{"id":300967,"date":"1979-01-01T00:00:07","date_gmt":"1978-12-31T23:00:07","guid":{"rendered":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/"},"modified":"2021-06-04T14:18:30","modified_gmt":"2021-06-04T13:18:30","slug":"jeroen-brouwerskladboek-iv","status":"publish","type":"dbnl","link":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/","title":{"rendered":"Jeroen Brouwers\r\nKladboek IV"},"content":{"rendered":"<div class=\"wp-block-columns alignwide is-layout-flex wp-container-core-columns-is-layout-9d6595d7 wp-block-columns-is-layout-flex\"><div class=\"wp-block-column dbnl-links is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:66.66%\">\r\n\r\n <interp type=\"primair\" value=\"brou033\"><\/interp><interp type=\"secundair\" value=\"span003\"><\/interp><interp type=\"secundair\" value=\"muli002\"><\/interp><div class=\"pb\">[p. 40]<\/div>\r\n<a name=\"6\"><\/a>\r\n<h3>\r\n<i>Jeroen Brouwers<\/i>\r\n\r\n<br>Kladboek IV<\/h3>\r\n\r\n<h4 class=\"small-margins\">&#8230;In de hoop dat hij een brood zal schijten\r\n<br>Pierre Spaninks en de gossip-schrijverij<\/h4>\r\n\r\n<h4>1. De luizen<\/h4>\r\n\r\n<p>Harry Mulisch heeft de pest aan critici. \u2018Veel kritici moeten in het water geworpen worden\u2019 (<i>Manifesten<\/i>, 1958). In <i>Twee vrouwen<\/i> (1975) komt de kriticus Alfred Boeken voor, over wie dit versje wordt geschreven:<\/p>\r\n\r\n<div class=\"poem\">\r\n\r\n<div class=\"poem-head\">\r\n<i>Recensent<\/i>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">A.B. schrokt mijn kookkunst<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">en drukt de dag daarop<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">zijn recentste keutel:<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">\u2018Moet je ruiken,\u2019<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">spreekt hij lakend,<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<div class=\"\n\t\t\t\tline\n\t\t\t\t\">\r\n<div class=\"line-nr\">\u00a0<\/div>\r\n<div class=\"line-content-container\">\r\n<div class=\"line-content\">\u2018en dat noemt zich kok.\u2019<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n<\/div>\r\n\r\n<p>Elders in deze roman heet het: \u2018Als je met de kritiek begint ben je net een man die een drol eet in de hoop dat hij een brood zal schijten.\u2019 In <i>De verteller verteld<\/i> komt het beeld van de boekenvretende recensent eveneens voor, vervolgens aangevuld met de pendant van dit beeld: de recensent die door het boek wordt opgevreten, de boekbespreker die verandert in een \u2018boekbezwijger\u2019, de criticus die wordt opgediend als \u2018voer voor boeken\u2019. Hetzelfde boek bevat de verzuchting: \u2018Men voelt zich soms een acrobaat, wiens prestaties beoordeeld worden door leden van het plaatselijke reumacentrum.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Dat Mulisch de pest heeft aan critici is zeer terecht. Iedere auteur in Nederland die niet meedobbert in de grauwe gelijktonigheid van de middelmaat kan niet anders dan de pest hebben aan het Nederlandse kritiekbedrijf. Dat\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 41]<\/div><p>in Nederland geen \u2018gezaghebbende kritiek\u2019 zou bestaan wil ik wel ontkennen, maar niet valt te ontkennen dat deze \u2018gezaghebbende kritiek\u2019 in mist verdwijnt bij het aantal zich \u2018criticus\u2019 noemende literatuurluizen. Tot deze luizensoort behoren: de kletsmeier (Guus Luyters), de kopi\u00efst van andermans meningen en kletspraat (W. Hansen), de jaloerse kissebisser (I. Sitniakowsky), de bezitter van het kleine karakter die datgene wat hij van kritiek voorziet liever zelf zou hebben geschreven maar daartoe het talent ontbeert (Johan Diepstraten), de vriendjesaaier (Reinjan Mulder), de vleier die is omgeslagen in gefrustreerde wraaknemer (J.J. Wesselo), de niksweter (Max van Rooy), en vooral, <i>vooral<\/i> behoort tot deze insectensoort: de gossipschrijver.<\/p>\r\n\r\n<h4>2. De gossip<\/h4>\r\n\r\n<p>Steeds zeldener komt het voor dat er een literair werk wordt besproken zonder dat in de bespreking roddel, om niet te spreken van laster, over de auteur ervan wordt opgedist, waarbij in de eerste plaats aan de integriteit van de auteur wordt getwijfeld en vervolgens bijzonderheden worden verstrekt omtrent des auteurs gelaatstrekken, lichaamsomvang, geslachtsdelen, huwelijks- en liefdeleven, stemgeluid, caf\u00e9bezoek, auto, kleding, kapsel, karakter, maatschappelijke habitus en zo voort, &#8211; pas als dit alles is beschreven komt het te bespreken boek aan bod, dat dan bij voorkeur in een vloek en een zucht wordt weggebabbeld. Literatuurkritiek in Nederland is ten gevolge van deze gossip-schrijverij niet m\u00e9\u00e9r dan folklore geworden: wat Nederlanders over hun schrijvers weten overstijgt niet het wetenswaardigheidsgehalte van de kletsrubrieken over \u2018bekende Nederlanders\u2019 in blaadjes als <i>Story, Mix, Rits<\/i> en <i>Priv\u00e9<\/i>. Liever makkelijk, liever een sappig verhaal, liever babbelen, liever show, liever de-man-achter-deschrijver, liever human interest, liever inside-stories: zo is in overwegende mate \u2018de kritiek\u2019 in Nederland. En verder slaat de klok: landerigheid, luiheid, idee\u00ebnloosheid, inzichtloosheid, bevooroordeeldheid, gebrek aan belezenheid, gebrek aan onderlegdheid, gebrek aan talent. Madurodamse literatuurkritiek, geschreven door de tuinkabouter, kritiek om gruwelijk de pest aan te hebben, kritiek van dusdanig kaliber dat vele beoefenaars ervan in het water geworpen moeten worden.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 42]<\/div>\r\n<p>Ik geef wat voorbeelden van gossip zoals ik ze te hooi en te gras in commentaren op het werk van Mulisch heb aangetroffen. Geeft Mulisch zijn publiek <i>Het seksuele bolwerk<\/i> te lezen, \u2018B.P.\u2019 zal het in <i>Propria Cures<\/i> (20 oktober 1973) hebben over Mulisch&#8217; Neus en vervolgens over \u2018de Piemel van de Neus\u2019. Schrijft Mulisch een polemiek tegen Van het Reve, hij doet dit louter en om geen andere reden uit jaloezie op het verkoopsucces van Van het Reve terwijl zijn eigen boeken bij De Slegte liggen (Tom Ordelman in een ingezonden brief aan <i>Hollands Diep<\/i>, 5 juni 1976). Voert hij in zijn roman <i>Twee vrouwen<\/i> een (toneel)-schrijver op die een versje heeft geschreven dat <i>Recensent<\/i> heet, hij (Mulisch dus, en niet dat romanpersonage) doet dit volgens Ab Visser in de <i>Leeuwarder Courant<\/i> (13 december 1975) \u2018uit rancune tegen recensenten die zich niet zo bijster met (Mulisch&#8217;) toneelwerk hebben zitten vermaken\u2019. Zegt deze toneelschrijver in de roman dat hij zijn versje \u2018misschien () in een hoekje van een of ander tijdschrift\u2019 zal publiceren, recensent Visser schrijft in zijn recensie: \u2018Dat zal <i>De Gids<\/i> dan wel zijn, waarin Mulisch zijn uiterst zwakke po\u00ebzie publiceert\u2019.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Uitspraken als deze hebben niets met de feitelijke inhoud van de besproken boeken te maken, en toch is dit soort (en nog andersoortige) gossip met \u2018de kritiek\u2019 vermengd zoals erwten zijn vermengd met snert. Het is mogelijk om de kleine bloemlezing van hierboven met vele voorbeelden aan te vullen: de \u2018gemotoriseerde relletjesvoyeur\u2019 zou er niet in mogen ontbreken, noch de uitentreure herhaalde uitval dat Mulisch gespeend zou zijn van enig gevoel voor of besef van humor, &#8211; dat hij een modeschrijver is en blijft, met name gretig gelezen door de middelbare schooljeugd in het begin van de jaren zestig, welke jeugd is uitgegroeid tot het literatuurdoctorandussendom van de jaren zeventig dat hem blijft wiegen uit nostalgie, en zo voort. Degenen die toevallig Mulisch niet kunnen pruimen mogen zo&#8217;n gossipbloemlezing samenstellen uit \u2018de kritiek\u2019 op het werk van Van het Reve, Hermans, Wolkers, of welke andere beroemde Nederlandse schrijver dan ook: mij gaat het niet om \u2018Mulisch\u2019, maar om de snertkritiek. Louter toevallig vormen \u00e8n Mulisch \u00e8n snertkritiek een actueel motief om over te schrijven.<\/p>\r\n\r\n<div class=\"pb\">[p. 43]<\/div>\r\n<h4>3. De suikeren Goliath<\/h4>\r\n\r\n<p>Naar aanleiding van de toekenning van de P.C. Hooftprijs aan Mulisch schrijft <i>De Volkskrant<\/i> (11 november 1978):<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">tussen 1952, het jaar van Mulisch&#8217; debuut, en 1978, het jaar van Mulisch&#8217; staatsprijs \u2018staat een boog gespannen van kritische waardering voor de vele boeken die Mulisch geschreven heeft. Een onvertogen woord is er al die jaren van de kant van de boekbesprekers nauwelijks gevallen. De literaire kritiek heeft zich over het algemeen heel welwillend opgesteld tegenover het fenomeen Mulisch en de P.C. Hooftprijs lijkt daarvan het logische gevolg.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Elders in dit betoog staat: \u2018Het \u201cliteraire\u201d werk van Mulisch kon steevast op vrijwel unanieme waardering rekenen, zelfs <i>De verteller<\/i>.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">En nog elders in hetzelfde betoog staat: \u2018Van <i>Archibald Strohalm<\/i> af tot aan de verhalenbundel <i>Oude lucht<\/i> (1977) toe wordt Mulisch door zijn critici benaderd met meer welwillendheid dan waarop andere schrijvers aanspraak mogen maken.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Steller van deze twee maal in hetzelfde betoog herhaalde gossip is de neogossipschrijver Pierre Spaninks: een soort ufo in de vorm van een vliegende snertpan in het wereldje van de \u2018literaire kritiek\u2019. In zijn breed opgemaakte kolderstuk, getiteld <i>Harry Mulisch en de kritiek<\/i>, roert Spaninks zo&#8217;n beetje dit, en dat, en van alles wat door elkaar tot een gore brij, zulks onder het mom van verontwaardigdheid of zo iets, terwijl dwars door het mom heen Spaninks machteloze kinnesinne zichtbaar is: &#8211; de machteloosheid van dunne haat, die zich niet uit in openlijke oorlog, maar in halve leugens, bangheid en schijnheiligheid, Madurodamse kabouterhaat, kritiek van een suikeren Goliath met een werpslingertje van kauwgum.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Nu zou het wat mij betreft volstrekt in orde zijn als het w\u00e0\u00e0r is wat hier wordt gesuggereerd: &#8211; dat Mulisch \u2018over het algemeen\u2019 \u2018steevast\u2019 op \u2018vrijwel\u2019 \u2018unanieme waardering\u2019 of dan toch op \u2018meer welwillendheid\u2019 mag en\/of heeft mogen rekenen dan \u2018andere schrijvers\u2019. Mulisch is nu eenmaal niet \u2018andere schrijvers\u2019 en het past de kritiek beleefd te fluisteren als een goed schrijver, hetzij Mulisch, hetzij enige andere (hier vulle de lezer zijn eigen goede schrijver in), zijn stem laat horen, daar helpt geen Spaninkjelief aan. Maar wat hier in <i>De Volkskrant<\/i> te lezen staat is helaas <i>niet<\/i> in orde.\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 44]<\/div><p>Omdat het in <i>De Volkskrant<\/i> staat: het blad dat Fens, via de endeldarm genaamd Lidy van Marissing, heeft uitgekakt en thans zijn lezers de drol Spaninks, uitgekakt door <i>Het Parool<\/i>, als vers broodje presenteert, &#8211; het blad dus dat wat betreft het verschaffen van literaire berichtgeving de voorkeur geeft aan het gepiep van een ambitieuze voetknecht boven het oordeel van een zij het dan vermoeide prelaat. Omdat het Spaninks is die het heeft neergeschreven, gossip kokend van zijn eigen zure chagrijn, waarvan de balorigheid afwasemt gelijk er stank afwasemt van een uitwerpsel. En omdat aantoonbaar is, dat wat Spaninks in <i>De Volkskrant<\/i> beweert, evenveel niet waar is als het w\u00e8l waar zou <i>kunnen<\/i> zijn: hetgeen het kenmerk van gossip is.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Dat het niet waar is, valt al op te maken uit Spaninks bangelijk-voorzichtige en niettemin zichzelf bijtende woordgebruik, waarbij b.v. \u2018nauwelijks\u2019, \u2018over het algemeen\u2019, \u2018steevast\u2019 en \u2018vrijwel\u2019 ongeveer dezelfde klankwaarde krijgen, en de betekenis van \u2018over het algemeen heel welwillend\u2019 eerst wordt aangescherpt tot \u2018steevast () vrijwel unanieme waardering\u2019 en vervolgens weer wordt afgeplat tot \u2018meer welwillendheid dan\u2019.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Spaninks is een woordmodderaar: hetgeen karakteristiek is voor iemand die wel wil beweren maar niet kan bewijzen. Spaninks schudt een zielig aantal feitjes in zijn mengbeker door elkaar tot een bewering, of een stelling, welke hij zijn lezers vervolgens als een Onweerlegbare Waarheid presenteert: &#8211; wat Spaninks zijn lezers presenteert, is goochelaarswerk. Spaninks moet maar in de politiek gaan of pastoor worden, nu hij zelfs als criticus, ja zelfs als criticus van <i>De Volkskrant<\/i>, door de mand is gezakt.<\/p>\r\n\r\n<h4>4. De \u2018ongewenste vreemdeling\u2019<\/h4>\r\n\r\n<p>Aan de hand van <i>andere<\/i> feiten is met weinig moeite een <i>andere<\/i> Onweerlegbare Waarheid samen te stellen, sterker, ik kan van Spaninks bewering zelfs het tegendeel bewijzen: &#8211; Mulisch zou juist <i>niet<\/i> \u2018over het algemeen\u2019 met welwillendheid door de kritiek zijn of worden bejegend. Hoeveel namen van \u2018welwillende critici\u2019 noemt Spaninks in zijn flodderpaskwil? Een stuk of vijf, zes, waarvan er een paar twee maal? Hier volgt een door mij vrij willekeurig opgestelde lijst van critici die Mulisch&#8217; werk niet onverdeeld \u2018welwillend\u2019 tegemoet zijn getreden. Bordewijk (P.C. Hooft-<\/p><div class=\"pb\">[p. 45]<\/div><p>prijs 1953) moest al niets van Mulisch hebben en Komrij (P.C. Hooftprijs 1985) moet ook niets van Mulisch hebben. Th. Govaart, A. Marja en Gerrit Kouwenaar vonden in 1954 <i>De diamant<\/i> al niet schitterend genoeg en Luyters krijgt in 1977 een lachstuip van <i>Oude lucht. Voer voor psychologen<\/i> vond geen genade bij o.a. Ben Stroman en Albert van der Hoogte, &#8211; J.H.W. Veenstra noemde het boek \u2018boerenbedrog\u2019 en gaf Mulisch voor straf de opdracht om honderd malen <i>Politicus zonder partij<\/i> over te schrijven. In 1970 zijn J. van Doorn, Tim Krabb\u00e9, Hans van Straten, Piet Grijs, Theo Kars en nog vele andere recensenten faliekant tegen <i>De verteller<\/i>. In 1961 fulmineerde dr. F.C. Dominicus in het blad <i>Burgerrecht<\/i> tegen <i>Het stenen bruidsbed<\/i> (\u2018een boek waarin we woorden vinden als Godskristus, Godsallejezus, Godskloten, die vuile rothoer, die smerige klotenschijthoer. Dit alles staat in een boek, dat de Minister van O.K. en W. blijkbaar een onderscheiding waardig keurde&#8230;\u2019) Hetzelfde boek werd gekraakt in <i>De waarheid<\/i> en de <i>Provinciale Zeeuwse Courant<\/i> en in het <i>Haags Dagblad<\/i> schreef Garmt Stuiveling dat hij het boek heeft\r\ngesloten met \u2018het pijnlijke gevoel (dat het) zijn aandacht niet helemaal waard\u2019 was geweest. In 1976 smijt Jaap Goedegebuure de roman <i>Twee vrouwen<\/i> op de stapel modieuze liefdesromannetjes, Alfred Kossman noemt het boek \u2018een virtuoze draak\u2019, Ab Visser vindt het \u2018een melodramatische damesroman\u2019. Een van de felste kritieken ooit op Mulisch uitgebracht stond op 13 april 1963 in <i>Elseviers Weekblad<\/i>, geschreven door T. Kars. \u2018Mijnheer Mulisch, () ik wil dat u ophoudt met schrijven,\u2019 zo schreef T. Kars, en verbond aan deze wens de suggestie om Mulisch als \u2018ongewenste vreemdeling (Turk, Hun, Mongool, wat wilt u) wegens flessentrekkerij\u2019 het land uit te zetten. Een jaar tevoren was met het evenveel galligheid als plagiaat samengestelde boekje <i>Harry Mulisch, de minstreel van het Leidseplein<\/i> van de hand van Leo Thuring door toedoen van Mulischzelf uit de handel genomen. (\u2018Op de hoeken der straten doen kooplieden enorme zaken met originele Mulischneuzen, die in twee uitvoeringen verkopen. De exemplaren van papier mach\u00e9 moeten met elastiekjes achter de oren worden bevestigd, de duurdere van handbeschilderd plastic blijven vanzelf plakken.\u2019 Fragment van leutige toekomstbeschrijving van Mulisch&#8217; honderdste verjaardag.) Omstreeks dezelfde tijd stortte <i>De Telegraaf<\/i> zich op \u2018het verschijnsel Mulisch\u2019. Citaat: \u2018Harry Mulisch pro en con-<\/p><div class=\"pb\">[p. 46]<\/div><p>tra. Scherp zijn de reacties van de Nederlandse tieners op het werk van deze auteur. Uit de brieven van honderden Tienkampers hebben wij slechts een greep gedaan, maar unaniem was men in zijn afkeuring van het oeuvre van deze jonge auteur\u2019, &#8211; waarop een halve pagina geblaat van \u2018tienkampers\u2019 volgde. \u2018Unaniem was men in zijn afkeuring\u2019, dus. Jeugd van het begin van de jaren zestig, dus. In 1978 vindt I. Sitniakowsky in\r\n<i>De Telegraaf<\/i> al dat gedoe rondom die Mulisch nog steeds de energie niet waard. Misschien was er overdreven welwillendheid bij onze Zuiderburen voor het werk van Mulisch? Neen. In <i>Volksgazet<\/i> omschreef Hubert Lampo <i>Voer voor psychologen<\/i> als: \u2018() een deels wel leesbaar boek, voor mekaar geknutseld door een sprankelend, doch soms ook slaapverwekkend-alledaags kletsende en in elk geval geestelijk boven zijn stand levende Nicolaas Beets anno 1961.\u2019 In 1971 vond Georges Wildemeersch in <i>De Standaard De verteller<\/i> \u2018een slecht boek\u2019. In 1975 was Clem Schouwenaars niet juichend enthousiast over <i>Twee Vrouwen<\/i>, zijn recensie stond in <i>De Nieuwe Gazet<\/i>.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ziehier de \u2018boog () van kritische waardering\u2019, gespannen tussen 1954 en 1978. Ziet, het gaat uitsluitend om reacties op Mulisch&#8217; \u2018literaire\u2019 werk, precies waar het bij Spaninks om gaat dus, en niet om reacties op Mulisch&#8217; essayistisch, polemisch en nog andersoortig werk: zou ik een opsomming verstrekken van nietwelwillende recensies d\u00e0\u00e0rover, van Jacques Gans tot Huug Kaleis, van Karel van het Reve tot R.H. van den Hoofdakker, van J.F. Vogelaar tot K.L. Poll, ik zou als n\u00f2g originelere neo-gossip de bewering kunnen doen dat Mulisch de meest getergde, bezwadderde en opzettelijk verkeerd begrepen Nederlandse auteur is sedert Multatuli. Behalve van Mulisch&#8217; romans en verhalenbundels wil Spaninks ook van Mulisch&#8217; gedichten, toneelstukken en libretto&#8217;s&#8217; beweren dat ze op \u2018vrijwel unanieme waardering\u2019 hebben mogen rekenen. Mulisch&#8217; gedichten? Wam de Moor heeft er blijk van gegeven ze niet te lusten, Hans Warren idem, J. Bernlef idem, C.J. Kelk, Wim Zaal, Rudi Boltendal, Kees Fens, unaniem idem. Mulisch&#8217; toneestukken? <i>Tanchelijn<\/i> is weggeschreven door G.K. van het Reve, en overigens ook door o.a. W. Wagener, C. Nicola\u00ef en W.L.M.E. van Leeuwen; <i>Bezoekuur<\/i> is met \u2018vrijwel unanieme welwillendheid\u2019 het souffleurshok ingetrapt; hetzelfde geldt voor <i>Oidipoes Oidipoes<\/i>; over <i>De knop<\/i> is niemand ooit te spreken geweest, ook niet toen het stuk in 1977,\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 47]<\/div><p>voorzien van muziek door Willem Breuker, opnieuw werd opgevoerd. Mulisch&#8217; libretto voor de opera <i>Axel<\/i>? \u2018Highbrow kletsica\u2019, dat vond Jos van Leeuwen in <i>De Tijd<\/i> ervan, en Hans Heg sprak in <i>De Volkskrant<\/i> van \u2018zoveel literaire () ballast () dat <i>Axel<\/i> als muziektheater nauwelijks tot leven komt\u2019. Afbrekende commentaren op <i>Axel<\/i> stonden voorts in <i>Trouw, Het Vrije Volk<\/i> en het <i>Nieuwsblad voor het Noorden<\/i>.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Mulisch is zo lang hij publiceert \u2018steevast\u2019 door de kritiek verguisd en veronachtzaamd. Heb ik met deze bewering, die ik staaf met m\u00e9\u00e9r namen en m\u00e9\u00e9r citaten dan waarmee Spaninks <i>zijn<\/i> bewering staaft, gelijk of niet? Welneen. Ik op mijn beurt zou met mijn bewering gossip hebben geleverd.<\/p>\r\n\r\n<h4>5. De g\u00eane<\/h4>\r\n\r\n<p>Hoor, wat Spaninks beweert over <i>De verteller<\/i>: \u2018Er wordt altijd gezegd dat de critici weinig van dit boek begrepen en er zo negatief over schreven dat Mulisch het nodig vond er een commentaar bij te schrijven, <i>De verteller verteld<\/i> (1971). Terugblikkend naar de recensies die over <i>De verteller<\/i> geschreven zijn lijkt me dat op z&#8217;n minst overtrokken.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Hier stelt Spaninks de gossip in het literaire wereldje aan de kaak: \u2018Er wordt altijd gezegd&#8230;\u2019 Alsof datgene wat in dit verband \u2018altijd\u2019 wordt gezegd niet controleerbaar zou zijn of, nadat het (door Spaninks!) gecontroleerd is, zou neerkomen op een vuig verzinsel. De eerste bladzijden van het boek <i>De verteller verteld<\/i> zijn gevuld met een overzicht van de reacties van de Nederlandse kritiek op <i>De verteller<\/i>. \u2018Het glazuur springt van mijn tanden als ik zoiets lees\u2019, schrijft Mulisch naar aanleiding van sommige reacties, waaruit hij fragmenten citeert die er op zodanige wijze niet om liegen, dat Spaninks liegt als hij de lezers van <i>De Volkskrant<\/i> wil laten geloven dat het allemaal \u2018op z&#8217;n minst overtrokken\u2019 is. Wat Spaninks doet, is: suggereren dat er sprake is van gossip door er andere gossip voor de plaats te leveren. Spaninks geschrijf getuigt van loutere kwaadaardigheid. Hij is een slechte polemist, want hij liegt, en hij is een domme polemist, want iedereen die de recensies er op na leest, waaruit in <i>De verteller verteld<\/i> wordt geciteerd, kan bewijzen dat hij liegt. Het is allemaal \u2018op z&#8217;n minst overtrokken\u2019, schrijft Spaninks, want: \u2018K.L. Poll (<i>NRC<\/i>) en Wam de Moor (<i>De Tijd<\/i>) bij\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 48]<\/div><p>voorbeeld hebben zo te zien best wel begrepen waar het in dit complexe boek () om gaat.\u2019 Dat klopt, \u2018zo te zien\u2019, maar kijk, als je boek \u2018vrijwel unaniem\u2019 door een stuk of vijftien critici de grond in wordt geschreven, omdat ze <i>niet<\/i> kunnen vermoeden \u2018waar het om gaat\u2019, en er is daarnaast \u00e9\u00e9n criticus die het een ietwat prijst (Wam de Moor) en \u00e9\u00e9n die schrijft dat zijn reactie \u2018tweeslachtig\u2019 is (K.L. Poll), dan rest toch het feit, \u2018zo te zien\u2019, dat er van \u2018vrijwel unanieme waardering\u2019, \u2018zelfs () voor <i>De verteller<\/i>\u2019 evenveel sprake is als van een kerstboom op pasen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Die \u2018overmaat aan welwillendheid\u2019 voor Mulisch: Spaninks vindt die zo nu en dan zelfs \u2018bijna g\u00eanant\u2019. Bij voorbeeld met betrekking tot de bespreking van Carel Peeters van <i>Het seksuele bolwerk<\/i>. Dat het hier niet gaat om een \u2018literair\u2019 werk van Mulisch, wordt door Spaninks gemakshalve verdoezeld. \u2018Bijna g\u00eanant\u2019 is, dixit Spaninks, dat Peeters van dit boek schrijft dat hij er niet zoveel aan vindt en het \u2018<i>toch<\/i>\u2019 omschrijft als \u2018onderhoudend en ook wel informatief\u2019. Het zit hem, volgens Spaninks, in dat \u2018toch\u2019. Alsof het niet mogelijk is, het oneens te zijn met de teneur van een boek zonder het gelijktijdig te bewonderen om de manier waarop het geschreven is. Als dat zo is, dan is bij voorbeeld ook de \u2018tweeslachtige\u2019 recensie van K.L. Poll van <i>De verteller<\/i> buitengewoon g\u00eanant. Poll geeft in deze recensie lucht aan zijn ergernis: de opzet van het boek is hem te ontoegankelijk, er staan hem te veel clich\u00e9beelden over oorlog en bevrijding in, de karakters van de romanpersonages zijn hem te schimmig en onpersoonlijk. En \u2018<i>toch<\/i>\u2019 is Poll ook \u2018vol bewondering voor de virtuositeit van de constructie, voor de beeldspraak, zelfkennis en kwetsbaarheid, die zijn te vinden in de beschrijving van het verradersidioom, en tevreden met het lezers- en ontdekkersplezier, als er weer een paar stukken uit de warwinkel bij elkaar blijken te passen.\u2019 Ook wat de Mulisch-vreter Komrij schrijft in zijn essay <i>Waarom Harry Mulisch geen echt groot schrijver is<\/i> (in: <i>Papieren tijgers<\/i>) is beschamend van welwillendheid: \u2018Het aanmatigende van (Mulisch&#8217;) autobiografische proza is amusant, zijn pretenties zijn g\u00eanant, zijn logica is vol bluf en schijn\u2019, maar, nu komt het: \u2018zijn leesbaarheid (is)\r\nredelijk\u2019. Ja zelfs, Komrij is een vleierige dweil, schrijft hij om ma\u00eetre Mulisch niet t\u00e8 zeer te kwetsen: \u2018Ik geef toe: bij zoveel ondergrondse tegenstrijdigheden m\u00f3\u00e9t er wel een vonkje talent zijn binnengeslopen; een vonkje dat je nodig hebt om door\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 49]<\/div><p>mystificaties te kunnen verdonkeremanen dat je niet deugt.\u2019 Dit is z\u00e9\u00e9r g\u00eanant. Ook Piet Grijs, nimmer te beroerd om Mulisch tegen de haren in te strijken, merkt in zijn bundel <i>Televisie, psychiaters, computers en andere griezelverhalen<\/i> omtrent Mulisch op dat deze \u2018een zeer verdienstelijk Nederlands schrijver\u2019 is, die weliswaar \u2018na 1970 steeds weer warm water op hetzelfde theezakje giet\u2019 en <i>toch<\/i> de auteur is van \u2018vele zinnen () die hij lief heeft\u2019.<\/p>\r\n\r\n<h4>6. De letterkunde-amateurs<\/h4>\r\n\r\n<p>\u2018De Mulisch-kritiek wemelt van zulke gedachtenkronkels\u2019, schrijft Spaninks. De Nederlandse literaire kritiek wemelt van snertkokers \u00e0 la Spaninks, letterkunde-amateurs die zich in de vreemdste kronkels wringen om in welke-krant-dan-ook te mogen schrijven. Was Spaninks in 1977 een ijverig leerling van de gossipschool van Guus Luyters in <i>Het Parool<\/i>, in 1978 bekeerde hij zich tot de Van Marissinge kwebbelclub in <i>De Volkskrant<\/i>, iedere verandering van stijl en zienswijs uitvoerend met de souplesse van een goedgeoliede windhaan. \u2018Elke literatuur verdient de kritiek die hij verdient\u2019, zo luidt een van Spaninks steetments in een blaadje voor letterkunde-amateurs (<i>Van<\/i>, 1e jaargang, nr. 3), waarmee hij waarachtig suggereert, aangezien hij zich als \u2018criticus\u2019 opwerpt, dat de Nederlandse literatuur uitsluitend door tuinkabouters als hijzelf zou worden vervaardigd. \u2018Maar weinig boekbesprekers zijn zich van hun beperkingen bewust\u2019, zo orakelt hij in een ander blaadje voor letterkunde-amateurs (<i>Plug<\/i>, nr. 8, m\u00e9\u00e9r gegevens zijn mij niet bekend), alsof hijzelf zich wonderwat \u2018bewust\u2019 zou zijn, vooral met betrekking tot zijn \u2018beperkingen\u2019, wat echter niet het geval is, anders zou hij het lef niet hebben de boekbespreker te zijn die hij is. In datzelfde nummer van <i>Plug<\/i> noteert Spaninks inzake wat hij noemt \u2018het bespreekwezen\u2019: \u2018Wat veel uitmaakt is de toon waarop een bespreking is geschreven. Een vlot stukje nodigt eerder uit om het boek te gaan lezen dan een droge uiteenzetting.\u2019 Ik zei het al: liever makkelijk, liever babbelen, liever \u2018vlot\u2019, liever \u2018een stukje\u2019, liever Madurodam. Welkom bij <i>De Volkskrant<\/i> dus, waar de Vrouw Holle van de Nederlandse literatuur, Lidy van Marissing, de pollepel over de\r\nliteratuurbladzijde zwaait. Lidy van Marissing: kalfje van het marxistiese raadselrund Jacq. Firmin Vogelaar, wiens wartaal vrijwel unaniem met bijna g\u00eanante welwillendheid door de\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 50]<\/div><p>Nederlandse literatuurkritiek wordt bejegend. Met Lidy&#8217;s pollepel mag Spaninks thans in zijn modderige snert roeren, en wiens brood men eet (dat is dat brood dat Spaninks hoopt te schijten) diens woord men spreekt. Spaninks: \u2018De enigen () die Mulisch&#8217; literatuuropvatting in twijfel trekken zijn J.F. Vogelaar en Lidy van Marissing\u2019. Hierop volgt een citaat uit een bespreking van J.F. Vogelaar van <i>Het seksuele bolwerk<\/i>, en d\u00e1\u00e1rop volgt een citaat uit de bespreking van Lidy van Marissing van <i>De toekomst van gisteren<\/i>. Nou zeg! Een \u2018huiskamerverzinsel\u2019, dat vond Lidy van Harry&#8217;s boek. Sedertdien mag ze in <i>De Volkskrant<\/i> iedere donderdag een overzicht van de inhoud van de weekbladen schrijven. Gossip! Gossip! Neemt u mij niet kwalijk, lezer. Maar <i>Het seksuele bolwerk<\/i> en <i>De toekomst van gisteren<\/i> behoren toch bij de <i>niet<\/i>-\u2018literaire\u2019 werken van Mulisch? Spaninks is een polemist van lik-me-Lidy: heeft het over \u2018dit\u2019 en put zijn bewijsvoering uit \u2018dat\u2019. Precies volgens de methode van de gossipbaronnen die <i>Story, Mix, Rits, Priv\u00e9<\/i> en aanverwante blaadjes vullen: geef mij een gerucht van \u00e9\u00e9n letter, van die ene letter maak ik een spannend verhaal van zes kolommen en van dat gerucht een niet te kraken Waarheid, \u2018hard gemaakt\u2019 met niet ter zake doend prentwerk. De \u2018literaire\u2019 Mulisch is een glimpieper die door de kritiek is opgekrikt tot een stralende komeet, maar gelukkig hebben Jacq Firmin en Lidy de faam van Mulisch bij tijds kunnen reduceren tot de glans van een blinkend gewreven punaise. Dit zegt Spaninks. Zijn betoog is \u2018hard gemaakt\u2019 met niet ter zake doende citaten uit recensies van werk van de <i>niet<\/i>-\u2018literaire\u2019 Mulisch. Zelfs als snert is het referaat van Spaninks\r\neen onverteerbare hoeveelheid woordkwaksel: Jolly&#8217;s combineerkwark van een gipsen dreumes, rillend in zijn dunne broekje in de natte sneeuw, hengeltje in zijn kouwe knuistje, waarvan het dobbertje in de grote vijver van de literatuur wordt heen en weer gezwiept.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Spaninks windt zich op over de g\u00eanante welwillendheid van de Nederlandse kritiek. Mij is dit uit het hart gesneden, en ikzelf mocht dit al eerder schrijven dan Spaninks, alleen Spaninks voorbeeld, &#8211; \u2018Mulisch\u2019, &#8211; is een uitermate slecht voorbeeld, zoals ik, (met dank aan professor doctor Gerrit Borgers voor zijn g\u00eanant welwillende medewerking) enigszins overtuigend heb aangetoond. Mulisch terzijde nu. Wij zien hem in zijn rode Volvo, het glazuur van zijn tanden stralend in een brede lach, de richting\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 51]<\/div><p>van het Muiderslot in slaan, waarvan de slotgracht, speciaal voor hem, die er de P.C. Hooftprijs zal ontvangen, is volgegooid met critici.<\/p>\r\n\r\n<h4>7. Het seksisme<\/h4>\r\n\r\n<p>Een beter voorbeeld ter illustratie en bekrachtiging van zijn ergernis zou Spaninks hebben verstrekt als hij als onderwerp van zijn schrijfsel het literaire werk van Hannes Meinkema had genomen. Is het niet zo, dat de \u2018vrijwel unanieme\u2019 liefheid waarmee haar literaire werk van stond af aan door de kritiek is gekoesterd Hannes Meinkema een faam heeft bezorgd die verre van in overeenstemming is met de kwaliteit van haar literaire werk? Hannes Meinkema ware voor Spaninks nu precies het voorbeeld geweest van een slecht schrijvend auteur van als \u2018literatuur\u2019 gepresenteerd en <i>dus<\/i> met applaus van ontzag ontvangen werk. De \u2018literatuur\u2019 van Hannes Meinkema is wat er in een uitgeblazen ei zit. Dat Hannes Meinkema \u2018literatuur\u2019 zou produceren is: gossip. Hannes Meinkema beheerst haar Nederlands niet, zij heeft geen benul van stijl, noch van compositie, noch van wat-dan-ook dat benodigd is om al was het maar <i>in schijn<\/i> literatuur voort te brengen. Iedere bladzij uit het literaire werk van Hannes Meinkema is een klap in het gezicht van de literatuurliefhebber en \u2018<i>toch<\/i>\u2019 is Hannes Meinkema een prototype van een door \u2018de kritiek\u2019 verwend en over het paard getild auteur. In zekere zin is het zelfs zo, dat Hannes Meinkema door \u2018de kritiek\u2019, die haar recht naar de sterren heeft geprezen, botweg gesproken besodemieterd is. Hannes Meinkema begon de gossip die over haar de ronde deed z\u00e8lf te geloven. Nu zij bittere tranen schreit (in: <i>De Tijd<\/i>, 1 december 1978) over het feit dat \u2018de kritiek\u2019 haar vanwege haar roman <i>Het binnenste ei<\/i> \u2018vrijwel unaniem\u2019 heeft laten vallen, wijt zij die ontrouw van \u2018de kritiek\u2019 aan van alles en nog wat, aan \u2018seksisme\u2019 bij voorbeeld, behalve aan datgene waaraan zij het <i>werkelijk<\/i> zou moeten\r\nwijten: het feit dat zij haar zoveelste abominabele boek heeft geschreven, dat evenveel met \u2018literatuur\u2019 te maken heeft als Pierre Spaninks met \u2018kritiek\u2019, te weten: geen bal. Dat Meinkema&#8217;s flutroman <i>Het binnenste ei<\/i> met unanieme eensgezindheid onder de zoden is gespit, is rechtvaardig en terecht, billijk, passend en heilzaam. Haar roman <i>Het binnenste ei<\/i> verdiende echter, nog erger, te worden doodgezwegen, terwijl het eerder verschenen werk van Meinkema, vanaf haar\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 52]<\/div><p>debuut <i>De maaneter<\/i> (1974), van meet af aan met de allerstrengste bewoordingen had moeten worden afgewezen als literatuur. Daar dit laatste niet is gebeurd, integendeel, er was steevast sprake van welwillendheid en aanmoediging, gepaard gaande met interviews e.d. &#8211; heeft zulks thans het eerste onmogelijk gemaakt: niet Meinkema heeft van zichzelf, maar \u2018de kritiek\u2019 heeft van Meinkema een \u2018literair\u2019 auteur gemaakt. Haar schreien wordt door mij goed begrepen en mijn medelijden met haar is oprecht, men gelieve mij te geloven. Hannes Meinkema is de zielige dupe van de beunhazerige, inzichtloze, incompetente, zielige snertkritiek van deze zeventiger jaren.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wie hiervan ongetwijfeld niets zal begrijpen, is Pierre Spaninks. E\u00e9n week na zijn kwarkstuk dat handelde over de Mulisch zogenaamd steevast unaniem toegevallen g\u00eanante welwillendheid, bespreekt Spaninks (<i>De Volkskrant<\/i>, 18 november 1978) met niet meer g\u00eanant maar nu al ongegeneerd te noemen dienstvaardigheid <i>Het binnenste ei<\/i> van Meinkema. \u2018Over Hannes Meinkema en de kritiek valt nog wel meer op te merken\u2019, schrijft onze recensent, nadat hij Aad Nuis aan het oor heeft getrokken, omdat Aad Nuis, eindelijk, eindelijk, bij het uitlepelen van Meinkema&#8217;s ei een boosheid in zichzelf had voelen ontstaan, die hem ertoe dreef Meinkema&#8217;s roman aan barrels te hakken. <i>Wat<\/i> er dan nog meer over Hannes Meinkema en de kritiek valt op te merken, wordt de lezer van <i>De Volkskrant<\/i> door Spaninks onthouden. Andermaal: gossip-schrijverij is de schrijverij van het suggesties-wekken. De suggestie die wordt gewekt, is, dat \u2018Meinkema en de kritiek\u2019 het negatieve beeld vertoont van \u2018Mulisch en de kritiek\u2019. Meinkema wordt door druiloren als Nuis steevast ten onrechte miskend, gehoond en oninteressant gevonden. Gelukkig is Spaninks er nog! Het water in met hem! In zijn recensie van <i>Het binnenste ei<\/i> heeft Spaninks het over \u2018gevoelige waarnemingen\u2019 en over \u2018vrij klassieke verteltrant\u2019 en zo: &#8211; hij heeft het over de gevoeligheid en de klassiekheid van een namaakru\u00efne. En <i>toch<\/i> is het zo&#8217;n onbeschrijflijke warboel in dat binnenste ei, dat ook (zelfs) Spaninks er geen beslagje van kan kloppen. Hij schrijft: \u2018Hoe precies het verband ligt\u2019 (tussen dit en iets anders, daarom gaat het nu niet. J.B.) \u2018kan ik niet reconstrueren\u2019. Maar, zo vervolgt hij, \u2018misschien moet je er een vrouw voor zijn en kun je het dan aanvoelen\u2019, en zo voort. Als dat\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 53]<\/div><p>geen seksisme is, ben ik een omelet. Misschien moet je een vrouw zijn om te kunnen aanvoelen wat Spaninks niet kan reconstrueren. Hoe welwillend! Spaninks begrijpt van Meinkema&#8217;s roman zoveel als een struisvogel begrijpt van ruimtevaart, maar geeft als oorzaak daarvan gaarne op dat hij niet een vrouw is, en besluit zijn recensie met de verontwaardigde uitroep: \u2018Hoe bestaat het dat Aad Nuis zo iets \u201coninteressant\u201d vindt\u2019. Spaninks: voorbeeld van een recensent die door het boek is opgevreten. Lid van het plaatselijke reumacentrum die de scheve koprol van een zijner medepati\u00ebnten bejubelt als een ontzagwekkende gymnastische prestatie, maar van de evenwichtskunstenaar op het touw in de nok vindt dat hij allang op zijn gezicht in het zand had moeten liggen. Spaninks: hopen doet hij dat hij ooit een brood zal schijten. Spaninks: binnenkort P.C. Hooftprijs voor de kritiek. Arme, arme Hannes Meinkema.<\/p><\/div><div class=\"wp-block-column dbnl-rechts is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:33.33%\"><div id=\"noten-apparaat\"><div class=\"interp\">\n<h3>Over dit hoofdstuk\/artikel<\/h3>\n<p><label>auteurs<\/label><\/p>\n<p> <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=brou033\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">Jeroen Brouwers<\/a><\/p>\n<p>over  <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=muli002\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">Harry Mulisch<\/a><\/p>\n<br>\n<\/div><\/div><\/div><\/div>","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[p. 40] Jeroen Brouwers Kladboek IV &#8230;In de hoop dat hij een brood zal schijten Pierre Spaninks en de gossip-schrijverij 1. De luizen Harry Mulisch heeft de pest aan critici. \u2018Veel kritici moeten in het water geworpen worden\u2019 (Manifesten, 1958). In Twee vrouwen (1975) komt de kriticus Alfred Boeken voor, over wie dit versje wordt&#8230; <a class=\"more-link\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/\">Lees verder <span class=\"read-more-arrow\"><\/span><\/a><\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","class_list":["post-300967","dbnl","type-dbnl","status-publish","hentry"],"acf":[],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO plugin v26.4 - https:\/\/yoast.com\/wordpress\/plugins\/seo\/ -->\n<title>Jeroen Brouwers Kladboek IV &#183; Uitgeverij Van Oorschot<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"Jeroen Brouwers Kladboek IV &#183; Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"[p. 40] Jeroen Brouwers Kladboek IV &#8230;In de hoop dat hij een brood zal schijten Pierre Spaninks en de gossip-schrijverij 1. De luizen Harry Mulisch heeft de pest aan critici. \u2018Veel kritici moeten in het water geworpen worden\u2019 (Manifesten, 1958). In Twee vrouwen (1975) komt de kriticus Alfred Boeken voor, over wie dit versje wordt... Lees verder\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"article:modified_time\" content=\"2021-06-04T13:18:30+00:00\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"24 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\/\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/\",\"name\":\"Jeroen Brouwers Kladboek IV &#183; Uitgeverij Van Oorschot\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\"},\"datePublished\":\"1978-12-31T23:00:07+00:00\",\"dateModified\":\"2021-06-04T13:18:30+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"DBNL\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"Jeroen Brouwers Kladboek IV\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\",\"name\":\"Uitgeverij Van Oorschot\",\"description\":\"\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"Jeroen Brouwers Kladboek IV &#183; Uitgeverij Van Oorschot","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"Jeroen Brouwers Kladboek IV &#183; Uitgeverij Van Oorschot","og_description":"[p. 40] Jeroen Brouwers Kladboek IV &#8230;In de hoop dat hij een brood zal schijten Pierre Spaninks en de gossip-schrijverij 1. De luizen Harry Mulisch heeft de pest aan critici. \u2018Veel kritici moeten in het water geworpen worden\u2019 (Manifesten, 1958). In Twee vrouwen (1975) komt de kriticus Alfred Boeken voor, over wie dit versje wordt... Lees verder","og_url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/","og_site_name":"Uitgeverij Van Oorschot","article_modified_time":"2021-06-04T13:18:30+00:00","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"24 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/","name":"Jeroen Brouwers Kladboek IV &#183; Uitgeverij Van Oorschot","isPartOf":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website"},"datePublished":"1978-12-31T23:00:07+00:00","dateModified":"2021-06-04T13:18:30+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jeroen-brouwerskladboek-iv\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"DBNL","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"Jeroen Brouwers Kladboek IV"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/","name":"Uitgeverij Van Oorschot","description":"","potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"}]}},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl\/300967","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/dbnl"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=300967"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=300967"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}