. En een surrealistennummer van <i>Vari\u00e9t\u00e9s,<\/i> het franstalige modernistische blad van P.G. van Hecke, wordt gekarakteriseerd als \u2018een pover ploertendom\u2019 en \u2018een drekkige cabotinage\u2019. Met waardering sinjaleert hij dan weer Nerval, Lautr\u00e9amont en Jarry als \u2018vaders van de surrealisten, en hoeveel groter dan de zoontjes\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het is tiperend dat Du Perron de modernist Apollinaire, de man die het woord surrealisme uitvond en op zijn tijd behoorlijk de cabotin kon uithangen, altijd is blijven waarderen. Maar ook dat hij, als in de uitwisseling van smaak en voorkeur met Burssens de uit het impressionisme en simbolisme getogen Vlaamse dichter Karel van de Woestijne ter sprake komt, van hem zegt: \u2018&#8230;zonder twijfel een groot dichter, maar voor mij, over het algemeen, vrijwel onleesbaar. Ik houd niet van z\u00f3veel room!\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het is bij Du Perron geen kwestie van rechts tegenover links, van antimodern tegenover modern, maar een van gehalte tegenover techniek, van persoon tegenover vertoon. Tegen de op wat technisch kunnen gebaseerde gewichtigdoenerij, tegen het estetische magi\u00ebrsdom, tegen het van esoteriek doortrokken kritiseren en teoretiseren, gaat hij zich nu meer en meer openlijk verweren. Tegen de surrealisten dus, tegen de humanitaire ekspressionisten, tegen Marsman en zijn trawanten algauw, tegen Dirk Coster later, tegen een firmament van gewichtige Lihiteratoren aan de fronten van <i>Forum<\/i> en <i>Groot Nederland<\/i> uiteindelijk. Maar ook tegen Van Ostaijen. En dan bij wijze van speldeprik.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In de tijd van hun beider omgang houdt Van Ostaijen de ook in zijn verzameld werk afgedrukte lezingen, nl. \u2018Gebruiksaanwijzing der lyriek\u2019 en de speciaal voor een kunsthistorisch kongres geformuleerde verhandeling \u2018Proeve van paralellen tussen moderne beeldende kunst en moderne dichtkunst\u2019. Hij ontwikkelt er zijn begrip \u2018zuivere lyriek\u2019 in en zegt zijn po\u00ebtica onafhankelijk te hebben uitgewerkt van Br\u00e9monds idee\u00ebn over de <i>po\u00e9sie pure<\/i>. De lirische impuls ziet hij putten\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 453]<\/div><p>uit twee bronnen, of beter ervaringsregionen, de ekstase en het onbewuste. Wie vast wil houden aan onze traditioneel eigenwijze ruimtelijke ori\u00ebnteringsbegrippen, kan ook zeggen: het materiaal komt van boven en van beneden. Hoewel Van Ostaijen die beide gebieden vaker met elkaar verwart dan ze in hun werking scherp onderscheidt, krijgen ze toch in zijn definities een eigen plaats. Het dichten heet een zwakkere vorm van ekstase en de laagste trap ervan. Vandaar dat volgens hem de po\u00ebzie evenals de ekstase eigenlijk niets te vertellen heeft, buiten \u2018het uitzeggen van het vervuld-zijn-door-het-onzegbare\u2019. Zo&#8217;n uitspraak lijkt op het soort paradoks waarmee de teologen sinds de Scholastiek zo aardig weten te goochelen, maar met behulp van het moderne psichologische instrumentarium krijgen we toch bij Van Ostaijen weer meer grond onder de voeten. Hij noemt als lirische taak ook de resonantie van het woord in het onderbewustzijn naar de oppervlakte te brengen. Zonder duidelijk te maken hoe dat woord reilt en zeilt voordat het resoneert, verklaart hij het tot stof van de po\u00ebzie en de dichtkunst is dan kortweg: gesensibiliseerde stof.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Weer tiperend voor Van Ostaijens instelling op de po\u00ebzie vanuit de klank- en muzikale facetten is zijn uitspraak dat het doel van de po\u00ebzie is het transcendente hoorbaar te maken. Zelfs de lezer heet een \u2018hoorder\u2019, bij wie door het gedicht het onderbewuste moet worden geraakt, \u2018het verstand doorbrekend\u2019. Dat verstand mdg zich niet eens met de po\u00ebzie bemoeien, het kan eenvoudig niet bij het dichten, dat een doordringen is in \u2018het bovenwerkelijke\u2019. Maar dat bovenwerkelijke, in de ervaring onzegbaar immers, is ook weer geen onderwerp van het gedicht. Wat is het onderwerp dan wel? \u2018Het gedicht zelve\u2019. Het doel van de dichter is alleen maar \u2018zijn lyrisme te geven\u2019. Hij dicht omdat hij erop vertrouwt niets te zeggen te hebben.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De redenering zou op een tautologie neer kunnen komen, vooral wan-neer er de dooddoener op volgt \u2018Lyrisme is een tot op heden nog weinig bestudeerde bacil.\u2019 Ook lijkt dit infektueuze geval moeilijk te rijmen met de uitspraak dat de zuivere liriek zo geen onderwerp dan toch een tema heeft, nl. de verrukking. Dit hele geformuleer van Van Ostaijen is een nare vermenging van elementen die aan ziekelijkheid en mistiekerigheid zijn ontleend. Het verraadt zijn katolieke herkomst; en ook zijn be\u00efnvloeding door de negentiende eeuwse en aansluitende denkrichtingen. Men kan scherpzinnig zijn, intelligent zelfs,\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 454]<\/div><p>en zich toch niet metodisch zijn uitgangspunten bewust hebben gemaakt. In Van Ostaijens onheldere gemistificeer, dat een ook eks-katholieke maar a-teoretische Du Perron tegen alle haren moet hebben ingestreken, zijn reminiscenties te herkennen van een dualistisch christelijk platonisme en van Schopenhauers anti-intellektualistisch en pessimistisch voluntarisme, dat in <i>der Wille<\/i> het nee plus ultra van ons funktioneren zag. Welke laatste leer dan weer \u00e0 la Marx&#8217; truc met het historisch materialisme, op zijn kop werd gezet door Freud, die van het oerkreatieve onbewuste alle heil verwachtte, inklusief het artistieke. De ook artistieke denker Klages gaf dan aan al dit efemeer polaire denken nog ter afsluiting het motto mee: <i>Der Geist als Widersacher der Seele,<\/i> wat lange tijd een goedkoop alibi was voor veel geesteszwakken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Niet om de waarde maar ter illustrering van Van Ostaijens relatie tot Du Perron moest ik zijn redenering hier ietwat uitvoerig weergeven. Die redenering was ook alleen maar een aanloop met struikelingen naar heel wat zinniger uitspraken over de struktuur van het gedicht. Hierin komt de ware dichter en vakman aan het woord, die uit eigen ervaring praat en w\u00e9\u00e9t wat hij zegt. \u2018De logiciteit van het gedicht is alleen te meten aan de logiciteit van de organische ontwikkeling tussen aanvang en slot: zoals de organen tot het organisme zijn de woorden bepalend en zelf bepaald!\u2019 Het \u2018organisch\u2019 te noemen vers dekt dan niet het begrip vrijvers, het zg. <i>vers libre<\/i> of alleen maar rijmloos regelmatige vers, dat door de Franse dichter Gustave Kahn was ge\u00efntroduceerd en waar toen menig ekspressionist het summum van nauweijks gebonden uitdrukkingsmogelijkheden in zag. Van Ostaijen wijst deze versvorm af omdat de woorden er zelden diepgang in hebben. Hij wil in een gedicht een begrenzing naar de kern toe zien, terwijl er in het vrijvers een verbreding optreedt; tegenover het organische kan er daarbij van het mechanische vers worden gesproken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ook het beeld vindt maar nauwelijks genade in Van Ostaijens ogen. Hij noemt het \u2018een indringster met onderofficierenmanieren\u2019, het is ornamenteel en stoort de lirische ontroering. Het is duidelijk dat Van Ostaijen hier het voorkomen van het beeld in de beeldvergelijking of metafoor op het oog heeft en het is vreemd dat iemand die zo zuiver mogelijk het onbewuste aan het woord wil laten, die oerproducent van\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 455]<\/div><p>juist aan sentiment geklonken beelden de deur wijst. En er valt over beelden in de po\u00ebzie nog meer te zeggen ook, vooral als naast het metaforische of representerende beeld het presenterende of dragende wordt gesteld. Maar Van Ostaijens poetica is eerder de tekst voor een vaandel pro domo dan een helder doordacht teoretisch instrument. Het verklaart zijn apodiktische beperking van de po\u00ebzie tot alleen maar de liriek, zijn bij wijze van retireren geplaatste nietszeggende boutades als het om een hanteerbare konklusie gaat, zoals de uitspraak dat alleen het niet geschreven gedicht van belang is, maar ook zijn puntige eksklamaties als de volgende, die aanstuurt op Du Perrons positie en alles betrekt binnen een gezond biologische sfeer: \u2018Weg met de Costers en met de andere dominee&#8217;s, weg met de verbetering van de mensheid, maar leve de verbetering van het koerspaarderas!\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In zijn tweede hier genoemde lezing licht hij zijn opvatting van de formele aspekten van het gedicht nog nader toe, o.a. door een vergelijking met de moderne schilderkunst. Hij is dan nog niet los van het hermetisme van de simbolisten, getuige de \u2018organische esoteriek\u2019 die volgens hem het ekspressionistische kunstwerk kenmerkt. Maar daarnaast preciseert hij heel duidelijk, onderscheidt hij het romantische ekspressionisme dat patetisch is, van het organische dat sensibel is &#8211; of uitgedrukt in personen, onderscheidt hij Wies Moens van zichzelf &#8211; en vereenzelvigt hij het begrip organisch meer en meer met wat Jozef Peeters konstruktivistisch had genoemd en wat in Frankrijk het sintetische kubisme was gaan heten. Het gaat hem dan in het kunstwerk om een opbouw van gelijkwaardige elementen, waarin plaats, spanning en waarde door hun mede-elementen wordt bepaald en niet door hun inhoudelijke betekenis. Hier wordt een van de kompositie- principes verabsoluteerd en door het begrip \u2018ase\u00efteit\u2019, of een in en op zichzelf zijn, aan het kunstwerk te koppelen, geeft hij aan een eigenschap een dingkarakter, als o.a. later de autonomisten van het merk <i>Merlyn<\/i>. Maar als we erbij aannemen dat het binnen de gestelde voorschriften ook nog om goede en levende po\u00ebzie moet gaan, kunnen we ermee uit de voeten. En bergen we een Genesis-fantasmagorie als de volgende maar in de geschiedeniskast afdeling Dikke Woorden: \u2018De organisch-expressionistische optiek is deze van het eerste zien, van het eerste bewustzijn van de buitenwereld, van de eerste platonische herinnering.\u2019<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 456]<\/div>\r\n<p>Een Van Ostaijen met deze bagage wordt dan vrij snel een steeds intiemer partner van Du Perron in de literaire frontvorming. Er is in 1926 gelegenheid voor regelmatig persoonlijk kontakt in Brussel, waar dan Du Perron zijn hoofdkwartier heeft en Van Ostaijen samen met zijn vriend Van Bruaene enige tijd een kunsthandel drijft. Er is reden om aan te nemen dat Van Ostaijen in die periode een toen weinig ambitieuze Du Perron heeft geanimeerd. Als deze hem meedeelt, na enkele korte verhalen uit de bundel <i>Gebrek aan ernst<\/i> te hebben afgemaakt, in het vervolg maar liever helemaal niet te willen schrijven, merkt Van Ostaijen over diezelfde verhalen op \u2018dat jij verdomd amusant vertelt\u2019. De in 1928 verschenen herdruk van de bundel draagt Du Perron dan ook op aan de nagedachtenis van Van Ostaijen; nadat zijn vriend nog net voor diens dood de opdracht had kunnen aanvaarden. En in 1926 voltooit Du Perron in \u00e9\u00e9n rush wat eigenlijk zijn oudste verhaal is, <i>Een voorbereiding,<\/i> met het schrijven waarvan hij in 1922 was begonnen en dat jarenlang onvoltooid in een la had gelegen. De moedeloosheid was voorbij.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In 1927 wordt er gebroed op de plannen voor een eigen blad. In de zomer is Van Ostaijen in de Kempen om er te kuren voor zijn ernstiger wordende tuberculose. Marsman, die andere en in het noorden opererende partisaan van het ekspressionisme, schrijft hem dan en op zijn beurt moedigt Du Perron hem aan die korrespondentie voort te zetten met de dichter en kritikus wiens patetische geheimtaal hemzelf dan nog zo tegenstaat. Maar volgens hem kan Marsman voor Van Ostaijen zijn \u2018een andere <i>bodem<\/i> om desgewenst proeven op te nemen.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Begin september &#8217;27 wordt Van Ostaijen opgenomen in een klein sanatorium, in het Ardenner plaatsje Miavoye-Anth\u00e9e, waar hij ook zijn eind zal vinden. Du Perron zoekt er hem op en de wederzijdse inzichten en praktijken met betrekking tot de po\u00ebzie zijn dan weer een punt van diskussie. Twee jaar eerder had Van Ostaijen zich denigrerend uitgelaten over Du Perrons verzen en ze \u2018poezie\u00ebn\u2019 genoemd. Deze had toen half schertsend geantwoord ze te zullen bundelen onder de titel <i>Proza met wit<\/i> en met een opdracht aan Van Ostaijen. Maar helemaal niet schertsend voegt hij eraan toe te denken nu wel van de po\u00ebzie genezen te zijn &#8211; de bacil! &#8211; en als een definitief vaarwel formuleert hij dan de uitspraak die iemand als hij iets zinnigs over\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 457]<\/div><p>Du Perron als dichter wil zeggen, niet over het hoofd mag zien. \u2018Ik besef volkomen mijn te laat komen in de strijd, mijn te laat protesteren tegen de rebellen en mijn te laat overlopen naar hun zijde.\u2019 Daarna is de po\u00ebzie voor hem niet meer relevant. Hij is dan nog wel dichter, maar <i>\u00e0 ses heures,<\/i> op zijn hem dan alleen liggende wijs. En hoewel hij er soms zijn sterkste sentimenten in kwijt kan, het blijft een aktiviteit terzijde.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Later memoreert hij tegenover Burssens het resultaat van de diskus- sie kortweg als volgt: \u2018&#8230; met P.v.O. geloof ik dat mijn kracht in het proza ligt\u2019. En tegenover Van Ostaijen zelf, die het gemak waarmee zijn vriend dichtte een kwalijk teken had gevonden en hem met zijn lirisch sjibboleth de dichterhemel had ontzegd, had hij zijn verweer in de mondelinge diskussie in een daarna nog geschreven brief toegelicht met: \u2018Ik bedoelde ook niet dat ik door dat gemak altijd de satyrieke kant uitging, maar dat die zucht tot satyre, die zich anders even goed (wschl.) in proza zou hebben geuit, nu die versvorm neemt die ondanks alles reli\u00ebf geeft aan een betoog, als-i met een beetje smaak (wat iets anders is dan po\u00ebties gevoel) wordt gebezigd. Dat is wat ik bedoelde toen ik zei: \u201cHet is immers zelden b\u00e9te.\u201d -\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De totnutoe altijd vriendschappelijk gevoerde gedachtenwisseling krijgt een niet van bitterheid verstoken hoogtepunt als Du Perron en Van Ostaijen hun blad krijgen, dat na een initiatief van Du Perrons Amsterdamse vriend R. Blijstra en met steun van de Nederlandse uitgever Dinger begin 1928 kan verschijnen. Het heet op voorstel van Du Perron <i>Avontuur<\/i> en naam zowel als toelichting zijn al een program. \u2018Het lijkt mij goed als tegenstelling van de ROEPING-mensen en de andere die LEIDSTAR of zoiets op hun blad zouden zetten.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron, dan helemaal entoesiast, stelt half december &#8217;27 voor om in het tweede nummer van het blad een enqu\u00eate op te nemen: iedere jongere mag op een vragenlijst antwoorden die o.a. inhoudt welke dichter en welke kritikus zijn voorkeur heeft. In elk nummer zullen twee of drie antwoorden worden geplaatst. Van Ostaijen moet de enqu\u00eate toelichten met een \u2018kwasi-serieus praatje\u2019 en \u2018als alle antwoorden binnen zijn zal ik een openingspraatje schrijven, z\u00f3 boeiend en z\u00f3 sprankelend van vernuft en geest, zie je, dat iedere aanvaller van te voren overrompeld, ontwapend en verkracht staat. Dan zeg jij \u00f3\u00f3k eens tegen mij: &#8211; Ah, toi, tu es un brave! &#8211; Dus voorwaarts marsj! van\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 458]<\/div><p>Ostaijen in top, of het hele spelletje interesseert mij niet meer.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron denkt er een kleine storm mee te provoceren in letterlievend Nederland, maar in plaats daarvan gaat het waaien om zijn eigen oren. Tegelijk met zijn voorstel had hij al zijn eigen antwoorden op de vragen aan Van Ostaijen toegezonden. Deze had eerst uitwijkend geantwoord er liever buiten te willen blijven, maar als Du Perron weer aandringt, gaat hij serieus op het geval in. En duidelijk gepikeerd, want Du Perron had op zijn eigen vragenlijst als dichter van zijn voorkeur Richard Minne genoemd, een van de dichters van het blad <i>Het Fonteintje,<\/i> die min of meer traditioneel dichtten en door Van Ostaijen als figuren uit een vijandelijk kamp waren bestookt. Het mengsel van openhartige spontaniteit en weloverwogen wil tot prikkelen dat Du Perron zo vaak in aktie deed komen, moet hem ook nu tot de Minne-injektie hebben gebracht waar Van Ostaijen zo pijnlijk door was getroffen. Maar er ook door werd aangespoord zich alweer te bezinnen op zijn eigen teoretische grondslagen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Uitvoerig licht Van Ostaijen zijn teleurstelling toe, een dubbele zelfs, want Du Perron had ook nog als naar zijn mening relatief beste kritikus Roel Houwink genoemd, en weer niet Van Ostaijen. De laatste vindt zijn achterstelling als kritikus en dan nog wel bij Houwink, een \u2018hamerslag\u2019 en Du Perrons voorkeur voor Minne kan hij wel en toch ook weer niet begrijpen. Maar er zijn ook frontstellingen: \u2018Verkeerd of niet, P.v.O. heeft in Du Perron een supporter gezien die door dik en dun de kleuren van de van Ostaijen-club hoog ging houden. Bij de eerste schermutseling bemerkt hij dat de toejuichingen van zijn gewaande supporter naar de andere zijde gaan.\u2019 Zijn poging tot uitwijken was geweest voor te stellen de redakteuren van het blad buiten de enqu\u00eate te houden, maar toen Du Perron was blijven aanhouden, had hij diens antwoord als zeer ree\u00ebl moeten beschouwen. \u2018Maar begrijp je dat ik een beetje beteuterd ben?\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron schrijft weer dat hij had bedoeld de antwoorden te laten voortkomen \u2018niet uit de strijder, niet uit de partijman in de kunst, maar uit het individu.\u2019 En de kwestie van het supporterschap relativeert hij met een nu volledige openhartigheid als volgt. \u2018Je supporter ben ik &#8211; het hangt ervan af tegenover wie. Tegenover de idioten die beweren dat je raadseltjes opgeeft, ja, door dik en dun&#8230; Nu, wat betreft mijn persoonlike bewondering tegenover je po\u00ebzie, die is niet\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 459]<\/div><p>onverdeeld. D.w.z. ik bewonder de veelzijdigheid en het sportman- schap waarmee je telkens weer een nieuw probleem aanvalt en oplost; maar buiten deze problemenkwestie om zijn er betrekkelijk weinig verzen van je die mij direkt treffen. D.w.z. ik geef mij, als ik een vers van je goed vind, meestal te veel rekenschap ervan waarom ik het goed vind &#8211; ik bedoel: om welke voorbijgaande \u201ckultuurhistoriese\u201d redenen.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Hij zegt erbij dat sommige van Van Ostaijens gedichten hem treffen \u2018d\u00f3\u00f3r hun knapheid, of vaardigheid, of wat je het noemen wilt heen\u2019 en noemt daarbij diens Alpejagerslied \u2018bizonder geestig\u2019. Wat er in de brief op volgt is te belangrijk voor de kennis van Du Perrons instelling in die tijd tegenover de po\u00ebzie, om er niet dit uit te citeren: \u2018Maar daartegenover staan hopen gedichten die ik volkomen tegenover ieder ander zou weten te verdedigen, maar die &#8211; dit moet ik voor mijzelf toch erkennen? &#8211; mij in laatste instantie niets doen. En wat ik bij Minne zo apprecieer is juist dat de formule, of het principe van zijn po\u00ebzie me ternauwernood aangaat, maar dat-i me treft, 3 op 5 keer. &#8230;. Je hebt dikwijls gezegd dat ik geen po\u00ebet ben: en ik heb het altijd gaarne aangenomen. Ik ben niet ongevoelig voor het rytme en de vorm van de po\u00ebzie en geloof dat daarbuiten geen gedicht kan <i>bestaan;<\/i> maar dit eenmaal toegegeven, en als we beginnen te spreken over de nu-eenmaal-bestaande gedichten, dan krijg je van mij gaarne heel Toulet bijv. cadeau voor het \u00e9ne <i>Le Voyage<\/i> van Baudelaire, en heel Cocteau voor <i>Le Bateau Ivre<\/i> van Rimbaud dat naar de vorm in betrekkelijk geregelde kwatrijnen geschreven is; en de hele surrealistiese school voor <i>The Ballad of Reading Goal<\/i> van Wilde. Hiermee is dus voor jou eenmaal te meer bewezen dat het ware gevoel voor wat zuivere po\u00ebzie mag heten bij mij niet aanwezig is? ook als ik Apollinaire verrukkelik vind zal het dus wel zijn om andere dan zuiver-po\u00ebtiese redenen, en hetzelfde geldt natuurlik weer voor de <i>M\u00e9lop\u00e9e, Nachtelike Optocht,<\/i> enz. Aan jou \r\ntrouwens om het mechanisme te verklaren, ik ben voor het ogenblik alleen maar openhartig &#8211; en konstateer.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wat de uitspraak over zijn kritikus van voorkeur betreft, retireert Du Perron dan bij wijze van aardig gebaar. Hij zegt daarbij \u2018een half- ontwijkend antwoord\u2019 te hebben gegeven en serieus gesproken Van Ostaijen als kritikus ver boven Houwink te stellen.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 460]<\/div>\r\n<p>Van Ostaijens onmiddelijk daarop geschreven antwoord getuigt van zijn dualistische instelling en ook van een zoeken naar meer evenwicht, waarbij hij ondanks het vleugje spot zijn laatste ernst uitspreekt. \u2018Het verschil tussen ons in deze, zoals in vele andere zaken, ligt hem daarin dat jij streng individueel blijft (bevalt het me of bevalt het me niet), dan wanneer ik toch steeds probeer 50% kritikus te zijn. Wanneer ik iemand als Minne aanvaard, ja hem zelfs zo aanvaard dat ik misschien vanwege de cirkulaire weer verdeeldheid breng in het expressionistische kamp, dan betekent dit, voor mij, dat begrijp je toch, een zekere inspanning om uit te komen boven een persoonlijk oordeel. En evenwel als ik een sprong naar rechts kan doen, die de expressionisten woedend maakt, kan ik naar links springen en de hand reiken aan Engelman, en dan zeggen de individualisten: hoe zo is hij nu weer bij \u201cde gemeenschap\u201d. En deze akrobatie amuseert mij kostelik. Maar toch, het is geen absoluut individuele akrobatie; er blijft in dit gezeildans een zoeken naar een waarachtig <i>volstrekt<\/i> evenwicht. (Ik heb de hoop nog niet opgegeven eenmaal ergens professor in lyriek te worden.)\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Opgelucht is hij ook nog door Du Perrons verklaring dat diens voorkeur voor Houwink niet serieus bedoeld was. En dat hij zich van de puur persoonlijke kant uit scheefgetrokken voelt, blijkt uit: \u2018Langs vele zijden verdringt inderdaad de strijdende dichter bij mij het individu.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Er gebeurt wat Du Perron dan al heeft voorgesteld: de enqu\u00eate, waarvan nu ook Burssens zegt hem \u2018als een lolletje\u2019 te hebben beschouwd, in de prullemand te deponeren. Maar de wrijving hoeft volgens Du Perron niet verspild te zijn. \u2018Als deze gederailleerde enqu\u00eate alleen aanleiding zou zijn geweest tot ons beider zo grote openhartigheid, &#8211; welaan! dan hebben wij er altijd d\u00e1t bij gewonnen, misschien&#8230;\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Eind januari &#8217;28 leest Du Perron Marsmans kritiekenbundel <i>De Anatomische Les<\/i>. Hij schrijft er zijn hoofdstuk van februari &#8217;28 in de <i>Cahiers van een lezer<\/i> over. En wel bij wijze van fragment van een niet verzonden brief aan P.v.O., wat illustreert hoe hij in zijn reaktie op Marsman ook een refleks voelt van de pas gevoerde diskussie.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Marsman, niettemin al uitgenodigd om mee te werken aan het op uitkomen staande <i>Avontuur,<\/i> heet er dan nog \u2018zo&#8217;n godverdommese literator\u2019 in. Marsmans kritische jargon ergert hem, diens over kunst\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 461]<\/div><p>spreken \u2018met verdraaide oogballen\u2019 en vooral ook diens \u2018vervloekte manie om een dichter als een wereldwonder voor te stellen en over een dichtregel te spreken als over een wagenlading verrassingen\u2019 wordt nog eens aan de kaak gesteld. Maar dat Marsman \u2018in grote mate dichter\u2019 is, erkent hij als een kwaliteit en hij onderscheidt de onmiskenbaar dichterlijke toon in Marsmans po\u00ebzie van diens literaire orakeltoon in de kritieken. Bovendien, en hiermee komt hij dicht bij Van Ostaijens biologische kriterium, zegt hij om Apollinaire tegenover Val\u00e9ry te situeren, dat de eerste oneindig meer \u2018ras\u2019 vertoont. Het is de grondeigenschap van wat hem voortaan in de kunst alleen nog als pers\u00f3\u00f3n zal interesseren.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De vriendschappelijke guerrilla met Van Ostaijen besluit Du Perron met een kleine attaque van achter zijn eigen kopje uit. In het eerste nummer van <i>Avontuur<\/i> wordt Van Ostaijens Alpejagerslied afgedrukt, met erbij vermeld \u2018voor E. du Perron\u2019. Voor de minder ingewijde lezer moet van dit lange gedicht even het begin worden geciteerd, wil het daarop volgende begrijpelijk zijn. Aldus Van Ostaijen:<\/p>\r\n\r\n<div class=\"poem\">\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">Een heer die de straat afdaalt<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">een heer die de straat opklimt<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">twee heren die dalen en klimmen<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">dat is de ene heer daalt<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">en de andere heer klimt<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">vlak v\u00f3\u00f3r de winkel van Hinderickx<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">en Winderickx vlak v\u00f3\u00f3r de winkel van Hinderickx en Winderickx van de be-<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">roemde hoedemakers<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">treffen zij elkaar\u00a0\u00a0\u00a0enz.<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<\/div>\r\n\r\n<p>Begin maart revancheert Du Perron zich naar aanleiding van Van Ostaijens opdracht als volgt. \u2018Ingesloten een ander lekkernijtje: je cadeau aan mij wekt bij velen dichterlike neigingen! Ik had gedacht iets te schrijven van:<\/p>\r\n\r\n<div class=\"poem\">\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">Een heer die verstand van dichten heeft<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">en een heer die lezen kan met gezond verstand,<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">dat is: de ene heer heeft van dichten verstand<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">en de andere heer heeft niets dan zijn gezond verstand,<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<\/div>\r\n\r\n<p>enz.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">en te eindigen met zoiets als:<\/p>\r\n\r\n<div class=\"poem\">\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">hoe brengt de heer die van dichten heeft verstand<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<\/div><div class=\"pb\">[p. 462]<\/div><div class=\"poem-small-margins\">\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">zijn dichten aan het verstand van die heer met alleen gezond verstand?<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<\/div>\r\n\r\n<p>en natuurlik:<\/p>\r\n\r\n<div class=\"poem\">\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">dat hij van dichten nooit zal hebben verstand<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">dat is zijn recht<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">dat is het volste recht van die heer met niets dan gezond verstand.<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">Maar laat maar.\u2019<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<\/div>\r\n\r\n<p>Het is de speelse afsluiting van de diskussie geweest. Een noodgedwongen einde, want met de terugkeer naar huis en een ontmoeting met Du Perron in Brussel in het vooruitzicht, sterft Van Ostaijen plotseling, nog geen twee weken later. Op Du Perrons pastiche is geen reaktie meer gekomen. Anders zou zeker de diskussie zijn voortgezet, want de plaagstoot was net even meer dan speels; er werd mee geschud aan een van Van Ostaijens stellingen over de formele aspekten van de po\u00ebzie.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron en Van Ostaijen hadden elkaar bij een verdere uitwisseling van inzichten nog dichter kunnen naderen. Niet vanwege een begraven van het strijdbijltje omderwille van de vriendschap, maar omdat het in hun idee\u00ebnbestand lag besloten. In zover is de spekulatie uit het begin van dit stuk over een opnemen van Van Ostaijen in de <i>Forum<\/i>-trias meer dan een gedachtenspelletje. Er is spijt mee gemoeid. Vanwege het afbreken van een jong leven uiteraard, maar vooral van zo&#8217;n veelbelovend jong leven. Veelbelovend zeg ik hier niet bij wijze van clich\u00e9, maar weloverdacht letterlijk. Want hoezeer ik het oordeel van Du Perron over Van Ostaijens po\u00ebzie onderschrijf, en dan alleen nog afgezwakt kan onderschrijven, toch zie ik het met het veel ruimere perspektief van vandaag vooral als een bewonderenswaardige aanloop. Een aanloop die werd ondernomen met een enorme spankracht; zoals alleen mogelijk in perioden dat er, al dan niet door oorlogsomstandigheden, de menselijke grondvesten geducht worden geschud en bij sensibele mensen daardoor even heftig merg en zenuwen geraakt. Uit die aanloop zelf kan worden opgemaakt hoe groot de sprong had kunnen zijn. Een van de sterkste sensaties was overigens voor mij bij het zien van de knappe toneelcollage, die Cor Stedelinck in het vorige seizoen voor De Nieuwe Komedie van Van Ostaijens po\u00ebzie maakte, juist die van een steeds maar ner-<\/p><div class=\"pb\">[p. 463]<\/div><p>veus in beweging zijnd mens, die zijn dichterlijke sensaties en impressies fragments- en flitsgewijs verwoordt. Uit Van Ostaijens laatste brieven blijkt hoezeer hij zelf toen zich in een onvoltooid tegenwoordige tijd voelde leven, waar wat mij betreft geen professoraat in de liriek ooit op had moeten volgen. Maar wel een gaaf dichterschap. En de \r\nafronding van de grote worp.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Die afronding had zijn konsekwenties kunnen hebben voor de po\u00ebzie-teorie, waarmee ik niet de katederteorie maar het geschematiseerde vlak van bezinning van de vakman bedoel. Ik zei al dat er met het begrip organische po\u00ebzie valt te werken; nu nog beter dan in de twintiger jaren, toen het zo ekspliciet met de ekspressionistische veroveringen was verbonden. Het begrip organisch zoals hij het bezigde, had Van Ostaijen ontleend aan de Duitse ekspressionisten, met wie hij tijdens zijn verblijf in Berlijn in nauw kontakt had gestaan en die hij ook als teoretici introduceerde in <i>Het Overzicht,<\/i> het in 1921 opgerichte Antwerpse modernistenblad van Jozef Peeters en zijn bentgenoten. De Duitse beeldhouwer Rudolf Belling propageert er o.a. een organische beeldhouwkunst in, die zich inspireert op de natuur en de vormen laat groeien, als een boom of een mens, zonder iets of iemand te willen nabootsen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Met de term organisch ekspressionisme distancieert zich dan later vooral Van Ostaijen van de humanitaire kwezelarij die ook onder de vlag van het ekspressionisme werd aangeboden. Hij kon er de autonomie van het kunstwerk mee proklameren, die ase\u00efteit of beslotenheid in zichzelf; maar veel verder kwamen we er niet mee, behalve dat het later een adagium werd van de tekstanalitici \u00e0 la bij ons de Merlyners. Maar ook daar bleef het begrip wat het vanaf het begin was geweest: een produkt van vaag, van isolerend, van verabsoluterend denken. De onzalige nasleep toen is te vinden in de door Ter Braak ge\u00ebntameerde en door Du Perron gesteunde diskussie rondom Binnendijks bloemlezing <i>Prisma,<\/i> in de vorm of vent-strijd en in de frontvorming van <i>Forum<\/i> die door een portie krampachtigheid op het gebied van de po\u00ebzie verschralend heeft gewerkt Met het begrip organisch hoeft nu het al uitgewerkte, of altans gedateerde ekspressionisme niet meer te worden verbonden. Dat moet ook niet meer worden gedaan met de destijds eraan gekoppelde beelden, die vruchten van het slechte denken waren. Het vers is een van zijn tak ge-<\/p><div class=\"pb\">[p. 464]<\/div><p>vallen vrucht of een Perzisch tapijtje dat los van de maker op zijn <i>magical tour<\/i> wordt gestuurd, maakte Nijhoff ons wijs. Het is een bloem, orakelde Binnendijk na. Terecht werd er geopponeerd, maar dan volgens het te gemakkelijke polaire denken dat met een zwaai van 180 graden een positie aan de tegenovergestelde kant kre\u00ebert. Waarop dan de autonomisten hun standje betrekken met ook weer hun eigen randje gelijk.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wie het vers als een taalorganisme beziet kan een heel eind op weg gaan naar een hanteerbare poetika. Maar dan moet wel worden beseft dat het om een taalorganisme sui generis gaat, een produkt van een transformatieproces via het medium taal, waarbinnen de schrijver enerzijds en de lezer anderzijds, de ene ideale lezer zou men kunnen zeggen, zijn geklonken. Om het genre dat we po\u00ebzie noemen nader te onderzoeken is alle gemistificeer en een pseudo-magisch bargoens overbodig. Tot en met de metafisika van Van Ostaijen, die de dichter wel een wijsgerig maar geen autentiek aureooltje verschafte. In een artikel over \u2018Paul van Ostaijen en het wezen der po\u00ebzie\u2019, in het <i>Nieuw Vlaams Tijdschrift<\/i> jaargang &#8217;66 nr. 3, heeft Erik van Ruysbeek Van Ostaijen al vragenderwijs gekorrigeerd in verband met diens ophangen van het dichten onderaan de ladder van het verschijnsel ekstase. Hij vraagt zich daarbij af, en duikt er weer onvermijdelijk mee in de ons eindeloos aanstarende antieken, of het begrip <i>gnosis<\/i> hier niet verkieselijk is; en ook het woord <i>awareness<\/i> gebruikt hij om de bedding van het dichten aan te duiden. We zijn er al dichter mee bij huis. Maar ik zou er nog dichter bij een werkplaats mee terecht willen komen, \u00e9\u00e9n die ons het dichterlijke instrumentarium doet kennen. Doodnuchter analiserend, in psichologisch en taalkundig opzicht. En er eens met geduld nagaand hoe een vers uit het wezen van zijn grondstof taal en zijn bewerker mens is gestruktureerd; en met het oog op zijn te bereiken effekt moet worden georganiseerd. Al die tientallen en nog meer elementen die er in een vers meespelen, mee k\u00fannen en in het ene geval wel of in het andere niet mee m\u00f3eten spelen al \r\nnaar opzet en genre, dat alles is naar funktie en werking te onderzoeken. Wie bang is dan het \u2018wonder\u2019 te verliezen, moet ook de rest van de natuur niet onderzoeken en zich zoethouden met de sprookjes van Moeder de Gans. Beleeft overigens niet wie met overgave zoekt wonder na wonder? En wordt hij er niet vertrouwd mee als\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 465]<\/div><p>met <i>stepping stones<\/i> naar nieuwe wonderen?<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het is niet anders bij het taalorganisme po\u00ebzie, waar zoveel bekende en minder bekende elementen hun samenspel onder de dirigent dichter in uitvieren. Metrum, ritme, beeld, klank-, beeld- en andere korrespondenties, funktionele werkingen en samenhangen van letters, lettergrepen, woorden, regels, strofen, betekenisverschuivingen, dubbel- en meerzinnigheden, zeggen in relatie tot verzwijgen, suggestief vermogen, dit alles en nog meer bew\u00e9rkt po\u00ebzie. Een studieuze aandacht voor dit werken en bewerken zou alleen al onze literaire fakultieten tien jaar bezig kunnen houden. Vondel, Hooft en Huygens moeten in die periode dan maar &#8216;s in de boekenkast blijven. Men kan dan ook ontdekken wat iedereen ontdekt die wel eens geneusd heeft in de overgeleverde en vaak nog geldige handleidingen voor de Chinese, de Japanse of de Maleise po\u00ebzie, nl. hoe weinig verschillend er wordt gedacht over de funktionele struktuur van de po\u00ebzie, als de formuleringen even worden ontdaan van het soms ook mistige georakel.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Een ontwikkeling als hier bedoeld naar een volwaardige poetika &#8211; let wel, hardnekkige misverstaanders, het gaat hier niet om lessen of wetten of voorschriften maar om een fundamenteel inzicht in funkties &#8211; zou onze literatuur van zijn nog altijd landelijke onschuld kunnen verlossen en ook vanwege de ongelukkige voorgeschiedenis van belang kunnen zijn. Onze \u2018moderne\u2019 po\u00ebzie, die van na de Middeleeuwen en een andere is er niet meer gegroeid, is een uitheems gewas geweest. Vanaf de 16e eeuw zijn onze dichters te hooi en te gras met renaissancistische vormen en voorschriften gaan werken, Italiaanse en verfranst Italiaanse, die toen <i>en vogue<\/i> waren als uitschieters in een scala van mogelijkheden. Men heeft die toevallige keuze tot in het absolute geformaliseerd en de stimulerende mogelijkheden vrijwel altijd genegeerd. En waardoor weer een volwaardige eigen nationale ontwikkeling, die bij ons schilderkunst en muziek wel hebben kunnen realiseren, in onze literatuur nooit tot stand is gekomen. Hoe ook de wereldliteratuur wordt gezien en gegroepeerd, van een Hollandse \u2018school\u2019 erin kan tot op vandaag niet worden gesproken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wat er wel is gebeurd met het po\u00ebtische leengoed zou kortweg in drie fasen kunnen worden samengevat. Er is de periode van het <i>retoriseren<\/i> van onze voor de po\u00ebzie beschikbare taal geweest; dank zij\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 466]<\/div><p>de invloed van het prekende calvinisme en de psalmberijmingen. De dreun van de kerkzang heeft onze po\u00ebzie voor eeuwen een regelmatig geskandeerde ritmiek en metriek bezorgd. Daarbuiten viel geen po\u00ebtische genade te bekennen. En de zwaarte van het dogmatisch gesmede woord heeft er de meerzinnigheid aan onthouden die een van de essenties van de po\u00ebzie is (\u2018er staat niet wat er staat\u2019).<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Eerst de Tachtigers zijn door het <i>sonoriseren<\/i> van de dichterlijke taal en door de beeldfunktie uit te breiden, een tweede fase ingegaan; waarin niettemin wat het formele aspekt betreft hoofdzakelijk een toevlucht werd gezocht bij een renaissancistisch proc\u00e9d\u00e9, de sonnetvorm. (\u2018Klinkt helder op gebeeldhouwde sonnetten.\u2019) De derde fase zou inderdaad met een term van Van Ostaijen het sensibiliseren van het woord kunnen worden genoemd, maar het proces kan nog beter door het woord <i>aktiveren<\/i> uitgedrukt. Het was in elk geval de bijdrage van het ekspressionisme. Het verbreken van het grammatikaal bepaalde zinsverband, het associatieproc\u00e9d\u00e9, de ontginning van de klank en van de papierruimte waarbinnen het gedrukte woord funktioneert, dit en nog veel meer heeft het po\u00ebtische arsenaal verrijkt en ook bij ons de taaimogelijkheden van de dichter vergroot. Maar het heeft ook de verslonzing met zich meegebracht die zoveel po\u00ebzie van de laatste tientallen jaren tot een flauwe woordjeslijmerij heeft gemaakt. Zoals er een overspannen po\u00ebzie is, en bij de Tachtigers en na-Tachtigers in hoge mate was, zo is er ook een onderspannen po\u00ebzie: de leuter- en slenterpo\u00ebzie van vandaag, waarin ook zo ongeveer alles over het hoofd wordt gezien van wat als een po\u00ebtiserende kiem de taal in zich draagt.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Juist om met enig inzicht in veel onsmakelijk woordenbraaksel de bezem te kunnen hanteren, zou het gewenst zijn met het <i>funktionaliseren<\/i> van onze dichterlijke taal een nieuwe fase in te gaan. Een fase die pas van onze po\u00ebzie het volwassen kunstenaarsinstrument maakt die het bij ons nog nooit is geweest. En ook de fase waarin de po\u00ebzie vanuit de huiskamer en het verenigingslokaal naar de taalstudio kan worden gebracht.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het is merkwaardig te zien hoe zelfs Du Perron met een echo is blijven leven van zijn laatste diskussie met Van Ostaijen. Hoewel de po\u00ebzie dan zijn okkupatie niet meer is, blijft hij er in de volgende jaren natuurlijk in ge\u00efnteresseerd. In een van zijn brieven aan Greshoff,\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 467]<\/div><p>van november &#8217;32, kondigt hij aan: \u2018Ik ga binnenkort een stuk schrijven dat ik de woordmuziek (het rythme, de cadans) toch eigenlijk <i>je<\/i> vind in alle literatuur.\u2019 Het stuk werd nooit geschreven. Behalve dat hij het later niet meer zo absoluut had kunnen stellen, hebben andere beslommeringen en besognes hem tot aan zijn dood in 1940 overspoeld. Maar hij had dan op essentieel funktionele samenhangen kunnen stuiten, die uiteraard veel verder strekken dan de analogie\u00ebn met de muziek die het simbolisme in de literatuur had ge\u00efntroduceerd.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">\u00a0<\/p>\r\n\r\n<p>Nog een enkel woord ter afsluiting van dit al te lang geworden betoog. In 1969 verscheen van J.J. Oversteegen, kabouter onder de Merlyners, diens bakbeest van een proefschrift <i>Vorm of vent,<\/i> waarin minitieus de diverse kritische posities en twisten die er in onze literatuur tussen de beide wereldoorlogen zijn te onderscheiden, worden samengevat en getoetst. Voor het hiermee verrichte monnikenwerk, dat zo&#8217;n 500 bladzijden heeft opgeleverd, moet men wel respekt hebben. Onze literatenkaste kan ermee uit de voeten, maar ik voor mijn part heb toch niet alleen met vreugde gekonstateerd hoezeer onze literatuurstudie nog in de Middeleeuwen verkeert en scholastische zowel als casu\u00efstische spitsvondigheden nog altijd boven operationeel denken stelt.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ik breng het boek hier even ter sprake omdat het ook de relatie tussen Van Ostaijen en Du Perron behandelt. Maar dan kennelijk zonder raadpleging van beider korrespondentie. Anders had Oversteegen met het speurdersvingertje omhoog niet kunnen opmerken dat Du Perron \u2018per slot\u2019 zijn brieven in de oude spelling schreef, terwijl hij dat in feite alleen vanaf een zeker tijdstip deed. Het is een kleinigheid, maar je moet ervoor oppassen zoiets als argument te gebruiken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Erger is dat Oversteegen in de gedachtenwisseling tussen de beide vrienden over hun inzichten in de po\u00ebzie een <i>comedy of errors<\/i> ziet. Ik meen met wat ik hierover heb aangehaald duidelijk te hebben gemaakt hoe ver zo&#8217;n konklusie ernaast is. Zoals het ook ernaast is te zeggen dat Du Perron in de <i>Prisma<\/i>-polemiek \u2018eigenlijk\u2019 de dan al overleden Van Ostaijen bestreed. Alweer het voorgaande laat duidelijk zien hoezeer beiden front- en bentgenoten waren in het bestrijden van de estetische \u2018hoge borstzetterij\u2019 en de Binnendijkse \u2018ernst\u2019.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 468]<\/div>\r\n<p>Oversteegens opmerking dat Du Perrons essay \u2018Gesprek over Slauerhoff\u2019 een vervolg is op de afgebroken diskussie met Van Ostaijen, is in zover waar dat hij er voor zichzelf een gelegenheid mee schiep scherp en duidelijk zijn positie in de literaire aangelegenheden te formuleren aan de hand van zijn voorkeur voor de po\u00ebzie van Slauerhoff, die hij <i>als dichter<\/i> boven Van Ostaijen stelde, terwijl zijn waarde-ring omgekeerd was als het om de persoon ging. Het illustreert tegelijk dat het bij Du Perrons begrip \u2018persoon\u2019 niet om de burgerlijke maar om de dichterspersoonlijkheid gaat. En dat hij dus ook niet, zoals Over- steegen het stelt, aan de persoonlijkheid een primaire en het dichterschap een sekundaire eigenschap toekent. Dat het schrijven van het essay dan nog met een \u2018onvermijdelijk schuldgevoel\u2019 van Du Perron vanwege Van Ostaijens dood was verbonden, is een van die verbijsterende \u2018vondsten\u2019 van Oversteegen waar schijn noch schaduw van bewijs voor is te ontdekken. Had Du Perron schuld aan de tuberculose van Van Ostaijen? Had hij hem, zelfs waar hij hem prikte, onheus behandeld? Opnieuw betekenen de hier afgedrukte citaten op zichzelf al een ontkenning.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Alleen al het citaat over de muzikale elementen in de po\u00ebzie, waar Du Perron wel&#8217;s een verhandeling over zou willen schrijven, weerspreekt Oversteegens konstatering dat voor hem het gedicht \u2018in toenemende mate een direkt kommentaar op het leven was.\u2019 Het zich parlando uiten en daarmee tegelijk zich verzetten tegen po\u00ebtische schijnwaarden, is wat anders dan raisonneren. Dat er hierbij geen sprake is van het stellen van \u2018morele normen\u2019, zoals Oversteegen meent, maar om het modern te zeggen, van eksistenti\u00eble, merk ik dan nog terzijde op. Zoals ik ook even terzijde wil vragen aan Oversteegen, die Du Perron met bestraffende blik een \u2018impressionistisch kritikus\u2019 noemt, of hij niet diens <i>Uren met Dirk Coster<\/i> een meesterwerk van verantwoorde stijlkritiek vindt.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Er is nog veel te zeggen over Oversteegens gedar en gedans rondom begrippen, noties en sentimenten, die hij aan \u00e9\u00e9n stuk door transponeert naar het literaire vlak, ook als er maar een enkel facet in thuishoort. Het optreden van <i>Forum<\/i> behandelt hij uiteraard in het kader van de tegenstelling vorm of vent, waarvan Oversteegen terecht zegt dat het een ire\u00eble tegenstelling is. Maar het was bedoeld als een populariserende slogan, een strijdkreet als de even irre\u00eble tegenstelling\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 469]<\/div><p>\u2018liever Turks dan Paaps\u2019, waarbij iedere zinnige gardist wist dat het ging om de tegenstelling vorm of formaat.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Dat het bij <i>Forum,<\/i> vooral op de duur, om oneindig veel meer ging dan een literair positie kiezen is bij Oversteegen alleen te vinden in een noot op blz. 492, waarin \u2018het levensbeschouwelijke primaat\u2019 van de Forummers in verband wordt gebracht met de krisis en het opkomende fascisme. Dat het eerder dan om een levensbeschouwing om een houding ging, om een handhaving van persoonlijke en kultuurwaarden, als ook om een verweer tegen de toenmalige ontwaarding en ontaarding, zijn feiten die voor Oversteegen het vermelden niet waard zijn, hoewel ze <i>Forum<\/i> hebben gestempeld. Alleen de bijziendheid van de specialist kan het stellingnemen van <i>Forum<\/i> reduceren tot een literair-teoretische problematiek en over het hoofd zien dat in die tijd allerlei hoogstbehartenswaardige zaken nu eenmaal behoorden tot datgene wat toen werd genoemd <i>no subject for immortal verse<\/i>.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Door Du Perron, Ter Braak en <i>Forum<\/i> vlakweg in te bedden in een stroom van in- en evoluerende estetische begrippen, meningen en tendenzen, heeft Oversteegen een dimensie onthouden aan een belangrijk stuk literatuurgeschiedenis, waarbinnen de door hem als een bezige etaleur opgediepte polemieken alleen maar schermutselingen op de voorgrond waren. Het is een tekortkoming van een zo ambitieus presentator, terwijl het een teleurstelling is dat Anno Nu zo&#8217;n analitikus ook nog niet in staat is om in wat ons wordt geboden als een <i>summa,<\/i> af te stappen van het polaire entweder-oder-denken, waarbinnen het poneren van enig gelijk zo&#8217;n onvruchtbare bezigheid is. Tenminste voor ons, want de scholasten worden ervoor beloond: met in dubbele zin een promotie.<\/p>\r\n<\/div><div class=\"wp-block-column dbnl-rechts is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:33.33%\"><div id=\"noten-apparaat\"><div class=\"interp\">\n<h3>Over dit hoofdstuk\/artikel<\/h3>\n<p><label>auteurs<\/label><\/p>\n<p> <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=veen026\" target=\"_blank\" rel=\"noopener\">J.H.W. Veenstra<\/a><\/p>\n<p>over  <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=osta002\" target=\"_blank\" rel=\"noopener\">Paul van Ostaijen<\/a><\/p>\n<br>\n<\/div><\/div><\/div><\/div>","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[p. 446] [Tirade oktober 1970] Van Ostaijen en het organische vers J.H.W. Veenstra \u2018Paul van Ostaijen is gestorven op een ogenblik dat hij vol nieuwe hoop de toekomst tegemoet zag, dat hij meende zich met nieuwe krachten aan zijn werk te kunnen geven. Want lijnrecht tegen de opvatting van een Dirk Coster in, dat hij&#8230; <a class=\"more-link\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/\">Lees verder <span class=\"read-more-arrow\"><\/span><\/a><\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","class_list":["post-300190","dbnl","type-dbnl","status-publish","hentry"],"acf":[],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO plugin v26.4 - https:\/\/yoast.com\/wordpress\/plugins\/seo\/ -->\n<title>Van Ostaijen en het organische vers  J.H.W. Veenstra &#183; Uitgeverij Van Oorschot<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"Van Ostaijen en het organische vers  J.H.W. Veenstra &#183; Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"[p. 446] [Tirade oktober 1970] Van Ostaijen en het organische vers J.H.W. Veenstra \u2018Paul van Ostaijen is gestorven op een ogenblik dat hij vol nieuwe hoop de toekomst tegemoet zag, dat hij meende zich met nieuwe krachten aan zijn werk te kunnen geven. Want lijnrecht tegen de opvatting van een Dirk Coster in, dat hij... Lees verder\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"article:modified_time\" content=\"2021-07-08T09:52:09+00:00\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"46 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\/\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/\",\"name\":\"Van Ostaijen en het organische vers J.H.W. Veenstra &#183; Uitgeverij Van Oorschot\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\"},\"datePublished\":\"1969-12-31T23:01:09+00:00\",\"dateModified\":\"2021-07-08T09:52:09+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"DBNL\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"Van Ostaijen en het organische vers J.H.W. Veenstra\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\",\"name\":\"Uitgeverij Van Oorschot\",\"description\":\"\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"Van Ostaijen en het organische vers  J.H.W. Veenstra &#183; Uitgeverij Van Oorschot","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"Van Ostaijen en het organische vers  J.H.W. Veenstra &#183; Uitgeverij Van Oorschot","og_description":"[p. 446] [Tirade oktober 1970] Van Ostaijen en het organische vers J.H.W. Veenstra \u2018Paul van Ostaijen is gestorven op een ogenblik dat hij vol nieuwe hoop de toekomst tegemoet zag, dat hij meende zich met nieuwe krachten aan zijn werk te kunnen geven. Want lijnrecht tegen de opvatting van een Dirk Coster in, dat hij... Lees verder","og_url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/","og_site_name":"Uitgeverij Van Oorschot","article_modified_time":"2021-07-08T09:52:09+00:00","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"46 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/","name":"Van Ostaijen en het organische vers J.H.W. Veenstra &#183; Uitgeverij Van Oorschot","isPartOf":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website"},"datePublished":"1969-12-31T23:01:09+00:00","dateModified":"2021-07-08T09:52:09+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/van-ostaijen-en-het-organische-versj-h-w-veenstra\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"DBNL","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"Van Ostaijen en het organische vers J.H.W. Veenstra"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/","name":"Uitgeverij Van Oorschot","description":"","potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"}]}},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl\/300190","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/dbnl"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=300190"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=300190"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}