{"id":300407,"date":"1973-01-01T00:00:25","date_gmt":"1972-12-31T23:00:25","guid":{"rendered":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/"},"modified":"2021-06-04T13:49:46","modified_gmt":"2021-06-04T12:49:46","slug":"sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor","status":"publish","type":"dbnl","link":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/","title":{"rendered":"Sympatie voor een hemelvaarder\r\n\r\nRonald Spoor"},"content":{"rendered":"<div class=\"wp-block-columns alignwide is-layout-flex wp-container-core-columns-is-layout-9d6595d7 wp-block-columns-is-layout-flex\"><div class=\"wp-block-column dbnl-links is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:66.66%\">\r\n\r\n <interp type=\"primair\" value=\"spoo003\"><\/interp><interp type=\"secundair\" value=\"du_p001\"><\/interp><div class=\"pb\">[p. 164]<\/div>\r\n<a name=\"23\"><\/a>\r\n<h3>Sympatie voor een hemelvaarder\r\n<br><i>Ronald Spoor<\/i>\r\n<\/h3>\r\n\r\n<p>E. du Perron waarschuwde op 29 januari 1931 Menno ter Braak, schrijvend over Jan Engelman: \u2018Ik correspondeer \u00f3\u00f3k met dien meneer!\u2019<a href=\"#048\" name=\"048T\"><span class=\"notenr\">1.<\/span><\/a> Niet alleen Ter Braak, ook de lezers van de <i>Briefwisseling Ter Braak-Du Perron<\/i> zullen verbaasd geweest zijn, toen ze dit lazen. Du Perron en Engelman stonden immers zowel levensbeschouwelijk als literair ver uit elkaar. Het was een geliefde sport van recensenten<a href=\"#049\" name=\"049T\"><span class=\"notenr\">2.<\/span><\/a> om <i>Tuin van Eros<\/i> en <i>Parlando<\/i> in \u00e9\u00e9n kroniek te bespreken om zo de tegenstellingen binnen de nederlandse dichtkunst des te scherper te laten uitkomen. Zeker Menno ter Braak moest deze mededeling rauw op het lijf vallen: Engelman en hij hadden de eerste ronde van hun debat al achter de rug.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Dit debat met Ter Braak vraagt eerst de aandacht: het heeft net plaats gevonden, wanneer Du Perron en Engelman gaan korresponderen en vormt om twee redenen de onmisbare achtergrond voor deze korrespondentie. Het gaat om de verhouding tussen levensbeschouwing en literatuur, meer in het bizonder katolicisme en literatuur, een probleem, dat ook in hun brieven centraal staat. Daarnaast probeert Du Perron bij herhaling Ter Braak en zijn werk onder de aandacht van Engelman te brengen. Ook in de <i>Ambrosia-affaire<\/i> zouden Ter Braak en Engelman opnieuw tegenover elkaar komen te staan, waarbij Du Perron bemiddelend moest optreden. Eerst dus nu Ter Braak en Engelman. De vitalist Ter Braak: \u2018Roekeloos, onstuimig, heroisch en anecdotisch heeft de kunst te zijn;\u2019 schrijft hij in juli 1927<a href=\"#050\" name=\"050T\"><span class=\"notenr\">3.<\/span><\/a> &#8211; heeft het herhaaldelijk met het katolicisme en de katolieke jongeren aan de stok gehad. Hij had het daarbij met name voorzien op de kollektivistische levenshouding, waarvoor ze als katoliek en schrijver gekozen hadden.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Menno ter Braak was zelf, deze jaren, bezig te omschrijven wat\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 165]<\/div><p>hem van dominees- en priesterland scheidde. Eerder in 1927 had hij in het streng gekomponeerde essay <i>Ondergang<\/i> (tese: persoonlijkheid, antitese: woord, sintese: wederzijdse doordringing) het kriterium van de persoonlijkheid geformuleerd: \u2018Wij onderscheiden geen \u201ccollectivisten\u201d en \u201cindividualisten\u201d; wij onderscheiden slechts persoonlijkheden, die zich, nog niet ontgoocheld, een mythologische persoonlijkheid, een \u201cgemeenschap\u201d, verbeelden, en persoonlijkheden, die zich bewust in hun beperking terugtrekken.\u2019<a href=\"#051\" name=\"051T\"><span class=\"notenr\">4.<\/span><\/a> Ter Braak voelde zich aangetrokken tot het oproerige vitalisme van de katholieke jongeren van <i>De gemeenschap<\/i> en probeerde juist daarom voortdurend ze los te weken van hun geloof: \u2018Het belangwekkende in deze katholieken is dan ook hun paganistisch instinct\u2019 omdat zij \u2018nog vrijer, nog individualistischer tegenover de belangwekkende gisting van het moderne leven\u2019 stonden.<a href=\"#052\" name=\"052T\"><span class=\"notenr\">5.<\/span><\/a> Tot dan toe was Jan Engelman als oprichter van <i>De gemeenschap<\/i>, maandblad voor katholieke reconstructie, voortdurend ge\u00efmpliceerd, maar nog niet genoemd. Dat laatste gebeurde in het opstel <i>Het opium der vormen<\/i> van januari 1927.<a href=\"#053\" name=\"053T\"><span class=\"notenr\">6.<\/span><\/a> Maar pas toen Menno ter Braak in 1930 de tijd gekomen achtte om zijn anti-papistische stukken te bundelen en daartoe als inleiding <i>Waarom ketters<\/i>?<a href=\"#054\" name=\"054T\"><span class=\"notenr\">7.<\/span><\/a> schreef en trefzekerder dan ooit zijn bezwaren formuleerde tegen katolieken, die hem aanrandden met hun geloof, kwam er een reaktie van Engelman. Overigens zag Ter Braak van een afzonderlijke bundeling af en kwamen de meeste van deze stukken terecht waar ze thuis hoorden: in <i>Afscheid van domineesland.<\/i> Hij stelde nog eens met klem vast, dat het katolicisme van <i>De gemeenschaps<\/i>-jongeren maar een dekor is voor hun rebelse individualiteit en hij verwierp vanuit die opvatting hun buigingen voor de door hun aartsbisschop aangestelde censor: \u2018Zij trachten te imponeeren door in alles met ons mee te gaan en bij het hachelijkste punt, waarvoor geen heeft terug te deinzen, stelling te nemen achter de rokken van den pastoor. Hun laatste, onwaardige woord is: wij gelooven; en zij beroemen zich op deze lafheid, deze infantiele b\u00eatise tegenover ons die (inderdaad) niet minder zwak staan, maar er althans geen verloren eerezaak van maken.\u2019<a href=\"#055\" name=\"055T\"><span class=\"notenr\">8.<\/span><\/a> Dit keer voelde Jan Engelman zich rechtstreeks aangesproken, hoewel hij sinds januari 1930 geen deel meer uitmaakte van de redaktie van <i>De gemeenschap.<\/i> Zijn antwoord van november 1930 was ge-<\/p><div class=\"pb\">[p. 166]<\/div><p>titeld <i>Aveuglement du coeur<\/i>:<a href=\"#056\" name=\"056T\"><span class=\"notenr\">9.<\/span><\/a> Ter Braak had er niets van begrepen; hij ziet aan de natuurlijke souplesse van de katolieke mentaliteit voorbij. Bovendien maakt de geloofseenheid der middeleeuwen, volgens Engelman, op dit ogenblik een betere kans dan Ter Braaks individualisme. Ter Braak had de oude ondertitel van <i>De gemeenschap:<\/i> \u2018tijdschrift voor katholieke reconstructie\u2019 onderschat! \r\nEngelman pareerde Ter Braaks aanval door te suggereren, dat hij alleen maar zo fel tegen het katolicisme van leer trok, omdat hij zich er zo sterk door aangetrokken voelde. Maar anders dan bij Marsman, bleef Ter Braaks belangstelling beperkt tot de vitaliteit der katolieke jongeren. Wat een voorronde voor een vriendschap had kunnen worden, pakte heel anders uit.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Kort daarvoor, in september 1930, was Menno ter Braaks <i>Carnaval der burgers<\/i> uitgekomen, waarin hij be\u00efnvloed door Carry van Bruggen zijn stromende en groteske karnavalsmoraal formuleerde om zijn opvattingen over individu en kollektiviteit samenhangend te presenteren. Het karnaval is de formule voor het samengaan van burger en dichter; net als in <i>Ondergang<\/i> overheerst hier een sterk dialektische struktuur, die telkens zijn oplossing in een sintese moet vinden. De omschrijving van zijn levensgevoel hield ook een bede om vriendschap, om verstaan te worden, in: \u2018Hij die een carnavalsmoraal formuleert, gelooft in de volstrekte mogelijkheid, dat een ander zijn woorden zal kunnen verstaan; maar hij weet tevens, dat het verstaan niet in de woorden en de gelijkenis niet in de betekenis ligt, al zijn woorden en betekenissen onmisbaar voor het verstaan der gelijkenissen.\u2019<a href=\"#057\" name=\"057T\"><span class=\"notenr\">10.<\/span><\/a> De drukinkt was nog niet droog of uit Brussel kwam een sinjaal van herkenning: <i>Carnaval en aschwoensdag. Een levensbeschouwing van onzen tijd.<\/i><a href=\"#058\" name=\"058T\"><span class=\"notenr\">11.<\/span><\/a> Deze bespreking van Du Perron verscheen in het september-nummer van <i>Den gulden winckel.<\/i> Een maand later schrijft Du Perron aan Ter Braak: \u2018Maar wij schijnen werkelijk voorbeschikt om elkaar &#8211; althans in deze aera van ons leven &#8211; op een afstand en zonder woorden te verstaan!\u2019<a href=\"#059\" name=\"059T\"><span class=\"notenr\">12.<\/span><\/a> De kennismaking en de vriendschap met Ter Braak hadden zich dus voor ieder zichtbaar afgespeeld: Ter Braak en Du Perron waren het eens. Des te \r\nopmerkelijker is het, dat het iets later plaats vindende kontakt van Du Perron met Engelman, toch nog tot een vriendschap kan uitgroeien.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 167]<\/div>\r\n<p>Jan Engelman (1900-1972) was in 1931 al een bekend katoliek schrijver, die naam had gemaakt als dichter en tijdschriftleider. Na de h.b.s. ging hij als journalist bij het utrechtse dagblad <i>Het centrum<\/i> werken. Hij was medestichter van <i>De gemeenschap<\/i>, en vanaf de oprichting op 1 januari 1925 tot 1930 redakteur. Dit avantgarde tijdschrift, waarin Engelman de leidende rol speelde, probeerde uit het eng-katolieke kader te breken en aansluiting te vinden ook bij niet-katolieke tijdgenoten, zonder afstand te willen doen van het recht op een katolieke levensbeschouwing. Dat leverde dan ook de bovenbeschreven botsing met Ter Braak op.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Al snel na de verschijning van <i>De gemeenschap<\/i> sloot Engelman vriendschap met H. Marsman, die peet stond bij Engelmans debuut als dichter, <i>Het roosvenster<\/i>, en aan zijn tijdschrift ging meewerken. Inmiddels was Engelman ook als redakteur voor literatuur en beeldende kunst bij het katolieke weekblad <i>De nieuwe eeuw<\/i> gaan werken. In 1930 volgde zijn tweede bundel gedichten <i>Sine nomine<\/i>, nu bij de uitgeverij De gemeenschap te Utrecht.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Deze bundel (49 blz. en 18 gedichten) is verdeeld in drie afdelingen. De eerste sluit met gedichten als het vitalistische <i>The flying fool<\/i>, (waarin \u2018wanhoop en laat geweld\u2019 ruimten veroveren) en <i>Amenophis IV<\/i> (Mijn god is Aton, oorsprong van het leven) nog nauw bij zijn ekspressionistische debuut aan.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In de tweede en derde afdeling is Engelmans uitbundigheid wat intiemer en lichtvoetiger geworden, zonder dat dit tragischer tonen uitsluit <i>(Adieu).<\/i> Van de reeks <i>Het grensland<\/i>, dat men in erotisch gebied moet situeren, hebben I en II een vorm die dicht bij de eerste afdeling staat. In IV (Zacht branden van de tedere lenden) en V kondigt de nieuwe, zoete stijl zich aan. Engelmans tema is de strijd tussen hemelverlangen en aardse schoonheid. P.N. van Eyck wees in de laatste aflevering van zijn tijdschrift <i>Leiding<\/i> op de konstante betekenis van het woord \u2018wit\u2019 in zijn po\u00ebzie: \u2018Wit is de kleur van Christus, van de ziel en de gebieden der ziel, van paradijs en hemel.\u2019<a href=\"#060\" name=\"060T\"><span class=\"notenr\">13.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Met de vokalise <i>En rade<\/i> en de kantilene <i>Vera Janacopoulos<\/i> schrijft Engelman po\u00ebzie met bedwelmend ritme en zeldzame speelsheid. Deze po\u00e9sie pure ontketende een heftige diskussie. Vooral de jonge dichter-kritikus Anthonie Donker was fel tegen, hij vond er\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 168]<\/div><p>geen po\u00ebzie meer in terug: \u2018de taal is leeg, het vers is geestelijk luchtledig, het is een van de wereld, van geest en ziel afgesloten spel van deinende klanken (-) Het is een kleine, bekoorlijke klankgolf en het einde der po\u00ebzie.\u2019<a href=\"#061\" name=\"061T\"><span class=\"notenr\">14.<\/span><\/a> Ook een vertegenwoordiger van de oudere generatie als Victor van Vriesland moest er niet veel van hebben: \u2018een gedachteloos, wellustig onderduiken in het taal-mysterie.\u2019<a href=\"#062\" name=\"062T\"><span class=\"notenr\">15.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De katolieke jeugd reageerde anders op deze po\u00ebzie: \u2018Wij kenden dat van buiten, toen het verscheen. Het was nogal immoreel, veel \u201cslechter\u201d, zoals dat toen heette, dan de boeken van Mauriac.\u2019<a href=\"#063\" name=\"063T\"><span class=\"notenr\">16.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Na de publikatie van beide bundels was het duidelijk dat Engelman, die als woordvoerder en leider van wat in de jaren twintig en dertig de Jong-katolieken heette, geen roomse po\u00ebzie schreef. Heiligen vindt men er nauwelijks in terug; hoogstens zou men uit de titel <i>Sine nomine<\/i> een verwijzing naar de ziel, die naamloos in de gemeenschap (van Kristus) opgaat, kunnen afleiden. Nee, dit was geen bidprentjespo\u00ebzie en de katolieke inspiratie leek ver te zoeken. Engelman scheen als de futuristen en vitalisten vooral door snelheid geboeid: de bundel heeft als opdracht \u2018Voor jou Charles Lindbergh, zeemeeuw, ijlbode onzer nostalgie.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ook het nieuwe kunstmedium film, al evenzeer snelheid en beweging als schoonheid gezocht, trok sterk zijn aandacht, getuige bijvoorbeeld de vokalise <i>En rade<\/i>, ge\u00efnspireerd door de film En rade (= op de rede) van Albert de Cavalcanti. De visuele gevoeligheid zou een blijvend kenmerk van Engelmans dichterschap blijven, van het begin af aangevuld door een sterke ori\u00ebntatie op de muziek, vooral die van Mozart (voor het eerst met name genoemd in <i>Meimorgen in Limburg<\/i>). De eerste aanzet tot zijn beroemde vokalise kwam tot stand na een koncert van de braziliaanse zangeres Vera Janacopoulos. Vanuit muziek, erotiek en snelheid (die hem naast schoonheid ook in de olympische zwemmer Arne Borg aantrok) is de bundel geschreven.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Deze belangstelling voor snelheid, voor sport en film is kenmerkend voor het modernisme. Engelmans dichterschap hoort in deze sfeer thuis, ook al door zijn in de buurt van Paul van Ostaijen en de vitalistische Marsman (aan wie <i>Aan den oever<\/i> uit <i>Sine nomine<\/i> werd opgedragen) liggende vertrekpunt.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 169]<\/div>\r\n<p>Een kort portret van de andere partij aan het begin van deze briefwisseling, levert hele andere trekken op. Eddy du Perron (1899-1940), in Azi\u00eb geboren, en tot zijn veertiende door een lijfbaboe verzorgd, was in 1921 in Europa aangekomen. In Brussel en Itali\u00eb leefde hij het leven van een rijke amateur. Op Montmartre bewoog hij zich als boh\u00e9mien. Zijn vrienden daar waren Pascal Pia en de schilder Pablo Creixams. Max Jacob tekende zijn portret.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron gaf in die tijd een stroom van kleine boekjes uit, de meeste in eigen beheer en ge\u00efllustreerd door zijn vrienden Creixams en Willink, wiens stijl toen nog modern was. Het eerste van deze bundeltjes was zelfs in het frans: <i>Manuscrit trouv\u00e9 dans une poche<\/i> (1923)<a href=\"#064\" name=\"064T\"><span class=\"notenr\">17.<\/span><\/a> en bevatte proza en po\u00ebzie. Bij zijn vingeroefeningen in het m\u00e9tier waren van meet af aan alle genres vertegenwoordigd: po\u00ebzie (waaronder erotische verzen die niet meer herdrukt zijn), reisjournaal, verhalen en romans. Du Perrons voorbereiding op het schrijverschap speelde zich geheel in de franse wereld af en het is verbazend dat hij toch nederlands ging gebruiken. In zijn konversatie, vertelt Elisabeth de Roos, doken ook later nog tal van franse termen op: hij stelde een \u2018rendez-vous\u2019 voor en had het over een \u2018revue-direkteur\u2019, wanneer hij een tijdschriftredakteur bedoelde. Men kan dit ook in de eerste brieven aan Menno ter Braak konstateren.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Na Frankrijk legde hij kontakten in Belgi\u00eb. In zijn postuum gepubliceerde notities voor een nog te schrijven artikel <i>Herinneringen aan \u2018modern\u2019 Vlaanderen<\/i><a href=\"#065\" name=\"065T\"><span class=\"notenr\">18.<\/span><\/a> noemt hij zijn ontmoeting met Michel Seuphor, de grote promotor van de moderne kunst, in Antwerpen. Nog net in Du Perrons modernistische tijd ligt de kennismaking met Paul van Ostaijen in 1925, die meewerkte aan de mede door Du Perron opgerichte tijdschriften <i>De driehoek, maandschrift voor konstruktivistische kunst<\/i> en <i>Avontuur.<\/i>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In 1927 leerde hij via zijn vriend en uitgever A.A.M. Stols de eveneens in Brussel wonende Jan Greshoff kennen, die hem in de loop van het volgende jaar met Roland Holst, Slauerhoff en Bloem in kontakt brengt. Hij gaat nu ook in nederlandse tijdschriften als <i>Den gulden winckel<\/i> en <i>De gids<\/i> (door bemiddeling van Roland Holst) schrijven en begint zijn intrede in de nederlandse letteren te maken. Veel van zijn literaire aktiviteiten onttrokken zich aan de waar-<\/p><div class=\"pb\">[p. 170]<\/div><p>neming ook van de meest ge\u00efnteresseerde lezers, omdat zijn plakettes, geheel passend bij het beeld van de amateur, in 30 of meer eksemplaren \u2018To the Happy Few\u2019 verschenen.<a href=\"#066\" name=\"066T\"><span class=\"notenr\">19.<\/span><\/a> Hier al blijkt iets van de blijvende invloed die Du Perron van Stendhal heeft ondergaan; in zijn <i>Autobiografisch overzicht<\/i><a href=\"#067\" name=\"067T\"><span class=\"notenr\">20.<\/span><\/a> noemt hij Stendhal als \u00e9\u00e9n van de schrijvers (Larbaud is de andere) die hem bij het schrijven van <i>Het land van herkomst<\/i> be\u00efnvloed hebben. Zowel in de <i>Cahiers<\/i>, juli 1927: \u2018De boeken waarin ik mij heb voelen opgaan: Stendhal, <i>Le petit ami<\/i>, Tinan, Gide, <i>Barnabooth<\/i>, zijn diep persoonlijk\u2019<a href=\"#068\" name=\"068T\"><span class=\"notenr\">21.<\/span><\/a>, als aan het slot van het <i>Gebed bij de harde dood<\/i>, dat in het najaar van 1928 in De gids<a href=\"#069\" name=\"069T\"><span class=\"notenr\">22.<\/span><\/a> verscheen, citeerde hij Stendhal, die hij vooral via Pascal Pia had leren \r\nkennen.<a href=\"#070\" name=\"070T\"><span class=\"notenr\">23.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het <i>Gebed bij de harde dood<\/i>, dat direkt in oktober 1928 door de sa-menstellers van de letterkundige almanak <i>Erts<\/i><a href=\"#071\" name=\"071T\"><span class=\"notenr\">24.<\/span><\/a> was uitgekozen, waarin het met een potloodportret door Pascal Pia afgedrukt werd, bepaalde voor een belangrijk deel het beeld van Eddy du Perron als dichter; veel indruk maakte het cynisme.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ook de oplage van zijn roman <i>Een voorbereiding, Zijnde de cahiers van Kristiaan Watteyn<\/i>, in 1927 te Bussum uitgegeven, maar te Brussel gedrukt in 120 eksemplaren (waarvan 20 niet in de handel), was niet van dien aard dat hij velen zou kunnen bereiken. Eerst de omgewerkte uitgave bij Stols in 1931, nu opgedragen aan de nieuwe vriend Menno ter Braak, kreeg enige kritische aandacht, voornamelijk dankzij de literaire vijanden, die Du Perron zich met veel talent had weten te maken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Bij hetzelfde brusselse drukkertje, dat <i>Een voorbereiding<\/i> voor hem maakte, verschenen in de jaren 1928 en &#8217;29 de vijf <i>Cahiers van een lezer<\/i> in een oplage van 30 stuks. Du Perron zei over hun effekt in een interview met G.H. &#8216;s-Gravesande in mei 1929: \u2018Toch heb ik mijn critieken altijd gesteld in een zeer subjectieve toon en ze tot dusver voornamelijk in dertig exemplaren laten drukken, al is erover geschreven door mensen aan wie ik ze nooit toezond en die er zich gerust van hadden kunnen onthouden. Ik denk dat ik ze nu dan ook zal uitgeven, een beetje gekuist alleen, hier en daar. Zoiets moet of geheel onbekend zijn of voor iedereen verkrijgbaar, want de toon van de boekjes is dikwijls zo, dat ik nu een beetje het gevoel heb alsof ik op sommige mensen schiet vanuit een hinder-<\/p><div class=\"pb\">[p. 171]<\/div><p>laag.\u2019<a href=\"#072\" name=\"072T\"><span class=\"notenr\">25.<\/span><\/a> Ook Ter Braak krijgt ze pas op 18 november 1930 toegezonden<a href=\"#073\" name=\"073T\"><span class=\"notenr\">26.<\/span><\/a>, wanneer er bij de drukker nog twee komplete eksemplaren boven water zijn gekomen. Het andere gaat naar Van Vriesland.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron heldert nog een ander punt in het gesprek met &#8216;s-Gravesande op: het modernisme, dat hij in Parijs aantrof en waaraan hij zich niet zonder protest gewonnen had gegeven, is wat hem betreft voorbij. Voor het proza zag hij de winst van deze stroming in de verscherping en verkorting, en voor de po\u00ebzie in de afwezigheid van een vals esteticisme: \u2018De vrijheid van vormen, die sommigen in de moderne po\u00ebzie zoeken, vooral in Vlaanderen, heb ik intussen niet lang gevolgd, want in begin 1925 schreef ik reeds <i>Filter<\/i>, een bundel kwatrijnen, waarin Van Ostaijen de soepelheid waardeerde, maar de \u201cterugkeer van de dreun\u201d veroordeelde.\u2019<a href=\"#074\" name=\"074T\"><span class=\"notenr\">27.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De trekken van het portret van Eddy du Perron, zoals ik dat nu geschetst heb, zouden in deze tijd slechts door een klein, zich langzaam uitbreidend groepje vrienden herkend kunnen worden. Eerst rond 1930, kan men zeggen, zijn Du Perrons jaren van vorming afgesloten. Hij maakt zijn joyeuse entr\u00e9e in de nederlandse letteren op zoek naar vriend en vijand. Hij is dan de intrigerende kasteelbewoner van Gistoux, die als strijder met de pen faam heeft verworven.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Jan Engelman had zich voor het progressief katolieke weekblad <i>De nieuwe eeuw<\/i> ge\u00efnteresseerd betoond in Du Perrons bundeltje <i>Parlando<\/i>, dat in januari 1930 bij Stols in Brussel was verschenen. Hij vroeg het bij hem op 2 november ter bespreking aan.<a href=\"#075\" name=\"075T\"><span class=\"notenr\">28.<\/span><\/a> De bespreking zou echter pas in het voorjaar van 1931 in <i>De nieuwe eeuw<\/i> verschijnen, nadat de kennismaking met Du Perron had plaats gevonden.<a href=\"#076\" name=\"076T\"><span class=\"notenr\">29.<\/span><\/a> Deze kennismaking was het resultaat van het Vorm of vent-debat, dat naar aanleiding van Binnendijks bloemlezing <i>Prisma<\/i> uitbrak, en dat de kaarten voor de komende jaren in literis schudde.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Engelman nam het initiatief tot de korrespondentie, toen hij bij zijn vriend Marsman in Utrecht het stuk <i>Over de \u2018kreativiteit\u2019 in onze nieuwe po\u00ebzie<\/i> zag liggen, waarmee Du Perron Ter Braak \u2018bijsprong\u2019, zoals hij hem schrijft<a href=\"#077\" name=\"077T\"><span class=\"notenr\">30.<\/span><\/a>, maar waarbij hij vooral de kans schoon zag om Marsman nog eens de oren te wassen. Schrijvend over het epigonisme in de po\u00ebzie merkte Du Perron op dat Engelmans <i>Arne<\/i>\r\n\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 172]<\/div><p>\r\n<i>Borg<\/i> onweerstaanbaar deed denken aan Paul van Ostaijen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron had zijn stuk op 21 januari 1931 geschreven en de volgende dag aan Marsman toegezonden. Het had als opdracht <i>Aan H. Marsman mijn beste vijand<\/i> en was bestemd voor <i>De vrije bladen<\/i>, waarvan Marsman redakteur was. Met voor hem ongewone snelheid reageerde Engelman bijna onmiddellijk op dit verwijt van plagiaat. Zijn brief is helaas &#8211; als zijn gehele aandeel inde korrespondentie &#8211; vernietigd, maar uit het feit dat Du Perrons eerste brief aan Engelman op 26 januari gedateerd is, valt op te maken dat Engelman op 24 of 25 januari geschreven heeft. Du Perrons antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: hij vindt het ongepast dat Engelman een stuk van hem voor <i>De vrije bladen<\/i> gelezen heeft, maar Engelmans verzekering dat er slechts sprake is van een toevallige ontmoeting tussen <i>Arne Borg<\/i> en Paul van Ostaijen neemt hij over. Toch heeft Engelman <i>Arne Borg<\/i> tot 1960 niet laten herdrukken: het kreeg toen een plaatsje bij de verspreide verzen in zijn <i>Verzamelde gedichten.<\/i> De briefwisseling gaat aan de inzet van het <i>Prisma<\/i>-debat vrijwel volledig voorbij.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Marsman, die slechts met moeite door Du Perron tot een weerwoord overgehaald kon worden, vindt het stuk niet geschikt voor zijn tijdschrift, terwijl ook <i>Den gulden winckel<\/i> niet tot opname besluit. Jan Engelman plaatste toen alles, Du Perrons stuk met de reaktie van Marsman, in <i>De nieuwe eeuw:<\/i> \u2018Toch bleek het ijs te zijn gebroken, want het was op Marsman&#8217;s verzoek, dat ik een lange beschouwing van Du Perron over de jongere dichters in mijn litteraire rubriek in het weekblad \u201cDe Nieuwe Eeuw\u201d heb opgenomen.\u2019<a href=\"#078\" name=\"078T\"><span class=\"notenr\">31.<\/span><\/a> Een ding is zeker: Engelman stond eerder aan de zijde van Marsman; ook later blijft hij het fameuze persoonlijkheidskriterium wantrouwig bekijken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Du Perron toont zich dan ook nogal verbaasd als blijkt dat Engelman zijn <i>Gesprek over Slauerhoff<\/i> van november 1930 weet te waarderen: \u2018Toevallig vernomen, uit een brief van hemzelf, de sterke instemming van Jan Engelman. Vreemd, ik had aan de mogelikheid van een dergelijke instemming niet gedacht. Des te beter, in dit geval.\u2019<a href=\"#079\" name=\"079T\"><span class=\"notenr\">32.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De eerste ontmoeting vindt eind februari &#8217;31 in Utrecht plaats.<a href=\"#080\" name=\"080T\"><span class=\"notenr\">33.<\/span><\/a> In Rotterdam bezoekt Du Perron Menno ter Braak, die hij pas en-<\/p><div class=\"pb\">[p. 173]<\/div><p>kele keren ontmoet heeft in de paar maanden dat zij elkaar nu kennen; in Utrecht Marsman en Engelman. In zijn herinneringen aan Marsman schrijft Jan Engelman hierover: \u2018Hij kwam met Du Perron ook bij mij op bezoek en ik was direct getroffen door den geest en de gevatheid van den bewoner van Gistoux. Hij was zeer verwonderd dat ik van George Sand en De Musset \u201cGamiani\u201d had gelezen en toen de krach op de Brusselse beurs hem had geru\u00efneerd, hebben wij over de waarde en onwaarde van het aardsche slijk op het terras van caf\u00e9 Riche te &#8216;s-Gravenhage (waar Plasschaert haast iederen dag met Roodhuizen zat) een lang gesprek gevoerd.\u2019<a href=\"#081\" name=\"081T\"><span class=\"notenr\">34.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De korrespondentie tussen beiden is niet omvangrijk. Uit de eerste jaren (1931-1935), vooral wanneer <i>Forum<\/i> opgericht is, stammen de meeste brieven van Du Perron. Zijn indisch verblijf levert een belangrijk hiaat op. Het kan zijn, dat brieven uit deze periode verloren zijn gegaan, want het staat in ieder geval vast dat de 46 brieven en kaarten, die nu overzijn, niet kompleet zijn: er zijn twee brieven van Du Perron verloren gegaan. Verder moet men rekening houden met wat Jan Engelman op 19 juni 1937 uit Amsterdam aan Alexander Cohen schrijft: \u2018Ik maak u er opmerkzaam op: een vlot correspondent ben ik niet. Ik moet alles zelf doen, en buiten mijn gewone werk aan mijn eigenlijke taak denken. Daarom dat ik soms dagen en weken lang brieven ongeopend laat liggen&#8230; Te veel onderhevig aan stemmingen? Het is mogelijk. Ik leef eenmaal zooals ik leef.\u2019<a href=\"#082\" name=\"082T\"><span class=\"notenr\">35.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het kontakt met Engelman verliep voornamelijk schriftelijk en via de drukpers, omdat Du Perron vrijwel altijd in het buitenland verbleef. Ontmoetingen blijven vrij zeldzaam. Engelman noemt nog een keer in het voorjaar van 1932, toen Du Perron korte tijd te Utrecht woonde<a href=\"#083\" name=\"083T\"><span class=\"notenr\">36.<\/span><\/a>: \u2018De Paaschdagen van het jaar 1932 heb ik met Marsman en zijn vrouw doorgebracht te Scheveningen. Wij logeerden in een pension op het Gevers Deynootplein. Het was zacht weer en wij luisterden op de Pier. Du Perron verscheen met Vestdijk, dien ik toen voor het eerst zag. Kort nadien bleek mij, dat Du Perron op vrijersvoeten was.\u2019<a href=\"#084\" name=\"084T\"><span class=\"notenr\">37.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In het archief van Jan Engelman bevindt zich naast een visitekaartje van de soort die Jan Greshoff beschreef als: \u2018In deze roman lag een visitekaartje van slecht karton in gemene boekdruk, ver-<\/p><div class=\"pb\">[p. 174]<\/div><p>meldende de naam E. du Perron, een onooglijk boers visitekaartje dat waarlijk niets nabobachtigs had.\u2019<a href=\"#085\" name=\"085T\"><span class=\"notenr\">38.<\/span><\/a>, nog een andere getuige van een samenzijn: een onbedrukt velletje papier met de afrekening van een maaltijd. Op de achterzijde is met analinekleurig potlood door Du Perron een parodie op <i>Vera Janacopoulos<\/i> geschreven.<a href=\"#086\" name=\"086T\"><span class=\"notenr\">39.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Deze erotische pastiche dokumenteert op andere wijze, hoe Du Perron tegenover Engelman en zijn po\u00ebzie stond. Hij zet Engelman als Don Juan in het zonnetje en relativeert op ironische wijze &#8211; bij alle echte bewondering &#8211; het genre, dat hij als het hem zou interesseren op verscheidene manieren zou kunnen beoefenen. Du Perron bleef ook in de vriendschap met Engelman de kritische distantie bewaren. Dat hij juist zijn vrienden aan strenge maatstaven bleef toetsen is bekend, maar in zijn verhouding tot Engelman speelde bovendien het katolicisme de rol van storende faktor: \u2018maar tenslotte is een breuk misschien zuiverder, ook al om de katholieke verrottenis\u2019, schrijft Du Perron op 18 juli 1934 aan Menno ter Braak.<a href=\"#087\" name=\"087T\"><span class=\"notenr\">40.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Engelman zelf had in zijn tweede brief al naar het antikatolicisme van de brusselse kolonie ge\u00efnformeerd. Du Perron stelde hem gerust wat zijn eigen houding betreft: als een gelovig mens zijn geloof tot po\u00ebzie weet te maken, aanvaard ik hem zonder moeite. Met Engelman leverde hem dat geen moeite op: in <i>Sine nomine<\/i> vindt hij zeer veel moois, vooral onder de kleinere zuiver lirische gedichten, en aktief en stimulerend als zijn aard was adviseert hij een bloemlezing van het vroegere werk te maken. Maar levensbeschouwelijk bevinden ze zich in twee verschillende gebieden. Du Perrons enige bezwaar tegen godsdienst is, dat het altijd weer noodzakelijk blijkt om deze te bevestigen: de debatten die dit oplevert, zijn alleen maar spektakulair en winst is daar, gelooft hij, niet te behalen. In Engelmans debat met Ter Braak over het katolicisme hadden wat hem betreft beiden dan ook evenveel recht van spreken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Drie jaar later, onder andere omstandigheden, komt Engelman daar nog eens op terug. Hij wordt in het voorjaar van 1934 hevig bestookt door de rechts-katolieke groep van Albert Kuyle, die zich van <i>De gemeenschap<\/i> had afgescheiden uit protest tegen Engelmans terugkeer als redakteur en die nu met de kolportage van <i>De nieuwe<\/i>\r\n\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 175]<\/div><p>\r\n<i>gemeenschap<\/i> gestart was. Na de publikatie van <i>Tuin van Eros<\/i> geldt Engelman meer dan ooit als \u2018sexmaniak\u2019.<a href=\"#088\" name=\"088T\"><span class=\"notenr\">41.<\/span><\/a> Hij vraagt Du Perron &#8211; men kan het ook lezen in het slothoofdstuk van <i>De smalle mens<\/i><a href=\"#089\" name=\"089T\"><span class=\"notenr\">42.<\/span><\/a> &#8211; of hij alleen hem om zijn erotische reputatie boven andere katolieken verkozen had en knoopt daar de vraag aan vast of een intelligente katoliek voor hem een contradictio in terminis zou zijn. Du Perron blijft onverkort kiezen voor de waarde van het individu, d\u00ede beslist; het geloof is alleen te akcepteren als een vorm van po\u00ebzie. Dat antwoord krijgt Engelman.<a href=\"#090\" name=\"090T\"><span class=\"notenr\">43.<\/span><\/a> Maar in <i>De smalle mens<\/i> voegt hij daaraan toe<a href=\"#091\" name=\"091T\"><span class=\"notenr\">44.<\/span><\/a>, dat het verschil is, dat de po\u00ebzie van het Elysium door Yeats of Roland Holst zelf ontworpen is, maar dat de po\u00ebzie van een betere wereld in het hiernamaals, die het katolicisme biedt, tenslotte een traditioneel en gesloten systeem blijft, dat met de massa gedeeld wordt.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">En Engelman w\u00e0s een trouw zoon der kerk: zijn konceptie van de kerk als monoliet en zijn verdediging van de universele waarde van de middeleeuwse geloofseenheid der kerk laten daarover geen twijfel bestaan. Als hij een frisse wind door de katolieke letteren laat waaien, dan is dat omdat hij artistieke, en niet religieuze vernieuwing voorstaat. Als ik hier van \u2018katolieke\u2019 letteren spreek, komt dat omdat in het interbellum iedere levensbeschouwing zijn eigen bijpassende literatuur had. Een illustratie hiervan is bijvoorbeeld Stuivelings <i>Wegen der po\u00ebzie<\/i><a href=\"#092\" name=\"092T\"><span class=\"notenr\">45.<\/span><\/a>, waarin hij binnen de nederlandse dichtkunst vier richtingen onderscheidt: naast individualistische po\u00ebzie (Van den Bergh, Slauerhoff, Marsman en Vestdijk) is er po\u00ebzie van jont katolieken, jong-protestanten en socialisten. Net als de maatschappij was de literatuur ingedeeld naar levensbeschouwing. Binnen elk van deze zuilen trokken jongeren van leer tegen de gevestigde waarden van hun zuil. (Daarnaast werd er door vertegenwoordigers van de generaties van &#8217;80, &#8217;90 en &#8217;10 nog aktief deelgenomen aan het literaire leven.)<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Jan Engelman zag in het tijdschrift <i>De gemeenschap<\/i> een middel om de kunst, de schoonheid an und f\u00fcr sich, zoals hij Du Perron schrijft, veilig te stellen tussen de overproduktie van katolieke etiek. Hij wilde vooral de kulturele horizon van de nederlandse katoliek verwijden, anders gezegd een eind maken aan de kulturele achterstand van zijn geloofsgenoten. Hier ontstond het misverstand van\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 176]<\/div><p>Ter Braak, die vooral het vitalisme en de rebellie ontdekte, en meende dat het dan ook wel met het katolicisme gedaan zou zijn. Engelman had zich alleen als schrijver bevrijd van de verplichting katolieke propaganda te maken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Er waren voor hem drie publikatiemogelijkheden, waarmee hij \u2018het katolieke volksdeel\u2019 kon bestrijken: de konservatieve kwaliteitskrant <i>De tijd<\/i> (1933-1965), het kritische weekblad <i>De nieuwe eeuw<\/i> (1926-1941) en het literaire maandblad <i>De gemeenschap<\/i> (1925-1930; 1934-1941). In een brief aan Alexander Cohen van 29 april 1937, geeft hij een aardige typering van deze drie periodieken: \u2018Er staat wel meer wat in het blad [<i>De nieuwe eeuw<\/i>], waarvoor noch ik, noch de andere medewerkers voor K. en Letteren verantwoordelijk gesteld kunnen worden. Ook de behandeling van het Spaansche probleem door de redactie te Helmond bevalt mij niet. Zoo zijn er altijd wenschen! Uit mijn rubriek moet ook wel eens iets wegblijven, wat ik er graag in zou zien. Maar relatief is de Nieuwe Eeuw toch een blad met \u201cruimte\u201d, men kan er heel wat meer in zeggen dan in andere katolieke bladen, met hun politieke hoorigheid en benepen clericalisme. Beter nog is \u201cDe Gemeenschap\u201d, het maandblad, dat ik in 1925 stichtte en dat n\u00f3g verschijnt, waaruit een heele school van onafhankelijk voelende menschen is gegroeid, waarin men de angstige Roomschjes van vroeger niet meer herkent. De resten van de mentaliteit, die we willen overwinnen, bemerk ik iederen dag op de redactie van \u201cDe Tijd\u201d te Amsterdam, waar ik mijn baantje heb.\u2019<a href=\"#093\" name=\"093T\"><span class=\"notenr\">46.<\/span><\/a> Engelman had geen kritische positie binnen de kerk betrokken, maar op het voorterrein onder het roosvenster wilde hij zich wel losmaken van de bevoogding over de katolieke kunst. Hij beperkte zich daarom ook niet tot de grenzen van de katolieke letterkunde: werk van hem verscheen ook in <i>De vrije bladen, Helikon<\/i> en <i>De gids<\/i>, waarin het titelgedicht <i>De tuin<\/i> van <i>Tuin van Eros<\/i> in 1932 \r\nopgenomen werd, en <i>Forum.<\/i> De protesten uit katolieke kring over deze handelwijze waren niet van de lucht. Maar ondanks deze eskapades van Engelman, wil hij tenslotte deel uitmaken van de gemeenschap, terwijl Du Perron voor de smalle mens kiest. Du Perron heeft in het konflikt tussen de intellektuele integriteit van het individu en de discipline van de kollektiviteit een ondubbelzinnige keuze voor\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 177]<\/div><p>de autentieke subjektiviteit van het individu gedaan. Engelman heeft deze ambivalentie niet weten op te lossen: hij bleef met zijn rebelse mentaliteit tegen de gemeenschap aanschoppen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ook Engelmans verhouding tot <i>Forum<\/i> was ambivalent; niettemin heeft hij door zijn geregelde bijdragen in <i>De nieuwe eeuw<\/i> een belangrijke, en tot dusver onopgemerkte rol gespeeld bij de ontvangst van <i>Forum<\/i> in katolieke kring. In de jaren dat <i>Forum<\/i> wordt uitgegeven is het schriftelijk kontakt het Du Perron het frekwentst. Du Perron is in Parijs voortdurend benieuwd naar Engelmans opinie over een nieuwe aflevering. Als redakteur van Forum probeert hij van hem ook artikelen los te krijgen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De eerste aflevering van <i>Forum<\/i> begroet Jan Engelman veertien dagen na het verschijnen in <i>De nieuwe eeuw<\/i> van 26 november 1931<a href=\"#094\" name=\"094T\"><span class=\"notenr\">47.<\/span><\/a> als een \u2018belangrijke gebeurtenis in de ontwikkeling der literaire beweging der jongeren\u2019. Bij het tweede nummer konstateert hij: \u2018Er is trouwens, over het geheel, veel geest in Forum. Forum is een soort tegengif. Maar toch zouden wij er naast esprit, ook wel graag wat van die puberteitsschoonheid ontmoeten.\u2019<a href=\"#095\" name=\"095T\"><span class=\"notenr\">48.<\/span><\/a> Bij Ter Braaks kritiek op Vondels reputatie in het <i>D\u00e9masqu\u00e9 der schoonheid<\/i>, dat in afleveringen in Forum verschijnt, citeert hij pater Molkenboer, die in de <i>Vondelkroniek<\/i> geschreven had, dat P.G. Witsen Geysbeeks aanval op Vondel al niet vrij van anti-papisme was.<a href=\"#096\" name=\"096T\"><span class=\"notenr\">49.<\/span><\/a> Een aanval op Vondel betekende een aanval, op een monument van katolieke kultuur. Vooral Ter Braaks <i>D\u00e9masqu\u00e9<\/i> moest hem sterk raken, omdat Ter Braak daarin het esteticisme kritiseerde en een apart paragraaije aan Engelman had gewijd. Engelman bleef zich tegen Ter Braak afzetten, ondanks pogingen van Du Perron in deze briefwisseling om meer begrip voor hem te vragen: Engelmans sympatie ging nu eenmaal niet naar Ter Braak uit. Menno ter Braak, zou men kunnen zeggen, bakent naar de ene kant het gemeenschappelijk gebied af, waar Du Perron en Engelman elkaar ontmoeten kunnen, zoals Anton van Duinkerken aan de andere kant een scheidslijn vormt.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Juist in zijn kritieken op Ter Braak omschrijft Jan Engelman zijn positie het duidelijkst: \u2018In de Maart-aflevering van \u201cForum\u201d gaat Menno ter Braak voort de Schoonheid te \u201cdemasqueeren\u201d. Hij zegt zeer geestige dingen, hij trapt ook vele open deuren in, en zal\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 178]<\/div><p>tenslotte toch niet ongedaan maken, dat (altijd weder) menschen die in kunst niet uitsluitend realisme en begrip, maar ook buitentijdelijke schoonheid zoeken, zich laven aan de bronnen die hij tracht te verzanden.\u2019<a href=\"#097\" name=\"097T\"><span class=\"notenr\">50.<\/span><\/a> Hij houdt Ter Braak daartegenover Marsmans pleidooi voor geest en verbeelding boven gewilde nuchterheid voor, dat \u2018curieus genoeg\u2019 in hetzelfde nummer stond.<a href=\"#098\" name=\"098T\"><span class=\"notenr\">51.<\/span><\/a> Wat ik vanuit het perspektief van Engelman nu maar even gemakshalve de Ter Braak-kant van <i>Forum<\/i> noem (die Engelman overigens niet alleen bij hem terugvond): de esprit, de spottende houding, de ironie, het trok hem aan, maar bracht hem ook in botsing met zijn andere gevoelens. Bij de verschijning van <i>Hampton Court<\/i> kwam hij daar in <i>De nieuwe eeuw<\/i> nog eens op terug, &#8211; het is een staartje van zijn debat in <i>De vrije bladen<\/i> met Ter Braak &#8211; maar hij formuleert ook de bezwaren, die hij tegen <i>Forum<\/i> voelde: \u2018Het allernuchterste en allerpijnlijkste rationalisme, de levensonlust van \u201cHampton Court\u201d herinneren mij telkens aan stukken bij Andr\u00e9 Gide (en dit niet, omdat het eerste hoofdstuk, de rit in den trein, reminiscenties aan Lafcadio bevat). Het is die verschrikkelijke, hypertrophische sensibiliteit van de hersenen waaraan protestantsche intellectueelen, die hun geloof verloren en geen andere \u201cversteening\u201d er voor terug wonnen, zoo makkelijk gaan lijden. Gewoonlijk gaat zij gepaard met een ontstellende verschraling van het gevoel, met een hinderlijk gebrek aan \u201ccoeur\u201d, of met een stelselmatige \r\nonderdrukking daarvan door het immer waakzame, nooit zich in harmonie legerende verstand.\u2019<a href=\"#099\" name=\"099T\"><span class=\"notenr\">52.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Toch blijft Engelman regelmatig wijzen op het open en liberale karakter van het blad: hij denkt daarbij niet alleen aan de opname van Marsmans <i>De aesthetiek der reporters<\/i> en Vestdijks studie over <i>Val\u00e9ry en het duistere vers<\/i> (Forum, 1933, jrg 2, nr 11), die volgens hem lijnrecht tegen de beginselen van <i>Forum<\/i> ingaan, maar ook aan zijn eigen vers <i>Ambrosia<\/i> (Forum, 1932, jrg 1, nr 6), dat bedoeld was als antwoord op Ter Braaks <i>D\u00e9masqu\u00e9.<\/i> (En deel van de briefwisseling van Du Perron met Engelman is aan de opname van dit vers gewijd.) Na een polemiek met Jan Greshoff over het hanteren van het begrip \u2018persoonlijkheid\u2019 in de schilderkunst, waarbij Du Perron hem gelijk gaf, merkt hij in <i>De nieuwe eeuw<\/i> op: \u2018overigens is Forum het meest levende en interessante tijdschrift.\u2019<a href=\"#100\" name=\"100T\"><span class=\"notenr\">53.<\/span><\/a> In decem-<\/p><div class=\"pb\">[p. 179]<\/div><p>ber 1932 schrijft hij in een brief aan Jan Greshoff: \u2018\u201cForum\u201d is interessant, maar toch eigenlijk gekheid. En dat etiket der \u201cintelligentie\u201d moeten jullie er niet iedere aflevering inplakken, het staat zo stom. Vondel vind ik nog steeds prachtig en <i>niet<\/i> stom. Enfin, beter Forum-schorpioenen dan schoonheidsulevellen. Als jullie de menschen die niet sentimenteel zijn en toch gelooven aan de onzienlijke schoonheid maar niet voor ulevellen houden. En dichters niet voor koks, als zij ook al vrienden van den kok zijn.\u2019<a href=\"#101\" name=\"101T\"><span class=\"notenr\">54.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De aandacht, die <i>Forum<\/i> in <i>De nieuwe eeuw<\/i> kreeg, was velen in katolieke kring een doorn in het oog. Engelman wees de aanvallen in <i>De gemeenschap<\/i> en <i>De maasbode<\/i> als een legende zonder grond van de hand en nodigde de heren uit zelf maar eens een gedegen artikel tegen <i>Forum<\/i> te schrijven.<a href=\"#102\" name=\"102T\"><span class=\"notenr\">55.<\/span><\/a> Dat gebeurde door Anton van Duinkerken, die al eerder (in een opstel in <i>De gemeenschap<\/i> van april 1932<a href=\"#103\" name=\"103T\"><span class=\"notenr\">56.<\/span><\/a>) Engelman verweten had \u2018dat hij door den schrijftrant van E. du Perron vaak gecharmeerd was, en[dat hij] het gemis aan waarachtige zielsbeweging daarin klaarblijkelijk opgewogen achtte door de prettige vlotheid en de soms bijtende formuleering, die het \u201cgebrek aan ernst\u201d doen onderscheiden. Zelfs liet hij niet na, den indruk te wekken, als zou het mergeloos cynisme van de gebrekkigen aan ernst hem sympathieker zijn dan het soms langwijlig uiteengezette complex van gemoedsbezwaren, dat in het maandblad \u201cDe Stem\u201d en het annexe \u201cCritisch Bulletin\u201d tot regelmatige uitdrukking komt.\u2019 Engelman begroet het nieuwe artikel van Anton van Duinkerken om twee redenen: hier worden voor het eerst de bezwaren, die een katoliek van huis uit tegen het tijdschrift <i>Forum<\/i> moet koesteren, geformuleerd en er wordt niet geprobeerd om hem als Forum-aanhanger tout court af te schilderen. Hij geeft Van Duinkerken toe dat een katoliek het negativisme, zonder enige geloof, zonder enige mensenliefde, moet afwijzen. Maar men moet wel de motieven daarvan proberen te begrijpen. Achter al die beweeglijke \r\nscherpzinnigheid, vindt men niet een vaku\u00fcm, maar beledigde liefde: \u2018Die zelfcritiek nu, dat accent van noodzakelijkheid en van ernst, die behoefte aan zuiverheid voor anderen en voor zichzelf, heb ik achter spot en hoon vaak, in de bijdragen zoowel van Ter Braak als van Du Perron menigmaal meenen te vinden.\u2019<a href=\"#104\" name=\"104T\"><span class=\"notenr\">57.<\/span><\/a> Zijn grootste bezwaar tegen <i>Forum<\/i> is de verachting van de een-<\/p><div class=\"pb\">[p. 180]<\/div><p>voudige mens, vergeleken met de overschatting die in <i>De stem<\/i> plaats vindt; het juiste midden, een realistische kijk heeft hij dikwijls bij Van Duinkerken aangetroffen.<a href=\"#105\" name=\"105T\"><span class=\"notenr\">58.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In de jaren dat <i>Forum<\/i> verscheen, is bijna elk nummer in de rubriek Op den kandelaar van <i>De nieuwe eeuw<\/i> gesinjaleerd; Jan Engelman kon met recht schrijven, dat er veel meer personen zijn dan de redaktie van <i>Forum<\/i> zelf schijnt te weten, die haar tijdschrift met veel belangstelling lezen.<a href=\"#106\" name=\"106T\"><span class=\"notenr\">59.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Zijnerzijds schreef Du Perron in 1932 over Jan Engelman aan Ter Braak: \u2018Het is beter hem te nemen, als meer \u201cbij ons behoorend\u201d, al is het dan maar door schrijfwijze en leeftijd.\u2019<a href=\"#107\" name=\"107T\"><span class=\"notenr\">60.<\/span><\/a> En wanneer Theun de Vries zijn geruchtmakend artikel <i>Proefbalans 1934<\/i> in <i>Den gulden winckel<\/i><a href=\"#108\" name=\"108T\"><span class=\"notenr\">61.<\/span><\/a> gepubliceerd heeft, waarin hij naast een pleidooi voor een meer \u2018volksaardige literatuur\u2019 afscheid neemt van het illustere kollege, dat hem en andere \u2018volkse\u2019 schrijvers slechte rapporten gaf, maakt Du Perron op zijn beurt de balans op: hij rekent dan Ter Braak, Slauerhoff, Marsman, Engelman en hemzelf tot \u2018onze generatie\u2019.<a href=\"#109\" name=\"109T\"><span class=\"notenr\">62.<\/span><\/a> Op zo&#8217;n moment zijn de reserves, die zij wederzijds blijven voelen, van minder betekenis.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Opmerkelijk is Engelmans houding tegenover de polemiek. Al in de bespreking van <i>Parlando<\/i><a href=\"#110\" name=\"110T\"><span class=\"notenr\">63.<\/span><\/a> in <i>De nieuwe eeuw<\/i> van 30 april 1931, wanneer de <i>Prisma<\/i>-diskussie net achter de rug is, schrijft hij: \u2018Ik zal hier de po\u00ebzie-debatten van den laatsten tijd niet opnieuw ontkeetenen en hoop dat de kemphanen in hun hok blijven.\u2019 Hij dicht in een vers van 1934, gericht tegen de kunstkritikus Albert Plasschaert (1874-1941): \u2018&#8217;t is beter trouw en plicht gekweten\/ dan tot partijschap afgezakt\u2019.<a href=\"#111\" name=\"111T\"><span class=\"notenr\">64.<\/span><\/a> In zijn kommentaar op Du Perrons slotpanoptikum <i>Afscheid van Kostersloot<\/i> bij zijn aftreden als Forum-redakteur, houdt hij het goed recht staande om in bepaalde aangelegenheden zich niet te laten dwingen tot partijkiezen: \u2018Er zijn nu eenmaal zeer behoorlijke menschen, die het bezitten van karakter niet identiek achten met de neiging tot scherpslijperij. Zoowel beleefde menschen als onbeleefde kunnen de moeite van het aanhooren waard zijn. Aan de polemiek van \u201ctachtig\u201d heeft b.v. Gorter niet meegedaan. Wat hem niet belette de belangrijkste dichter van zijn \u00e9poque te worden.\u2019<a href=\"#112\" name=\"112T\"><span class=\"notenr\">65.<\/span><\/a> Engelmans entoesiasme voor <i>La condition humaine<\/i>, dat hij regelrecht met Ter Braak en Du Perron\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 181]<\/div><p>in verband had gebracht, kwam hem op een aanval van Dirk Coster te staan. Begrijpelijk, als men ziet, wat Coster onder andere te lezen kreeg: \u2018Wat men bij hen vindt, vindt men in een bijzonder scherpe belichting, met onmisbare tragische en menschelijke schoonheid en prachtige plastiek uitgeschreven in een roman als \u201cLa Condition Humaine\u201d van Andr\u00e9 Malraux, een meesterlijk en beklemmend werk.\u2019<a href=\"#113\" name=\"113T\"><span class=\"notenr\">66.<\/span><\/a> In zijn antwoord op de aanval van Coster, <i>Beslag op gewetens<\/i><a href=\"#114\" name=\"114T\"><span class=\"notenr\">67.<\/span><\/a>, schreef Jan Engelman: \u2018ik wil nog wel eens herhalen dat ik weiger mij in een partij te laten dringen bij het zien van &#8216;n litteraire ruzie, die wel onvermijdelijk schijnt geweest, doch die mij eigenlijk zeer matig interesseert. Het is mij om het even, als men dit, van welken kant ook, karakterloos wenscht te noemen: ik kies ook geen partij tusschen Hoekschen en Kabeljauwschen. Het is mijn overtuiging dat Du Perron de goede kwaliteiten van Dirk Coster zeer miskent en het is evenzeer mijn meening, dat de redacteur van \u201cDe Stem\u201d de gaven van Du Perron niet kan zien. Ik vind dat in \u201cForum\u201d geloof en po\u00ebzie er veel te slecht afkomen, ik geloof daarnaast dat \u201cDe Stem\u201d een phobie heeft voor veel verschijnselen die geen direct in het oog lopende ideologie vertoonen.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In zijn bespreking van <i>De smalle mens<\/i> in <i>De nieuwe eeuw<\/i> van 1 november 1934<a href=\"#115\" name=\"115T\"><span class=\"notenr\">68.<\/span><\/a> speelt hij de schuld voor het feit, dat de nederlandse literatuur een tijdlang \u2018uiterst onverkwikkelijk op \u201ceen gevecht van allen tegen allen\u201d geleken\u2019 heeft naar Du Perron toe. Maar hoewel Jan Engelman zich bij herhaling tegen bekvechten gekeerd heeft, is hijzelf niet ontbloot van polemisch talent, en hij laat geen uitdaging ongebruikt voorbijgaan. Hij kruist onder andere de degens met Menno ter Braak, Jan Greshoff, Albert Kuyle, Dirk Coster en is een ge\u00efnteresseerd strijder in de strijd om de bezetting van de leidse Vondelleerstoel. Maar toch, &#8211; als hij de beschikking over een eigen tijdschrift mist en Stols voorstelt om een nieuw tijdschrift te maken: \u2018<i>Geen<\/i> polemiek dus, geen inmenging in de zaken van Coster, Ter Braak, du Perron, Anthonie Donker, Kuyle, Duinkerken e.t.q. <i>Alleen<\/i> dus: verzen, proza, essays over werkelijk belangrijke zaken, curiosa, belangrijke en weinig bekende uitgaven. Niet die ellenlange boekbesprekingen. Let eens op wat zulk een tijdschrift welkom zou zijn!\u2019<a href=\"#116\" name=\"116T\"><span class=\"notenr\">69.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In 1934 keert Engelman in de schoot der redaktie van <i>De gemeen<\/i>&#8211;<\/p><div class=\"pb\">[p. 182]<\/div><p>\r\n<i>schap<\/i> terug, na een renversement d\u00e9s redactions in de nederlandse letteren, dat door Du Perrons aangekondigde vertrek uit <i>Forum<\/i> veroorzaakt was. Eerst wilde men <i>De vrije bladen<\/i> onder een brede redaktie, waarvan Jan Engelman sekretaris zou zijn, nieuw leven inblazen als vervanging van <i>Forum<\/i> tot bleek, dat dit blad onder een nieuwe redaktie voort zou bestaan.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Toen Van Duinkerken deze pogingen ter ore kwamen, wilde hij liever Engelman terug in <i>De gemeenschap<\/i>, ongetwijfeld omdat hij in zo&#8217;n \u2018ontmoetingstijdschrift\u2019 voor katolieken en niet-katolieken als de nieuwe <i>Vrije bladen<\/i> weinig heil zag. De voorwaarden van Engelman waren niet mis: het kwam op een lawaaierig verlopende uittocht van zijn medeoprichters van <i>De gemeenschap<\/i> neer, die in het ultra-rechtse <i>De nieuwe gemeenschap<\/i> doorgingen met de strijd. Du Perron had graag inlichtingen over al deze gebeurtenissen van Engelman zelf ontvangen, over wiens optreden hij tenslotte tevreden noteerde dat de katolieke Jan Lubbessen door een putsch van de katoliek Jan Engelman verstoten waren op een manier die men zou moeten naslaan bij Vondel of Milton.<a href=\"#117\" name=\"117T\"><span class=\"notenr\">70.<\/span><\/a> De inlichtingen (met een scherpzinnige analyse van de situatie) had Du Perron uit een artikel van Ter Braak uit <i>Het vaderland.<\/i><a href=\"#118\" name=\"118T\"><span class=\"notenr\">71.<\/span><\/a> Onder een groot portret van Jan Engelman, schreef Ter Braak, dat het schisma in <i>De gemeenschap<\/i> veroorzaakt was door het onopgeloste konflikt tussen individu en gemeenschap. De verheerlijking van het individu in <i>De nieuwe gemeenschap<\/i> liep uit op \u2018een apologie voor de losgebroken stier\u2019, terwijl hij bij de oude \u201cGemeenschap\u201d het konformisme zag zegevieren.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het modernisme was nu ook bij <i>De gemeenschap<\/i> voorgoed voorbij, wat ook uit opmaak en tipografie blijkt: een regionaal-ekspressionistisch stijltje met veel boeren en heiligen heeft het pleit gewonnen. <i>De nieuwe gemeenschap<\/i> wilde een sterker gezag en meer zedelijkheid, terwijl ze &#8211; en ook daar had Ter Braak een scherp oor voor &#8211; zich afficheerde als het blad van de jeugd. Tenminste drie komponenten van het fascisme waren bijeen: verheerlijking van jeugd, gezag en zedelijkheid. Het anti-semitisme zou niet lang op zich laten wachten.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Dit konformisme van <i>De gemeenschap<\/i> paste bij Engelmans eigen ori\u00ebntatie op de traditie, een ontwikkeling, die niet tot Engelman\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 183]<\/div><p>beperkt: ook voor Marsman en Vestdijk kan dit gelden, al had de laatste dan geen modernistische start. We hebben al gezien dat Du Perron een vergelijkbare ontwikkeling doormaakte. (Bij hem bleven reaktionaire en totalitaire tendenzen volledig achterwege.) Behalve in de literatuur, kan men in de jaren na de ekonomische krisis tot aan het uitbreken van de tweede wereldoorlog ook in de <i>architektuur<\/i> een dergelijke ontwikkeling waarnemen. Moderne architekten kregen nauwelijks een kans meer of maakten als J.J.P. Oud een \u2018klassieke\u2019 periode door. De deiftse school van Granpr\u00e9 Moli\u00e8re won meer en meer terrein: met als resultaat bakstenen burchten, uitdrukking van zijn konservatieve, gesloten maatschappijopvatting, die op het katolicisme ge\u00efnspireerd was. Ook de onheilspellende doeken van magisch-realisten als Koch en Willink, die zeer gezien waren ook bij <i>Forum<\/i>, kan men nauwelijks een nieuwe fase in de ontwikkeling van de moderne schilderkunst noemen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Terug naar Engelman: het is niet verbazend dat hij de spelling Marchant in 1934 verwerpt en blij is met de late interventie van de internationaal vermaarde leidse hoogleraar Johan Huizinga, wiens liberaal-konservatieve opvattingen meermalen door Ter Braak en Du Perron gekritiseerd waren. Het diepste verwijt, dat Engelman Ter Braak (die het maar half eens was met de nieuwe spelling) en Du Perron (wiens Kollewijnspelling een erfenis was van zijn modernistisch verleden) maakt, is dat ze door in te stemmen met de invoering de wortels met het verleden afsnijden.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In een kommentaar in <i>De gemeenschap<\/i> op de 30e juni 1934 in Duitsland, toen Hitler zonder vorm van proces met zijn tegenstanders, die de revolutie nog wilden voortzetten en anderen met wie hij nog een rekening te vereffenen had, afrekende<a href=\"#119\" name=\"119T\"><span class=\"notenr\">72.<\/span><\/a>, maakte Jan Engelman het verschil duidelijk tussen de pogingen tot herstel in Europa om een eind te maken aan de uitwassen en de korruptie van de demokratie, waarvan hij de goede kant waardeerde, en het nationaal-socialisme, dat voor hem een inkarnatie van de verfoeilijke pruisische geest was.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De kritiek op de burgerlijke konservatieve demokratie, zoals die na de invoering van het algemeen kiesrecht bij de grondwetswijziging van 1917 vorm had gekregen, kwam van links uit de kommunistische en socialistische hoek. Maar kommunisme en socialisme\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 184]<\/div><p>werden als revolutionaire bewegingen fors gewantrouwd in het gezapige en burgerlijke Nederland, dat zich traag trachtte aan te passen aan de twintigste eeuw. De mislukte revolutie van 1918 was bepaald nog niet vergeten.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Maar de kritiek kwam niet alleen van links, en anti-demokraat was geen scheldwoord: Du Perron protesteerde niet toen Van Vriesland hem in 1934 een anti-demokratisch demagoog noemde.<a href=\"#120\" name=\"120T\"><span class=\"notenr\">73.<\/span><\/a> Voor katolieken, en in mindere mate ook voor protestanten, was het onmogelijk om hun maatschappijkritiek via de linkse, sinds Marx veelal ate\u00efstische partijen te uiten. Bleven alleen de rechtsrevolutionaire stromingen over: het fascisme had sinds 1929 de offici\u00eble zegen van de paus, die ook met de nationaal-socialisten een konkordaat zou sluiten. Deze herstellers wilden het nieuwe door de oude ideaal geachte toestand terug te brengen. Rekonstruktie was het oude parool van <i>De gemeenschap.<\/i> Velen van deze katolieke, revolutionaire schrijvers kwamen in de loop van de jaren &#8217;30 of tijdens de bezetting in fascistisch vaarwater. Anton van Duinkerken en Jan Engelman waren twee prominente uitzonderingen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Engelman wist vanaf het eerste uur dat nu de onderwereld in Duitsland losgebroken was. In mei 1933, toen het nazi-r\u00e9gime nog maar net aan de macht was, waarschuwde hij Stefan George voor dit \u2018derde\u2019 rijk. In november van hetzelfde jaar dicht hij in <i>De nieuwe eeuw<\/i> (onder pseudoniem, zoals bijna altijd, als het om publikatie van zijn verzen in <i>De nieuwe eeuw<\/i> ging): \u2018We zouden stikken, als we op den Dam\/ nog moesten zien hoe Hitler het paleis uitkwam\u2019 en roept aan het slot op: \u2018laat ons den dans ontspringen\/ en leven waar wij altijd vriendschapslied&#8217;ren zingen.\/ Zoek Jan van Nijlen, ik breng Bloem en Marsman mee -\/ Adieu, gij Sovjet en gij N.S.B.!\u2019<a href=\"#121\" name=\"121T\"><span class=\"notenr\">74.<\/span><\/a> Op het punt van fascisme en nationaal-socialisme waren Du Perron en Engelman het volstrekt eens.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Hij stelde Jan Engelman met andere literaire vrienden als Ter Braak en Greshoff, en ook &#8211; dat mag er wel bij &#8211; zijn literaire vijanden Coster en Van Duinkerken, voor als lid van een op te richten komitee voor waakzaamheid tegen het nationaal-socialisme.<a href=\"#122\" name=\"122T\"><span class=\"notenr\">75.<\/span><\/a> Alleen wat het kommunisme betreft had Engelman bedenkingen tegen Du Perron. Uit de opdracht van <i>La condition humaine<\/i> aan Du Perron maakte hij op dat dit om terroristische redenen\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 185]<\/div><p>gebeurd was, hetgeen door Du Perron tegengesproken moest worden. Wel stond Du Perron niet zo volkomen afwijzend tegenover het kommunisme, waarmee hij tenminste drie punten gemeen had: de eis van een menswaardig bestaan voor allen die nu door algemeen geachte lieden uitgebuit worden; het afwijzen van een betere wereld in het hiernamaals; de liefde voor het internationale.<a href=\"#123\" name=\"123T\"><span class=\"notenr\">76.<\/span><\/a> Wanneer <i>Forum<\/i> eind 1935 opgeheven wordt, lijkt het kontakt met Engelman minder intensief te worden: Du Perron noemt zichzelf in een brief aan hem \u2018iemand, die [je] kent, al is het zoo weinig als ikke.\u2019 Voorzover mij bekend, heeft Jan Engelman na <i>Parlando<\/i> en <i>De smalle mens<\/i> &#8211; met uitzondering van <i>Multatuli en de luizen<\/i> &#8211; geen recensies meer over Du Perron geschreven. Wellicht hangt dat samen met zijn opinie over Du Perrons dubbelroman <i>Het land van herkomst:<\/i> \u2018Jan Engelman heeft in den huize Binnendijk verkondigd dat <i>Ducroo<\/i> uitstekende treinlectuur is. Dit is via X en Y tot mij doorgedrongen. De opmerking lijkt me zeer psychologisch&#8230; voor Engelman.\u2019<a href=\"#124\" name=\"124T\"><span class=\"notenr\">77.<\/span><\/a> schrijft Du Perron aan Menno ter Braak in januari 1936.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De enige uit Indi\u00eb bewaarde kaart (waarschijnlijk waren er ook niet meer) is een betuiging van instemming met een scherp artikel van Jan Engelman in <i>De groene<\/i>, waarin hij de kunstkritikus van het amsterdamse ochtendblad <i>De telegraaf<\/i> om zijn nazistische kunstsympatie\u00ebn aanviel.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Eerst uit 1940, wanneer Du Perron al weer enige maanden uit Indi\u00eb terug is, zijn er weer brieven bewaard. Anton van Duinkerkens benoeming tot bizonder Vondelhoogleraar te Leiden is dan een voornaam diskussiepunt in de nederlandse pers. Aan de zijde van Du Perron is Ter Braak als redakteur van <i>Het vaderland<\/i> erbij betrokken, aan de zijde van Engelman om duidelijke redenen de leuvense eredoktor Asselbergs. Du Perron, gevraagd naar zijn mening, vindt het een p\u00e9n\u00e9tration pacifique van katolieken in levensbeschouwelijke onderwerpen aan staatsuniversiteiten. De hele affaire interesseert hem overigens maar matig. Het gaat er niet om Van Duinkerken zijn stoel te misgunnen, maar de natie heeft eerder een Multatuli-injektie nodig.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Van Duinkerken &#8211; als vijand nog scherper ziend &#8211; had in zijn <i>Tijd<\/i>-artikel van november 1935 <i>Welkom afscheid<\/i><a href=\"#125\" name=\"125T\"><span class=\"notenr\">78.<\/span><\/a> gefulmineerd\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 186]<\/div><p>tegen de pogingen van <i>Forum<\/i> om de vaderlandse literaire traditie te herijken, waarbij Vondel door Multatuli vervangen was: \u2018Deze geringschatting van het klassieke ten gunste van het actueele en deze achterstelling van het overwogene bij het actualistische berustte op een algemeene overschatting van het journalistieke element in de inspiratie, een nadelig gevolg van wat een Fransch schrijver eens aanduidde als \u201cl&#8217;indigestion de l&#8217;auto et de l&#8217;avion\u201d\u2019. Leve het kiassicisme!<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Engelman stond zijn bewonderde vriend Van Duinkerken aktief in de hevige strijd bij, die zich in de nederlandse kranten en tijdschriften afspeelde, terwijl de vijand al uitstapjes maakte op nederlands grondgebied. Waarschijnlijk is Engelmans <i>Vondel<\/i>, uit de bundel <i>Noodweer<\/i> (1942)<a href=\"#126\" name=\"126T\"><span class=\"notenr\">79.<\/span><\/a> een reaktie op deze polemiek (op Ter Braaks <i>D\u00e9masqu\u00e9<\/i> had hij ook met een gedicht gereageerd).<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Toen Jan Engelman in maart 1940 in een hoofdartikel van <i>De gemeenschap<\/i> de laatste vooroorlogse generatie in de literatuur begroette, nam hij afstand van het literaire bedrijf, waaraan hij vijftien jaar onafgebroken aan meegedaan had: \u2018Ten onrechte zijn de tegenwoordige letterkundige handboeken ingedeeld op een wijze, die de suggestie schept, dat iedere staatkundige schakeering in het lage land er een soort van opkamer op nahoudt, waar aan \u201ccultuur\u201d wordt gedaan en waarin men de soms wat rebelsche, maar tenslotte niet onbruikbare kunstenaars bijeenbracht, om onder soepele, maar gepaste bewaking, te werken aan de zondagsche stichting en het feitelijk vermaak der schare, die in het sous-terrain vertoeft. Dit te zeggen, is geen verloochening van een recent verleden. Ik weet wat het groeps-\u00e9lan, onder omstandigheden kan beteekenen. Maar ik weet ook, hoe persoonlijkheden zich vormen en de letterkundige geschiedenis bewijst, dat een groep die zich formeert, reeds de kiem in zich heeft van het uiteenvallen der groep. Zoolang de opkamer geen Rijkscultuurkamer is, moge dit zoo blijven.\u2019<a href=\"#127\" name=\"127T\"><span class=\"notenr\">80.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Na de oorlog voelde hij zich minder in de katolieke literaire kring thuis.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In de brieven aan Jan Engelman komt geen andere Du Perron aan het woord dan wij nu al kennen. In vele opzichten sluiten deze brieven nauw aan bij de essays die in <i>Tegenonderzoek, De smalle mens<\/i> en <i>In deze grootse tijd<\/i> gebundeld zijn. E\u00e9n passage stemt vrijwel\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 187]<\/div><p>woordelijk overeen met een gedeelte van het slothoofdstuk van <i>De smalle mens.<\/i> Hun verrassendste aspekt is, na de publikatie van de brieven aan Menno ter Braak, de ontvanger. Ze dokumenteren het kontakt tussen twee leden van geheel verschillende levensbeschouwelijke kampen tijdens het heetst van de strijd. Ondanks het verschil in literaire smaak konden Du Perron en Engelman goed met elkaar overweg.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Marsman had een goede neus voor brieven, toen hij in het nawoord van augustus 1932 bij <i>Tegenonderzoek<\/i> opmerkte dat Du Perron voor hem \u2018vooral de schrijver van zijn brieven en van zijn nog ongeschreven Autobiografie is.\u2019<a href=\"#128\" name=\"128T\"><span class=\"notenr\">81.<\/span><\/a> Door hun intieme verbindingen met het literaire werk van Du Perron, hebben zijn brieven voor de kennis van zijn schrijverschap een grote waarde. Het woord van Stendhal over Voltaire en Rousseau is dan ook evenzeer van toepassing op Du Perron: \u2018On ne les conna\u00eetra parfaitement que lorsque toutes les lettres qu&#8217;ils ont \u00e9crites seront publi\u00e9es.\u2019<a href=\"#129\" name=\"129T\"><span class=\"notenr\">82.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n\r\n\r\n<\/div><div class=\"wp-block-column dbnl-rechts is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:33.33%\"><div id=\"noten-apparaat\"><div class=\"interp\">\n<h3>Over dit hoofdstuk\/artikel<\/h3>\n<p><label>auteurs<\/label><\/p>\n<p> <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=spoo003\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">Ronald Spoor<\/a><\/p>\n<p>over  <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=du_p001\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">E. du Perron<\/a><\/p>\n<br>\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-048\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#048T\" name=\"048\"><span class=\"notenr\">1.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno ter Braak\/E. du Perron, <i>Briefwisseling<\/i> 1930-1940, I, ed. H. van Galen Last, Amsterdam, 1962, p. 37. Verder aangehaald als: <i>BW.<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-049\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#049T\" name=\"049\"><span class=\"notenr\">2.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Bijvoorbeeld J.W.F. Werumeus Buning in <i>De groene.<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-050\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#050T\" name=\"050\"><span class=\"notenr\">3.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno ter Braak, <i>Het schoone masker<\/i>, De vrije bladen, 1927, jrg 4, nrs 6-7, juni-juli; <i>Afscheid van domineesland<\/i>, Verzameld werk, I, Amsterdam, 1950, p. 214. Verder aangehaald als: <i>VW.<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-051\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#051T\" name=\"051\"><span class=\"notenr\">4.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno ter Braak, <i>Ondergang. Over persoonlijkheid en woord<\/i>, De stem, 1927, jrg 7, nr 3-4, maart-april; <i>Afscheid van domineesland, VW<\/i> I p. 179.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-052\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#052T\" name=\"052\"><span class=\"notenr\">5.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno ter Braak, <i>Anti-thesen<\/i>, De vrije bladen, 1926, jrg 3, nr 2, februari.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-053\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#053T\" name=\"053\"><span class=\"notenr\">6.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno ter Braak, <i>Het opium der vormen.<\/i> De vrije bladen, 1927, jrg 4, nr 1, januari; <i>Man tegen man, VW I<\/i>, p. 362-370.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-054\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#054T\" name=\"054\"><span class=\"notenr\">7.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno \nter Braak, <i>Waarom ketters<\/i>?, De vrije bladen, 1930, jrg 7, nr 10, oktober; <i>Man tegen man, VW I<\/i>, p. 356-361.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-055\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#055T\" name=\"055\"><span class=\"notenr\">8.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>idem, loc. cit., p. 286.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-056\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#056T\" name=\"056\"><span class=\"notenr\">9.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Aveuglement du coeur<\/i>, De vrije bladen, 1930, jrg 7, nr 11, november, p. 305-315.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-057\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#057T\" name=\"057\"><span class=\"notenr\">10.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno ter Braak, <i>Het carnaval der burgers, een gelijkenis in gelijkenissen, VW I<\/i>, p. 137.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-058\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#058T\" name=\"058\"><span class=\"notenr\">11.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>In de <i>Cahiers van een lezer<\/i> gedateerd Brussel, 4 september; Den gulden winckel, 1930, jrg. 29, nr 9, 20 september; <i>Tegenonderzoek<\/i>, p. 9-16; <i>VW II<\/i>, p. 212-217.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-059\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#059T\" name=\"059\"><span class=\"notenr\">12.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW I<\/i>, p. 11.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-060\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#060T\" name=\"060\"><span class=\"notenr\">13.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>P.N. van Eyck, <i>Verschijningen en verschijnselen IX<\/i>, Jan Engelman, <i>Sine nomine<\/i>, Leiding, algemeen tweemaandelijksch tijdschrift, 1931, jrg 2, nr 6, 15 december, p. 274; <i>Verzameld werk<\/i>, V, Amsterdam, 1962, p. 392.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-061\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#061T\" name=\"061\"><span class=\"notenr\">14.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Anthonie Donker, <i>Jong-katholieke po?zie<\/i>, in: <i>De schichtige Pegasus<\/i>, critiek der po?zie omstreeks 1930, Standpunten &amp; getuigenissen, Brussel, 1932, p. 57.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-062\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#062T\" name=\"062\"><span class=\"notenr\">15.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Victor E. van Vriesland, <i>Bedwelmende zanger<\/i>, Nieuwe Rotterdamsche courant, 1931, jrg 88, 9 mei; <i>Onderzoek en vertoog, Verzameld critisch en essayistisch proza<\/i>, I, Amsterdam, 1958, p. 253.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-063\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#063T\" name=\"063\"><span class=\"notenr\">16.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Janus [Mathieu Smedts], <i>Uit het zakboek van een twijfelaar<\/i>, Vrij Nederland, onafhankelijk weekblad met JM &#8211; De stem, 1970, jrg 30, 12 september.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-064\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#064T\" name=\"064\"><span class=\"notenr\">17.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>Manuscrit trouv? dans une poche. Chronique de la conversion de Bodor Guil?, ?tranger. Publi? tel quel par Eddy du Perron. Avec un portrait du converti par Creixams; et un certificat m?dical du Dr. L. Grattefesces.<\/i> [Bruxelles, 1923].<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-065\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#065T\" name=\"065\"><span class=\"notenr\">18.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>Herinneringen aan ?modern? Vlaanderen<\/i>, Verzameld werk, VII, Amsterdam, 1959, p. 500-502. Verder aangehaald als: <i>VW.<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-066\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#066T\" name=\"066\"><span class=\"notenr\">19.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Het <i>Gebed bij de harde dood<\/i> werd in 1928 in Brussel in een oplage van 50 stuks voor de vrienden van A.A.M. Stols gedrukt als nr 15 der serie ?To the Happy Few?.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-067\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#067T\" name=\"067\"><span class=\"notenr\">20.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>Autobiografisch overzicht, VW VII<\/i>, p. 503-504.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-068\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#068T\" name=\"068\"><span class=\"notenr\">21.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>Cahiers van een lezer, VW II<\/i>, p. 24.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-069\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#069T\" name=\"069\"><span class=\"notenr\">22.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>Gebed bij de harde dood<\/i>, De gids, 1928, jrg 92, nr 9, september, p. 320-323.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-070\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#070T\" name=\"070\"><span class=\"notenr\">23.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>Cahiers van een lezer<\/i>, 3 maart 1927, <i>VW II<\/i>, p. 176.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-071\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#071T\" name=\"071\"><span class=\"notenr\">24.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Letterkundige almanak <i>Erts<\/i>, Amsterdam, 1929, p. 201-206.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-072\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#072T\" name=\"072\"><span class=\"notenr\">25.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>E. du Perron over proza, po?zie, kritiek. Met een portret door Creixams<\/i>, Den gulden winckel, ge?llustreerd maandschrift voor boekenvrienden, 1930, jrg. 29, nr. 5, mei, p. 107-110; hier geciteerd naar de versie in <i>Cahiers van een lezer, VW II<\/i>, p. 194.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-073\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#073T\" name=\"073\"><span class=\"notenr\">26.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW I<\/i>, p. 7.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-074\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#074T\" name=\"074\"><span class=\"notenr\">27.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>VW II<\/i>, p. 192.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-075\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#075T\" name=\"075\"><span class=\"notenr\">28.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Brief van Jan Engelman d.d. 2 november 1930 aan A.A.M. Stols, aanwezig in het Letterkundig museum en documentatiecentrum te Den Haag.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-076\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#076T\" name=\"076\"><span class=\"notenr\">29.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Parlando<\/i>, De nieuwe eeuw, 1931, nr 714, 30 april, p. 961.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-077\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#077T\" name=\"077\"><span class=\"notenr\">30.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW I<\/i>, p. 51.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-078\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#078T\" name=\"078\"><span class=\"notenr\">31.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Vergeelde papieren<\/i>, Maatstaf, maandblad voor letteren, 1960-61, jrg 8, september, p. 545, tekst gekorrigeerd naar het typogram dat zich in het Letterkundig museum bevindt.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-079\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#079T\" name=\"079\"><span class=\"notenr\">32.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>Tegenonderzoek<\/i> (<i>Cahiers van een lezer<\/i>)*** Brussel, 1933, p. 93-94; <i>niet<\/i> in <i>VW II.<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-080\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#080T\" name=\"080\"><span class=\"notenr\">33.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>idem, p. 143; <i>niet<\/i> in <i>VW II.<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-081\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#081T\" name=\"081\"><span class=\"notenr\">34.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Vergeelde papieren<\/i>, loc. cit., p. 545; het vermogen van de familie Du Perron was bij de Nederlandsche Handelsmaatschappij te Amsterdam in zuidamerikaanse papieren belegd. Ook Gistoux &#8211; met een hoge hypotheek bezwaard &#8211; blijkt onverkoopbaar.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-082\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#082T\" name=\"082\"><span class=\"notenr\">35.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman d.d. 19 juni 1937 aan Alexander Cohen.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-083\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#083T\" name=\"083\"><span class=\"notenr\">36.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>G.H. &#8216;s-Gravesande, <i>E. du Perron, herinneringen en bescheiden<\/i>, &#8216;s-Gravenhage, 1947, p. 73.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-084\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#084T\" name=\"084\"><span class=\"notenr\">37.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Vergeelde papieren<\/i>, loc. cit., p. 545.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-085\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#085T\" name=\"085\"><span class=\"notenr\">38.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Greshoff, <i>Du Perron treedt binnen<\/i>, in <i>Voli?re<\/i>, &#8216;s-Gravenhage, 1956, p. 32.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-086\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#086T\" name=\"086\"><span class=\"notenr\">39.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Dit velletje bevindt zich evenals de andere dokumenten in het Letterkundig museum. Zie in dit nummer, p. 191. Aantekening: r. 1.: vloeit<spuit r. prammen=\"borsten;\" zachtste vertrouw vel de speer merk><\/spuit>\n<\/dd>\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-087\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#087T\" name=\"087\"><span class=\"notenr\">40.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW III<\/i>, p. 10.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-088\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#088T\" name=\"088\"><span class=\"notenr\">41.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Janus [Mathieu Smedts], <i>Uit het zakboek van een twijfelaar<\/i>, loc. cit.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-089\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#089T\" name=\"089\"><span class=\"notenr\">42.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>Ons deel van Europa, VW II<\/i>, p. 723.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-090\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#090T\" name=\"090\"><span class=\"notenr\">43.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron aan Jan Engelman op 16 april 1934.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-091\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#091T\" name=\"091\"><span class=\"notenr\">44.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>loc. cit. p. 724.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-092\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#092T\" name=\"092\"><span class=\"notenr\">45.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>G. Stuiveling, <i>Wegen der po?zie, beknopte beschouwingen over de Nederlandse dichtkunst sinds de oorlog<\/i>, Serie tijd en taak, Amsterdam, 1936.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-093\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#093T\" name=\"093\"><span class=\"notenr\">46.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman aan Alexander Cohen, 29 april 1937.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-094\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#094T\" name=\"094\"><span class=\"notenr\">47.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>De eerste aflevering van ?Forum?. Wat Ritter in ?Forum? ziet<\/i>, De nieuwe eeuw, 1931, nr 744, 26 november.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-095\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#095T\" name=\"095\"><span class=\"notenr\">48.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>De nieuwe eeuw, 1932, nr 755, 11 februari, p. 621.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-096\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#096T\" name=\"096\"><span class=\"notenr\">49.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>idem.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-097\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#097T\" name=\"097\"><span class=\"notenr\">50.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>De nieuwe eeuw, 1932, nr 759, 10 maart, p. 749.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-098\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#098T\" name=\"098\"><span class=\"notenr\">51.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>idem; bedoeld is H. Marsman, <i>De aesthetiek der reporters<\/i>, Forum, maandschrift voor letteren en kunst, 1932, jrg 1, nr 3, maart, p. 141-150; ook <i>Verzameld werk<\/i>, Amsterdam, 1960, p. 403-413.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-099\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#099T\" name=\"099\"><span class=\"notenr\">52.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Hampton Court<\/i>, De nieuwe eeuw, 1931, nr 748, 24 december, p. 396-397. Jan Engelman merkte daarin over Ter Braaks <i>Carnaval<\/i> op: ?Het Carnaval der Burgers&#8217; (een boek, overigens, dat mij bijna zoo lijfelijk pijn doet als het krassen van een te steenachtig stuk krijt langs een schoolbord).?<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-100\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#100T\" name=\"100\"><span class=\"notenr\">53.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Vlaanderen&#8217;s verfvermaak<\/i>, De nieuwe eeuw, 1932, nr 763, 7 april, p. 876.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-101\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#101T\" name=\"101\"><span class=\"notenr\">54.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman aan Jan Greshoff op 4 december 1932. Aanwezig in het Letterkundig museum.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-102\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#102T\" name=\"102\"><span class=\"notenr\">55.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>September-nummer van Forum. Een Legende zonder grond<\/i>, De nieuwe eeuw, 1933, nr 839, 21 september, p. 1883.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-103\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#103T\" name=\"103\"><span class=\"notenr\">56.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Anton van Duinkerken, <i>Neocynisme<\/i>, De gemeenschap, 1932, jrg 8, nr 4, april, p. 233-236; het citaat op p. 235.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-104\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#104T\" name=\"104\"><span class=\"notenr\">57.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Over ?Forum?. Antwoord aan Anton van Duinkerken<\/i>, De nieuwe eeuw, 1933, nr 847, 16 november, p. 250.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-105\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#105T\" name=\"105\"><span class=\"notenr\">58.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>idem.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-106\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#106T\" name=\"106\"><span class=\"notenr\">59.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>De nieuwe eeuw, 1933, nr 851, 14 december, p. 410.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-107\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#107T\" name=\"107\"><span class=\"notenr\">60.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW I<\/i>, p. 157.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-108\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#108T\" name=\"108\"><span class=\"notenr\">61.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Theun de Vries, <i>Proefbalans 1934<\/i>, Den gulden winckel, 1934, nr 395, januari, p. 1-3 en p. 9.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-109\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#109T\" name=\"109\"><span class=\"notenr\">62.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW II<\/i>, p. 295.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-110\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#110T\" name=\"110\"><span class=\"notenr\">63.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Parlando<\/i>, De nieuwe eeuw, 1931, nr 714, 30 april, p. 961.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-111\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#111T\" name=\"111\"><span class=\"notenr\">64.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Aan Albert Plasschaert<\/i>, De gemeenschap, 1934, jrg 10, nr 5, mei, p. 334.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-112\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#112T\" name=\"112\"><span class=\"notenr\">65.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>De nieuwe eeuw, 1933, nr 851, 14 december, p. 540.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-113\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#113T\" name=\"113\"><span class=\"notenr\">66.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>De nieuwe eeuw, 1933, nr 834, 17 augustus, p. 1084.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-114\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#114T\" name=\"114\"><span class=\"notenr\">67.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Beslag op geweten<\/i>, De nieuwe eeuw, 1934, nr 856, 18 januari, p. 610.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-115\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#115T\" name=\"115\"><span class=\"notenr\">68.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Antipoden<\/i>, De nieuwe eeuw, 1934, nr 897, 1 november, p. 136-137.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-116\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#116T\" name=\"116\"><span class=\"notenr\">69.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman op 14 juni 1933 aan A.A.M. Stols. Aanwezig in het Letterkundig museum.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-117\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#117T\" name=\"117\"><span class=\"notenr\">70.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>VW II<\/i>, p. 691.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-118\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#118T\" name=\"118\"><span class=\"notenr\">71.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Menno ter Braak, <i>De eeuwige jeugd, geproclameerd door ?De Nieuwe Gemeenschap?. Tragedie van het gezag<\/i>, Het vaderland, 1934, jrg 66, 3 juli, p. 1, avondblad C.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-119\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#119T\" name=\"119\"><span class=\"notenr\">72.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>J.E., <i>In Duitschland<\/i>, De gemeenschap, 1934, jrg 10, nr 6, juli, p. 484-485.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-120\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#120T\" name=\"120\"><span class=\"notenr\">73.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Victor van Vriesland in de rubriek Tijdschriften van de Nieuwe Rotterdamsche courant, 1933, jrg 90, nr 246, 5 september, avondblad B.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-121\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#121T\" name=\"121\"><span class=\"notenr\">74.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>REDCEL ELF, <i>Embarquement voor de Vriendschapseilanden<\/i>, De nieuwe eeuw, 1933, nr 847, 16 november, p. 250.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-122\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#122T\" name=\"122\"><span class=\"notenr\">75.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW III<\/i>, p. 362; Door nieuw historisch onderzoek van L.R. Wiersma is gebleken dat de uiteenzetting van H. van Galen Last (in de noten bij de <i>Briefwisseling<\/i>) over de oprichting van het komitee korrekt is. ?Er kan dus geen twijfel over bestaan?, schrijft Wiersma in de <i>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden<\/i>, deel 86 (1971), p 126, ?dat Du Perron naar Nederland kwam om zelf de stoot tot de oprichting van een Waakzaamheidscomit? te geven. Hij was het die in feite het initiatief nam.? Het stuk van Wiersma betekent tevens een korrektie op de geschiedschrijving van L. de Jong, die Jan Romeins mededeling dat hij de initiatiefnemer was, had overgenomen.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-123\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#123T\" name=\"123\"><span class=\"notenr\">76.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>E. du Perron, <i>VW II<\/i>, p. 729.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-124\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#124T\" name=\"124\"><span class=\"notenr\">77.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>BW III<\/i>, p. 365.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-125\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#125T\" name=\"125\"><span class=\"notenr\">78.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>?Forum? gaat verdwijnen. Welkom afscheid<\/i>, De tijd, 1935, jrg 91, nr 28422, 10 oktober, avondblad, [p. 5].<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-126\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#126T\" name=\"126\"><span class=\"notenr\">79.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Noodweer<\/i>, Amsterdam, 1942, p. 21; <i>VG<\/i>, 134.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-127\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#127T\" name=\"127\"><span class=\"notenr\">80.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Jan Engelman, <i>Een nieuwe generatie<\/i>, De gemeenschap, 1940, nr 3, maart.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-128\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#128T\" name=\"128\"><span class=\"notenr\">81.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>Tegenonderzoek<\/i>, p. 168; H. Marsman, <i>VW<\/i>, 1960, p. 485.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-129\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#129T\" name=\"129\"><span class=\"notenr\">82.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Stendhal, <i>Correspondance<\/i>, 1800-1821, I, ?d. Henri Martineau et V. del Litto, Biblioth?que de la Pl?iade, Parijs, 1962, p. 236.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><\/div><\/div><\/div>","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[p. 164] Sympatie voor een hemelvaarder Ronald Spoor E. du Perron waarschuwde op 29 januari 1931 Menno ter Braak, schrijvend over Jan Engelman: \u2018Ik correspondeer \u00f3\u00f3k met dien meneer!\u20191. Niet alleen Ter Braak, ook de lezers van de Briefwisseling Ter Braak-Du Perron zullen verbaasd geweest zijn, toen ze dit lazen. Du Perron en Engelman stonden&#8230; <a class=\"more-link\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/\">Lees verder <span class=\"read-more-arrow\"><\/span><\/a><\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","class_list":["post-300407","dbnl","type-dbnl","status-publish","hentry"],"acf":[],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO plugin v26.4 - https:\/\/yoast.com\/wordpress\/plugins\/seo\/ -->\n<title>Sympatie voor een hemelvaarder  Ronald Spoor &#183; Uitgeverij Van Oorschot<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"Sympatie voor een hemelvaarder  Ronald Spoor &#183; Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"[p. 164] Sympatie voor een hemelvaarder Ronald Spoor E. du Perron waarschuwde op 29 januari 1931 Menno ter Braak, schrijvend over Jan Engelman: \u2018Ik correspondeer \u00f3\u00f3k met dien meneer!\u20191. Niet alleen Ter Braak, ook de lezers van de Briefwisseling Ter Braak-Du Perron zullen verbaasd geweest zijn, toen ze dit lazen. Du Perron en Engelman stonden... Lees verder\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"article:modified_time\" content=\"2021-06-04T12:49:46+00:00\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"48 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\/\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/\",\"name\":\"Sympatie voor een hemelvaarder Ronald Spoor &#183; Uitgeverij Van Oorschot\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\"},\"datePublished\":\"1972-12-31T23:00:25+00:00\",\"dateModified\":\"2021-06-04T12:49:46+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"DBNL\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"Sympatie voor een hemelvaarder Ronald Spoor\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\",\"name\":\"Uitgeverij Van Oorschot\",\"description\":\"\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"Sympatie voor een hemelvaarder  Ronald Spoor &#183; Uitgeverij Van Oorschot","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"Sympatie voor een hemelvaarder  Ronald Spoor &#183; Uitgeverij Van Oorschot","og_description":"[p. 164] Sympatie voor een hemelvaarder Ronald Spoor E. du Perron waarschuwde op 29 januari 1931 Menno ter Braak, schrijvend over Jan Engelman: \u2018Ik correspondeer \u00f3\u00f3k met dien meneer!\u20191. Niet alleen Ter Braak, ook de lezers van de Briefwisseling Ter Braak-Du Perron zullen verbaasd geweest zijn, toen ze dit lazen. Du Perron en Engelman stonden... Lees verder","og_url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/","og_site_name":"Uitgeverij Van Oorschot","article_modified_time":"2021-06-04T12:49:46+00:00","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"48 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/","name":"Sympatie voor een hemelvaarder Ronald Spoor &#183; Uitgeverij Van Oorschot","isPartOf":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website"},"datePublished":"1972-12-31T23:00:25+00:00","dateModified":"2021-06-04T12:49:46+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/sympatie-voor-een-hemelvaarderronald-spoor\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"DBNL","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"Sympatie voor een hemelvaarder Ronald Spoor"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/","name":"Uitgeverij Van Oorschot","description":"","potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"}]}},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl\/300407","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/dbnl"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=300407"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=300407"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}