{"id":301168,"date":"1981-01-01T00:00:19","date_gmt":"1980-12-31T23:00:19","guid":{"rendered":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/"},"modified":"2021-07-08T12:52:36","modified_gmt":"2021-07-08T11:52:36","slug":"jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken","status":"publish","type":"dbnl","link":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/","title":{"rendered":"Jaap Goedegebuure\r\n\r\nHet ondenkbare denken"},"content":{"rendered":"<div class=\"wp-block-columns alignwide is-layout-flex wp-container-core-columns-is-layout-9d6595d7 wp-block-columns-is-layout-flex\"><div class=\"wp-block-column dbnl-links is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:66.66%\">\r\n\r\n <interp type=\"primair\" value=\"goed004\"><\/interp><interp type=\"secundair\" value=\"muli002\"><\/interp><div class=\"pb\">[p. 130]<\/div>\r\n<h2 class=\"bottom-small-margins\">[Tirade maart 1981]<\/h2>\r\n\r\n<a name=\"16\"><\/a>\r\n<h3>\r\n<i>Jaap Goedegebuure<\/i>\r\n\r\n<br>\r\nHet ondenkbare denken<\/h3>\r\n\r\n<p>Aangeland bij de introductie van het verschijnsel van de octave harmonie, dat als \u2018oerfenomeen\u2019, door een \u2018canon\u2019 (formele afbeelding van de octaviteit) gerepresenteerd, het fundament vormt waarop <i>De compositie van de wereld<\/i> berust, schrijft Harry Mulisch op pag. 108 van het gelijknamige boek: \u2018Zo is het unieke tegelijk het universele en het onverklaarbare, dat in het verklarende veranderd moet worden.\u2019 Wat verder heet het dat wat \u2018in strikte zin alleen geldt voor het octaaf () in wijdere zin de procedure is van alle kunst.\u2019 Uit de centrale plaats van de octaviteit in Mulisch&#8217; conceptie (waarover hierna meer) en het verband dat gelegd wordt tussen dit tot principe verheven fenomeen en de kunst, valt af te leiden dat <i>De compositie van de wereld<\/i> niet langs rationeel-wetenschappelijke weg tot stand gekomen is, maar via <i>de<\/i> methode van alle kunst: de verbeelding. Wie de wereld in de eerste plaats beschouwt als een raadsel dat opgelost en een chaos die geordend moet worden, doet een beroep op creatieve (door Mulisch zelf impliciet beschouwd als bij uitstek menselijke) vermogens. Wie alle elementen uit de hem omringende werkelijkheid tot een samenhangend geheel wil componeren, gedraagt zich als (her)schepper. \u2018Und das ist all mein Dichten und Trachten, dass ich eins dichte und zusammentrage, was Bruchst\u00fcck ist und R\u00e4tsel und grauser Zufall. Und wie ertr\u00fcge ich es Mensch zu sein, wenn der Mensch nicht auch Dichter und R\u00e4tselrater und Erloser des Zufalls w\u00e4re?\u2019 (Nietzsche, <i>Ecce homo<\/i>).<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Natuurlijk sluit artisticiteit systematiek niet uit, en komen veel wetenschappelijke ontdekkingen langs intu\u00eftief-creatieve weg tot stand. Daarom is het merkwaardig dat Mulisch in het voorwoord van zijn boek de scheidslijn tussen wetenschap en kunst lijkt te zien in het al dan niet systematische. Hij kiest uitdrukkelijk voor de systematiek en zakelijkheid,\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 131]<\/div><p>\u2018met schema&#8217;s en voetnoten en al: een zwierig \u201cessay\u201d, vol spot, meesmuilende gewiekstheid en verrassende vergelijkingen, zal men hier niet aantreffen.\u2019 Toch voegt hij daar onmiddellijk aan toe: \u2018De \u201cverrassende vergelijkingen\u201d komen op een heel andere manier aan bod, want de hele onderneming is inhoudelijk al de kunst als filosofie, de filosofie als kunst, &#8211; zonder overigens zoiets als een \u201ckunstenaarsfilosofie\u201d te zijn, waarvoor de hemel ons beware, want dat is het ergste van alles.\u2019 (p. 17)<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De wetenschappelijk-aandoende presentatie is gebaseerd op strategische overwegingen, die Mulisch zijn ingegeven door de angst dat hij juist ditmaal niet serieus genomen zal worden vanwege zijn letterkundig verleden. \u2018Had ik het meeslepend geschreven, wat eventueel ook had gekund, dan zou dat als een boemerang naar het boek zijn teruggekeerd: met dodelijke zekerheid was het dan afgeschoven naar de schone letteren, waar het niet thuishoort, ten einde het onschadelijk te maken op het terrein waar het thuishoort. () Deze esthetische ontsnapping wil ik hier niemand laten.\u2019 (p. 17-18)<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Deze negatief geformuleerde <i>captatio benevolentiae<\/i>, die haast als imperatief uitpakt (\u2018Gij zult dit boek niet als artistiek opvatten\u2019) is strategisch gezien vooral gericht op een kleine groep specialisten, filosofen van professie, door wie Mulisch kennelijk als gelijke geaccepteerd wil worden. Ik begrijp deze bescheiden, haast onderdanige houding niet, vooral niet omdat er (afgezien van schema&#8217;s en voetnoten) compositorisch en stilistisch niet in wordt volhard. Het zou hetzelfde zijn wanneer Mulisch, die bij herhaling zijn gruwelijke hekel aan de gemiddelde literatuurbeschouwer van professie heeft bekend, zou verklaren dat hij een strategie ontwikkeld had om serieus genomen te worden door docenten Nederlands aan middelbare scholen en universiteiten. \u2018Soms kroop het bloed ook formeel waar het niet gaan kan, maar dat heb ik rigoureus iedere keer weggeboend, want hier kan het inderdaad niet gaan\u2019 (p.17) schrijft hij, daarmee als zwakte excuserend wat nu juist de kracht van <i>De compositie van de wereld uitmaakt<\/i>: visie, verbeelding en de flits van het creatieve inzicht.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Toegegeven: dit boek is absoluut <i>unzeitgem\u00e4ss<\/i>, een dwars tegen de geest van deze eeuw ingaand anachronisme. In een in de volgende aflevering van <i>Tirade<\/i> te publiceren artikel \u2018Boeddha en Prometheus\u2019 schrijft P.H.F. Laux-<\/p><div class=\"pb\">[p. 132]<\/div><p>termann naar aanleiding van Poppers kritiek op het historicisme, dat het zoeken naar wetmatigheden in de geschiedenis een zin en een (eind)doel impliceert, en hij aarzelt niet dit streven de grote verleiding en pervertering van het werkelijk historisch denken te noemen. Speculatieve filosofische en historische concepties (Spengler, Toynbee) zijn sinds de wetenschappelijke revolutie van de negentiende eeuw steeds meer terecht gekomen in de hoek van pseudo-wetenschap en anti-rationalistische en anti-technologische ideologie. Ik vermoed dat Lauxtermann <i>De compositie van de wereld<\/i> nog niet kende toen hij zijn artikel schreef, maar het zou me niet verbazen dat hij het boek zou verwerpen op grond van zijn bezwaren tegen het historicisme. En toch zou dat niet geheel terecht zijn. Het historisch denken van Mulisch is inderdaad finalistisch bepaald, maar het is bepaald niet chiliastisch te noemen in die zin dat hij omtrent het eind van de geschiedenis bepaalde <i>heils<\/i>verwachtingen koestert; integendeel: hij voorspelt ons het einde van de mensheid binnen een half millennium. Het verwijt van pseudo-wetenschappelijkheid valt hem misschien te maken als men zich concentreert op de eclectische en eigenzinnige manier waarop hij met de resultaten van de moderne natuurwetenschappen omspringt, maar een ideoloog is hij hier allerminst, en anti-rationeel evenmin. Het bijzondere is nu juist dat hij probeert rationeel en irrationeel denken binnen \u00e9\u00e9n systeem te synthetiseren (zelf gebruikt hij de term <i>codificeren<\/i> wat doet denken aan <i>legitimeren<\/i>).<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In het willen verzoenen van strijdige richtingen in de kennisleer schuilt het paradoxale van <i>De compositie van de wereld<\/i>, maar niet alleen daar. Een boek waarvan de these gefundeerd is op het paradoxale oerfenomeen van de octave harmonie, is in deze tijd van strakke scheiding tussen wetenschap en kunst een paradox op zich, en als zodanig kan het dan ook alleen nog maar door een schrijver (om niet te zeggen: een dichter) geconcipieerd worden.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De noodzakelijke rechtvaardiging van paradoxen vormt de \u2018logische\u2019 premisse waarmee Mulisch zijn wijsgerig-anthropologisch magnum opus opent; het eerste van de zeven boeken waarin <i>De compositie van de wereld<\/i> is verdeeld, bestaat uit een polemiek met Aristoteles, aartsvader van de rationele logica, die de paradox nu juist wilde uitbannen met behulp van\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 133]<\/div><p>het <i>principium contradictionis<\/i>, het beginsel van de (verboden) tegenspraak: \u2018Het is niet mogelijk dat een uitspraak en zijn ontkenning beide waar zijn\u2019. De moeilijkheid voor de logica van Aristoteles tot Popper, zo toont Mulisch m.i. zeer juist aan, is dat er op deze wijze geen greep te krijgen valt op de fenomenen <i>beweging<\/i> en <i>verandering.<\/i> Als beroemd voorbeeld haalt hij een van Zeno&#8217;s aporie\u00ebn aan: \u2018de vliegende pijl staat stil\u2019. Het is logisch niet denkbaar wat empirisch waarneembaar is, nl. dat een voorwerp op een bepaalde plaats is, maar ook niet op die plaats omdat het op weg is naar een ander plaats. Stap voor stap geredeneerd ziet deze paradox er zo uit:<\/p>\r\n\r\n<table class=\"list\">\n<tr class=\"list-item-container\" id=\"\">\n<td class=\"list-label\" id=\"\">(1)<\/td>\n<td class=\"list-item\">Het bewegende beweegt niet op de plaats waar het is, noch beweegt het op de plaats, waar het niet is.<\/td>\r\n<\/tr>\n<tr class=\"list-item-container\" id=\"\">\n<td class=\"list-label\" id=\"\">(2)<\/td>\n<td class=\"list-item\">Maar het beweegt.<\/td>\r\n<\/tr>\n<tr class=\"list-item-container\" id=\"\">\n<td class=\"list-label\" id=\"\">(3)<\/td>\n<td class=\"list-item\">Dus is het niet op een plaats.<\/td>\r\n<\/tr>\n<tr class=\"list-item-container\" id=\"\">\n<td class=\"list-label\" id=\"\">(4)<\/td>\n<td class=\"list-item\">Maar het is op een plaats.<\/td>\r\n<\/tr>\n<tr class=\"list-item-container\" id=\"\">\n<td class=\"list-label\" id=\"\">(5)<\/td>\n<td class=\"list-item\">Dus is het op de plaats, waar het niet is: het is niet op de plaats waar het is.<\/td>\r\n<\/tr>\n<\/table>\n<p>Beweging is onderhevig aan wat Mulisch wat verwarrend het beginsel van de tegenspraak noemt, maar dat in de afkorting van de Latijnse vertaling (<i>principium adversationis<\/i>), PA, verwijst naar de paradox. Het is dit PA dat ook Heraclitus&#8217; \u2018wij zijn en wij zijn niet\u2019 behelst, waartegen Aristoteles zijn PC formuleerde als <i>morele<\/i> machtsspreuk. Redenerend met het PC zou men ook geen vat kunnen krijgen op het electron dat zowel deeltje als golf is (p. 56-57).<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het is nu juist het ondenkbare van beweging en verandering dat gedacht <i>moet<\/i> worden, wil men de wereld in zijn greep krijgen, en daartoe bedient Mulisch zich van een nog krachtiger machtsspreuk die PA en PI (het principe van de identiteit: een uitspraak is alleen waar als die uitspraak waar is) met elkaar verzoent. Omdat het PA betrekking heeft op empirisch waarneembare <i>feiten<\/i> waar met logische <i>uitspraken<\/i> niets zinnigs over te zeggen valt, en het PI op het terrein van de formeel-logische semantiek ligt, worden overeenkomst en tegenstelling overkoepeld door het \u2018eppure\u2019 (van Galilei&#8217;s \u2018eppur si muove\u2019, en toch <i>beweegt<\/i> ze, uitgesproken nadat hij door de inquisitie gedwongen was tot herroeping van zijn conclusie dat niet de zon om de aarde, maar de aarde om de zon draaide), dat \u2018zowel de relaties\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 134]<\/div><p>tussen uitspraken als de relaties tussen feiten\u2019 beheerst, \u2018terwijl het zelf bovendien de tweedegraadsrelatie is tussen de relaties tussen uitspraken en die tussen feiten. De concretisering van deze legitimatie [hier doet de macht zich gelden, evenals in het geval van Aristoteles, J.G.], waarvan de plaats nog unieker is dan eerder die van het PC, zal niet alleen een uitspraak moeten zijn, maar bovendien een (empirisch) feit. Voor zo ver het een uitspraak is, zal het overeenkomen met Aristoteles&#8217; pure machtsspreuk, het PC, maar voor zo ver het ook een feit is, zal het er van verschillen en in dezelfde mate <i>sterker<\/i> zijn &#8211; hetgeen noodzakelijk is, want het moet <i>ook<\/i> het PC constitueren, maar bovendien in sommige gevallen het PA, zoals allereerst het PA <i>in<\/i> het PC, &#8211; en verder de sub-beginselen.\u2019 (p. 98-99)<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Dit <i>eppure<\/i> is een relationele feit-uitspraak, die als uitspraak logische \u00e8n empirische waarheden en onwaarheden legitimeert, en als feit in de werkelijkheid bestaat als de muzikale octaviteit. Essentieel voor een octaaftoon is dat hij overeenkomst en verschil met zijn grondtoon laat horen: \u2018het is hetzelfde en niet hetzelfde\u2019 riep Mulisch dan ook extatisch uit toen hij dit, bij toeval enkele toetsen van de piano aanslaand, voor de eerste maal waarnam (p. 190). Dertig jaar later voltrekt hij met behulp van twee sinusgeneratoren het oerfenomeen, dat in zijn formele afbeelding de canon representeert waarop de compositie van de wereld is gegrondvest. Terwijl de eerste generator constant de grondtoon aanhoudt, wordt de geluidsfrequentie van de tweede generator verhoogd tot het octaaf van de grondtoon is bereikt. Parellel aan de zeven trappen van de stamtoonladder onderscheidt Mulisch in dit fenomeen zeven stadia, in de canon als volgt aangeduid: 1. Basis (statisch) 2. Masker (pseudo-statisch, omdat de beweging naar het octaaf zich hier begint te voltrekken) 3. Descendentie (dynamisch, op weg naar de mutatie, maar met de identiteit nog duidelijk achter zich) 4. knoop (een pseudo-dynamische grootheid, die zich precies tussen de identiteit van grondtoon en octaaf bevindt) 5. Destinatie (spiegelbeeld van 3, dynamisch, met de identiteit v\u00f3\u00f3r zich) 6. Horizon (de identiteit van grondtoon is hier verloren, terwijl die van het octaaf onbereikbaar lijkt) 7. Mutatie (waarin de harmonie tussen grondtoon en octaaf ontstaat; <i>vanuit<\/i> octaaf wordt de grondtoon \u2018herkend\u2019, <i>in<\/i> het octaaf wordt het hele \u2018veld\u2019 opgenomen, en in deze \u2018primaire\u2019 en \u2018secundaire\u2019 beweging wordt de octa-<\/p><div class=\"pb\">[p. 135]<\/div><p>viteit als \u00e9\u00e9n geheel geconsitueerd. Stilstand en beweging, identiteit en verandering zijn op deze wijze in \u00e9\u00e9n sluitend \r\nverband gebracht. In de organische combinatie van overeenkomst en verschil is het oerfenomeen alleen vergelijkbaar met de \u2018volkomen disharmonie van de paradox\u2019 die ook de volmaaktste harmonie is; het is in Mulisch&#8217; visie juist de paradox die moet oplossen en verklaren. Het bijzondere van de canon, ook wel \u2018de wereldformule\u2019 genoemd, is dat alle verschijnselen: ontstaan en ontwikkeling van het heelal, biologische evolutie, de existentie van het individu etc. \u2018verklaard\u2019 er mee kunnen worden, tot in het futuristisch-speculatieve toe.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Voor de houding die men tegenover dit ingenieus bedachte en uitgewerkte systeem inneemt komt het er op aan of men Mulisch wil volgen in het accepteren van het oerfenomeen als de allesbeheersende feit-uitspraak of dat men zijn vondst afdoet als al te speculatief. Weliswaar geeft hij zelf al de mogelijke punten van kritiek die er van verschillende richtingen tegen in gebracht kunnen worden en probeert die ook te ondervangen, maar mij lijkt dat allesbehalve afdoende. Ik kan me levendig voorstellen welke bezwaren uit de hoek van de formele logica zullen komen. Door stapsgewijs-redenerend de paradox te rechtvaardigen als middel om uitspraken over de werkelijkheid te doen, heeft Mulisch zich uitdrukkelijk op het terrein van de logici begeven, en door zich van een geformaliseerde symbolentaal te bedienen geeft hij te kennen dat hij zich bij het leggen van zijn kentheoretisch fundament methodologisch bij hen aansluit. Daaruit had hij dan ook de consequentie moeten trekken door geheel af te zien van een metaforische stijl. Zo introduceert hij in deze fase bv. als sub-beginsel het <i>principium extinctionis<\/i>: \u2018Het is mogelijk dat twee tegengestelde feiten elkaar vernietigen\u2019, en van \u2018deze annihilistische tegenstelling, die zichzelf opheft\u2019 geeft hij als voorbeelden: twee personen die elkaar in een duel of in twee auto&#8217;s gezeten doden, een kamikaze-piloot die zich met zijn vliegtuig op de vijand stort, het zichzelf vernietigende politieke terrorisme, etc. (p. 90). Nu vind ik \u2018zichzelf vernietigen\u2019 een wat slordige en ongenuanceerde manier van uitdrukken; bij de genoemde voorbeelden blijven immers lijken en wrakken, en derhalve ten opzichte van hun oorspronkelijke status gemodificeerde feiten over. Maar Mulisch heeft deze tour de force nodig om de annihilistische tegenstellingen als \u2018absolute re\u00eble tegen-<\/p><div class=\"pb\">[p. 136]<\/div><p>stellingen\u2019 parallel te laten lopen met de contradicties als \u2018absolute \r\nlogische tegenstellingen\u2019, op die manier alvast de verbinding van feiten en uitspraken door het <i>eppure<\/i> voorbereidend. Als dat eenmaal gebeurd is kan hij rustig feiten en eigen uitspraken in zijn onnavolgbare analoge redeneertrant verbinden: \u2018Op een essenti\u00ebler manier is de denkvorm van het pE uitsluitend te vinden in de oosterse wijsbegeerte. Het japanse <i>kamikaze<\/i> heeft hier ongetwijfeld mee te maken, en ook dat de japanners een vooraanstaande rol spelen in het moderne terrorisme.\u2019 (p. 145)<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Op de meest fundamentele manier wreekt dit taalgebruik zich ten aanzien van de <i>primum movens<\/i> van Mulisch&#8217; theorie, het oerfenomeen van de octaviteit. Zoals gezegd, gaat het hier om een <i>feit<\/i>, waar te nemen via het gehoor, en in zijn paradoxale status van gelijkheid en verschil onverklaarbaar voor de rationele logica. Nu zegt Mulisch dat dit feit \u2018<i>uitsluitend mensen aanspreekt<\/i>, en wel <i>alle<\/i> mensen\u2019. (p. 104) Dat hij op grond daarvan de mens weer een plaats geeft in het middelpunt van de kosmos (waaruit N.B. Galilei hem had verdreven!) laat ik maar even rusten; het is me er nu om te doen dat een feit dat mensen <i>aanspreekt<\/i> (d.w.z. een bepaalde reactie te weeg brengt) voor Mulisch kennelijk een <i>uitspraak<\/i> is<a href=\"#042\" name=\"042T\"><span class=\"notenr\">1.<\/span><\/a>. Zo geredeneerd is er wel meer dat mensen aanspreekt: hitte, koude, honger etc. Maar pas wanneer men in talige mededelingen reageert op datgene waardoor men aangesproken is, is er een uitspraak, bv.: \u2018het is hetzelfde en niet hetzelfde\u2019, als men &#8211; zoals Mulisch &#8211; wordt geconfronteerd met de octave harmonie. D\u00e9 <i>feituitspraak<\/i> als \u00e9\u00e9n geheel bestaat slechts door een machtswoord, \u2018een artistiek-esthetische terreurdaad\u2019 (p. 131) en door er in dergelijke termen over te spreken geeft Mulisch al aan dat hij de bezwaren van de (door hem trouwens als ontoereikend beschouwde) logica aan zijn laars zal lappen. Maar ik blijf erbij dat hij zich allerlei terechte kritiek had kunnen \r\nbesparen door niet te werken met de vage, half psychologistische, half-metaforische term <i>aanspreken<\/i>, om in plaats daarvan, en in overeenstemming met inzichten uit de semiotiek, de octaviteit te beschrijven als een feit dat tegelijkertijd <i>teken<\/i> is met een geheel eigensoortige en gecompliceerde structuur. Daarmee was de sprong van oerfenomeen naar canon niet minder vervaarlijk geweest, want de formalisering zou op dezelfde analoge manier tot stand zijn gebracht, maar het dubieuze stuivertje wisselen tussen <i>aanspreken<\/i> en\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 137]<\/div><p>\r\n<i>uitspraak<\/i> was in ieder geval vermeden. Het zijn de aan het karakter van de taal inherente problemen van betekenissen en bijbetekenissen die ooit hebben geleid tot de formele logica. Het kenmerkt natuurlijk de <i>schrijver<\/i> Mulisch, die in de taal in zijn element is, dat hij niet in kan stemmen met de bedenking dat de taal die zich evolutionair heeft gevormd op grond van ervaringen met de macrowereld niet bruikbaar is voor de microwereld (n.a.v. het electron als golf en\/of deeltje, p. 56 e.v.). Met de relativiteitstheorie en de vierde dimensie formuleerde Einstein het ondenkbare, maar Mulisch is geen taalkundige Einstein en houdt zich aan het overgeleverd en toereikend geachte instrumentarium. Voor hem geldt dus mutatis mutandis hetzelfde als wat de door hem n. av. de golf\/deeltjeskwestie geciteerde Heisenberg opmerkt in <i>Das Naturbild der heutigen Physik<\/i>: \u2018Die wissenschaftliche Methode des Aussonderns, Erkl\u00e4rens und Ordnens wird sich der Grenzen bewusst, die ihr dadurch gesetzt sind, das der Zugriff der Methode ihren Gegenstand ver\u00e4ndert und umgestaltet, dass sich die Methode also nicht mehr von Gegenstand distanzieren kann. Das naturwissenschaftliche Weltbild h\u00f6rt damit auf, ein eigentlich naturwissenschaftliches zu sein.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Mulisch had er beter aan gedaan zich radicaal van de logica af te keren, in plaats van zich er zo ambivalent tegenover op te stellen, en steun te zoeken bij denkers die met de creatieve verbeelding die zich van taal bedient meer affiniteit hebben. Op pag. 212 wordt een terzijde ingelast over het onderscheid dat Spinoza maakte tussen de \u00e9\u00e9rste kennisbron, de <i>scientia intuitiva<\/i>, en het rationele denken, en het is vooral om het epistomologisch postulaat van de intu\u00eftie dat hij later in kunstenaarskringen (men denke slechts aan Gorter en Verwey) zo aansloeg. Hetzelfde geldt voor Bergson, die door Mulisch niet eens wordt genoemd; en dat terwijl Bergson zich zo intensief verdiept heeft in de evolutie, in het bijzonder die van de mens, beschouwd onder het aspect van de <i>homo faber<\/i>, die zich werktuigen schept om de materie te bewerken. Het is juist een verwante notie van \u2018\u00e9volution cr\u00e9atrice\u2019 die een uiterst belangrijke rol speelt in de uitwerking van <i>De compositie van de wereld<\/i>, en die aanleiding geeft tot menig staaltje van essayistisch-creatief \u2018schouwen\u2019, bv. over \u2018het christelijk patroon van de techniek\u2019 (p. 230-231) waarbij Mulisch uitgaat van het kruis.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 138]<\/div>\r\n<p>Het gemis van Bergsons inzichten laat zich bv. pijnlijk voelen wanneer Mulisch, constaterend dat het rationalisme nooit greep kan krijgen op de voortgaande tijd waarin verandering plaats vindt (p. 46), zich de kans laat ontglippen de statische en kwantificeerbare <i>temps<\/i> met de dynamische <i>dur\u00e9e<\/i> te confronteren; een begrippenpaar dat Bergson ontwikkelt n.a.v. Zeno&#8217;s vliegende pijl die stilstaat.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">\r\n<i>De compositie van de wereld<\/i> omvat de geschiedenis van 2500 jaar wijsbegeerte als een octaviteit op zich, een sluitend geheel waarin Mulisch als laatste fase in de apex prijkt. Het opvallende is dat hij met zijn eclectische manier van materiaal vergaren (die in de hele uitwerking natuurlijk zeer duidelijk zijn sporen heeft nagelaten) een voorkeur heeft voor de systematici onder de filosofen, zij die de wereld of in ieder geval de menselijke existentie herleiden tot \u00e9\u00e9n of meer kernelementen, en hun bevindingen vastleggen in een overzichtelijk schema. Zo maakt hij gebruik van de Griekse natuurfilosofen (de in paradoxen sprekende Heraclitus, Pythagoras die de primaire harmonie van de octaviteit formuleerde in de getalsverhouding 1:2 en daarmee de natuurwetenschappen grondvestte, en Zeno), maar niet van moralisten als Socrates en de sto\u00efcijnen; van de middeleeuwse scholastici, maar niet van de mystieken; van Leibniz, maar niet van Rousseau, van dialectici (die zich bij uitstek met <i>verandering<\/i> bezighielden) als Hegel en Marx maar niet van Nietzsche. Opvallend is ook dat hij de existentiefilosofie van Heidegger en Sartre haar vormeloosheid verwijt, en &#8211; zoals ik al aantoonde &#8211; in zijn formalistische redeneertrant aanleunt tegen de neopositivisten.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Een ander voorbeeld van die systeemdwang: Mulisch stelt dat de zeven stadia van de octaviteit niet verward mogen worden met de stamtoonladder, en dat hij zich even goed had kunnen baseren op het Chinese stelsel van drie tonen. Maar de keus is in de Westerse ori\u00ebntatie a priori die hij verraadt natuurlijk niet toevallig. Zo slaagt hij er nog wel in iets te zeggen over het boeddhisme, en een verband te leggen tussen de bloei van het dialectisch materialisme in het China van Mao en het daar al aanwezige fond van tao\u00efsme. Maar een derde levensbeschouwelijke weg, de Confuciaanse ethiek, die in veel opzichten tegengesteld is aan het dynamisch getinte tao\u00efsme (en niet toevallig aan hevige kritiek blootgesteld is geweest tijdens\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 139]<\/div><p>de laatste jaren van Mao&#8217;s regime), laat hij volledig buiten beschouwing.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De eigenzinnigheid waarmee Mulisch zijn compositie van de wereld heeft opgezet is natuurlijk volkomen gerechtvaardigd, maar eens te meer kenschetst het zijn conceptie als een typische schrijversprestatie; de term \u2018artistiek-esthetische terreurdaad\u2019 verraadt dat al. Toen het systeem eenmaal gevonden was, moest ook alles aan zijn dwang ondergeschikt gemaakt worden, moesten alle verschijnselen gehoorzamen aan de macht van het \u2018heilige\u2019 getal zeven. Zo werken inderdaad de meeste kunstenaars, en zo werkten ook in het verleden volgens een morfologische methode systeembouwers als Linnaeus, Goethe, Spengler en Toynbee. Onthullend in dit verband in wat Mulisch op pag. 252 naar aanleiding van de dubbele sexe van de bloem opmerkt: \u2018In deze zin is de bloem het gecodificeerde teken van de natuur, dus van het hele universum, waarmee ieder corpus octaaf is. Dit heeft niet alleen \u201cpo\u00ebtische\u201d betekenis, &#8211; en wel omdat ook de po\u00ebzie niet \u201calleen po\u00ebzie\u201d is, maar (als alle kunst) in zekere zin een vorm van \u201ccodificatie\u201d zal blijken; en verder omdat Linnaeus in staat was, aan de hand van meeldraden en stampers het hele plantenrijk in systeem te brengen.\u2019 \u2018Alles Verg\u00e4ngliche ist nur ein Gleichnis\u2019, zo kan men Goethe op Mulisch toepassen. Mulisch mag dan bezwaren hebben tegen de occult geachte Swedenborgh, de manier waarop hij bloem en universum met elkaar in correspondentie brengt is een zuiver voorbeeld van in het detail het geheel, en in het eindige het oneindige zien. Wie kwaadaardig wil zijn, kan hier de op pag. 187 geresumeerde polemiek van Hegel met Schelling tegen Mulisch zelf uitspelen: \u2018Was die Methode, allem Himmlischen und Irdischen, allen natt\u00fcrlichen und geistigen Gestalten die paar Bestimmungen des allgemeinen Schemas aufzukleben und auf diese Weise alles einzuarrangieren, hervorbringt, ist nicht geringeres, als ein sonnenklarer \r\nBericht \u00fcber den Organismus des Universums, n\u00e4mlich eine Tabelle, die einem Skelette mit angeklebten Zettelchen oder den Reihen verschlossener B\u00fcchsen mit ihren aufgehefteten Etiketten in einer Gew\u00fcrzkr\u00e4merbude gleicht\u2019; zij het dan dat Mulisch geen metafysicus van het kaliber Schelling is.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Geheel in overeenstemming met de eigenzinnige systeemdwang is het persoonlijke karakter van dit boek, zoals dat blijkt uit een aantal autobio-<\/p><div class=\"pb\">[p. 140]<\/div><p>grafische details. Zo deelt Mulisch mee (p. 189-190) hoe hem in de zomer van 1949 de hele conceptie van zijn stelsel als in een flits geopenbaard werd. Die unieke ervaring van het oerfenomeen heeft hij verwerkt tot een werk met de pretentie van universele geldigheid, maar wie van zijn oeuvre op de hoogte is, herkent de persoonlijkheid achter de systeembouwer. \u2018Dat ik de laatste dertig jaar veranderd ben, staat vast; maar wat daar veranderd is, ik namelijk, is niet veranderd, want ik ben het nog steeds.\u2019 (p. 47) In een boek dat zich bezig houdt met de vragen \u2018wie zijn we, waar komen we vandaan en waar gaan we heen\u2019, de meest fundamentele vragen over verandering en beweging, die filosofie, religie en po\u00ebzie in gelijke mate beheersen, is dat een nadrukkelijke verwijzing naar het eigen ik als de maat van alle dingen. Wat Mulisch in boek vijf, \u2018De historische octaviteit van het individu\u2019, schrijft over de basis van de \u2018harmonia matricis\u2019 kan ik onmogelijk los zien van die plaatsen in zijn werk waar sprake is van zijn oedipale moederbinding. De compositie van de wereld is niet in de laatste plaats te begrijpen als de legitimering van een priv\u00e9-mythologie.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Na Heraclitus en Pythagoras zijn Fichte en Hegel, de idealistische dialectici bij uitstek, de denkers waar Mulisch de grootste mate van affiniteit mee heeft; het zijn ook deze twee Duitsers bij wie hij een poging tot toenadering tot Heraclitus&#8217; beginsel van de geoorloofde paradox meent te herkennen. Hegel, in zijn streng doorgevoerde systematiek van de leer der verandering, lijkt de voorkeur te hebben, maar zelf zie ik de meeste overeenkomst met Fichte, die de subjectieve dialectiek van het Absolute Ik (waartegenover het Niet-Ik staat) formuleerde. Fichte&#8217;s \u2018Tathandlung\u2019 doet sterk denken aan Mulisch&#8217; terreurdaad, en aan zijn opvatting van het Absolute Ik zit zowel een individueel als een universeel aspect, zoals die in <i>De compositie van de wereld<\/i> ook beide aanwezig zijn. Fichte is bij uitstek de filosoof van de Romantiek: Novalis, de gebroeders Schlegel en Schelling zijn diepgaand door hem be\u00efnvloed. De raakvlakken tussen Mulisch en de romantici zijn te talrijk om als bijkomstig te worden afgedaan<a href=\"#043\" name=\"043T\"><span class=\"notenr\">2.<\/span><\/a>. Ik noemde al de rol van de verbeelding in zijn denken en de poging rationeel en irrationeel redeneren in \u00e9\u00e9n systeem met elkaar te verzoenen. Daarnaast zijn er het toekennen van een aparte \r\nstatus aan de kunst als middelares tussen wetenschap en religie, het streven naar een synthese van wetenschappen,\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 141]<\/div><p>wijsbegeerte en kunst (waardoor o.m. Novalis en Coleridge zich onderscheiden hebben), de belangstelling voor occultisme en alchemie, de monistische wereldbeschouwing (bij Mulisch blijkend uit het herleiden van alles tot \u00e9\u00e9n principe), en vooral de belangrijke plaats die in de hi\u00ebrarchie van de kunsten aan de muziek wordt toegekend. Weliswaar heeft Mulisch in een interview met Willem Kuipers en mij (<i>De volkskrant<\/i> van 7 februari 1981) benadrukt dat het oerfenomeen niet zozeer met muziek als wel met klank te maken heeft (een gradueel, geen essentieel onderscheid, lijkt me), maar dat in zijn hi\u00ebrarchie van kunsten (p. 275 e.v.) de hoogste plaats aan de muziek wordt toegekend, onmiddellijk gevolgd door de po\u00ebzie, lijkt me bepaald niet toevallig. De romantici brachten de po\u00ebzie vanwege de nadruk op de klank graag in verband met de muziek; het is ook de muziek, die i.t.t. de taal niet verwijst naar fenomenen (denotata) buiten zichzelf, maar in zichzelf besloten is, en daarmee het volmaakte het best representeert. \u2018De taal spreekt van schaduwen, de muziek echter van het wezen\u2019, schrijft Schopenhauer.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De volmaaktheid en welgevormdheid van het systeem dat op het oerfenomeen uit de wereld van de zuivere klank is gebaseerd, krijgt zijn pregnantste symbool in het teken \u221e waarmee de wederzijdse relatie tussen basis en apex, die alle tussenliggende stadia en de relaties daartussen bevat, wordt aangeduid. \u2018Het symbool \u201c\u221e\u201d werd door Leibniz nog gebruikt voor \u201c=\u201d; in de tweede helft van de zeventiende eeuw kreeg het voor het eerst de betekenis \u201cwiskundig oneindig\u201d. Hier krijgt het dus iets van de oude betekenis terug, terwijl ook de suggestie \u201coneindig\u201d zinvol blijft meespreken in verband met de horizon en de mutatie van de identiteit daarin. Dat zijn gestalte een gekantelde \u201c8\u201d is, is een welkome bijzonderheid.\u2019 (p. 122) Elf bladzijden verder wordt de canon onomwonden een circulariteit genoemd, en tenslotte schrijft Mulisch op pag. 181: \u2018De slang bijt niet alleen in haar eigen staart, maar zij wringt zich onderwijl ook nog tot een 8, of een \u221e, of een <i>double helix<\/i>.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Verder associ\u00ebrend op het thema van de slang (die in zijn staart bijtend een oeroud zinnebeeld van de volmaaktheid is) kom ik bij het paradijsverhaal waarin de slang de mens aanzette tot het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Daarom noemde Lovejoy de slang de eerste roman-<\/p><div class=\"pb\">[p. 142]<\/div><p>ticus: als metamorfose van de gevallen engel Lucifer zette hij de mens aan tot het streven naar godgelijkheid. Bij Mulisch ligt wat die laatste (romantische) trek betreft de nadruk op het verwerven van kennis en inzicht. Maar omdat hij God niet erkent, maar definieert als een in de descendentie optredende afsplitsing van de mens, \u00e8n omdat zijn meta-beginsel niet een metafysische entiteit is, maar het aardse fenomeen van de octaviteit, kan hij schrijven: \u2018De oplossing (van het probleem van de benodigde feit-uitspraak) zou zijn als wij de beschikking hadden over een goddelijk scheppingswoord, dat als een uitspraak der uitspraken de mens als feit der feiten vertegenwoordigde: dat zou precies het gezochte zijn; maar aangezien de mens langs evolutionaire weg is ontstaan, moeten wij het ontberen en zijn pendant ergens anders zien te vinden.\u2019 (p. 104) Dat leidt dan al spoedig tot de stap die te parafraseren valt met het begin van het Johannesevangelie: \u2018In den beginne was het Woord\u2019; de machtsspreuk waarmee Mulisch de wereld herschept.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De wil om <i>De compositie van de wereld<\/i> als een afgerond en zinvol geheel te presenteren is gebaseerd op een esthetisch postulaat, en in zijn kentheoretisch aspect heeft het streven naar volmaaktheid van vormgeving morele en ethische aspecten. Daarmee sluit Mulisch zich als eigentijds priester en profeet ook bij de romantische schrijvers en dichters aan. Hij voorspelt letterlijk de toekomst, en als een tweede Mozes codificeert hij. Weliswaar betekent <i>gecodificeerd<\/i> binnen dit boek: geldig of ongeldig (dus niet waar of onwaar, want die vragen tellen immers niet meer!) binnen het systeem, maar de bijkomende betekenis van wetgeven is minstens even actueel. Dat heeft soms acceptabele consequenties, zoals het codificeren van de drie maandengrens bij abortus (daarvoor is het geen moord, daarna is het het doden van een mens <i>ab ovo<\/i>), en soms potsierlijke: \u2018Omdat het masker een component is van de historische octaviteit van het individu, volgt hieruit dat een moeder de systematische octaviteit van haar kind aantast, wanneer zij het de borstvoeding onthoudt.\u2019 (p. 305)<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Los van de bedenkingen die ik in het voorafgaande heb geuit, staat, ook nu ik mij al voor de derde maal<a href=\"#044\" name=\"044T\"><span class=\"notenr\">3.<\/span><\/a> met dit boek bezig houd en de zwakke plekken ervan me steeds duidelijker worden, mijn diep respect voor de gedurfde conceptie, mijn bewondering voor Mulisch&#8217; brede eruditie en de\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 143]<\/div><p>creatieve manier waarop hij er gebruik van maakt, en mijn sympathie voor zijn eigenzinnig-artistieke methode. In het verleden heb ik meer dan eens benadrukt dat de literatuur naast de wetenschap haar eigen, bijzondere plaats heeft als middel om tot kennis en inzicht te komen. Ik pretendeer niet daarmee ooit iets nieuws te hebben beweerd, al werd er n.a.v. een van de keren dat ik die gedachte had geformuleerd een mini-discussie aan gewijd in <i>De volkskrant<\/i> van 15 april 1980. Wat bij die gelegenheid werd gezegd (\u2018literatuur maakt het unieke universeel\u2019; \u2018literatuur is op zijn best een synthese van \u201csubjectief\u201d en \u201cobjectief\u201d denken\u2019) laat zich zonder meer betrekken op <i>De compositie van de wereld.<\/i> De scheiding tussen kunst en wetenschap, die dit boek probeert op te heffen, maakt het niet alleen tot een paradox maar ook tot een unicum, want de kloof is in de bijna twee eeuwen die ons van de romantiek scheiden alleen maar dieper geworden. Maar daarom geldt niet minder wat Cleanth Brooks (die de paradox ooit aanwees als het stilistisch middel bij uitstek van de po\u00ebzie) schreef in zijn essay over Keats&#8217; \u2018Ode on an Graecian urn\u2019: \u2018zij heeft de waarde van een mythe. We dienen de term \u201cmythe\u201d dan niet op te vatten als staande voor een mooie maar onbelangrijke schijnvertoning, een ijdele fantasie, maar in de zin van een betrouwbaar middel om de werkelijkheid te kennen.\u2019<\/p>\r\n<\/div><div class=\"wp-block-column dbnl-rechts is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:33.33%\"><div id=\"noten-apparaat\"><div class=\"interp\">\n<h3>Over dit hoofdstuk\/artikel<\/h3>\n<p><label>auteurs<\/label><\/p>\n<p> <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=goed004\" target=\"_blank\" rel=\"noopener\">Jaap Goedegebuure<\/a><\/p>\n<p>over  <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=muli002\" target=\"_blank\" rel=\"noopener\">Harry Mulisch<\/a><\/p>\n<br>\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-042\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#042T\" name=\"042\"><span class=\"notenr\">1.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Van een soortgelijke verwarring is sprake, wanneer op pag. 15 over de kunst wordt gezegd dat zij van wetenschap, filosofie en religie verschilt ?doordat zij niet bestaat uit uitspraken maar uit feiten, die niet waar of onwaar zijn.? Dit geldt misschien voor beeldende kunst en muziek, maar niet voor literatuur, die door haar talige karakter eerder uitspraak dan feit is.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-043\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#043T\" name=\"043\"><span class=\"notenr\">2.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Een aantal van deze karakteristieken wordt ook genoemd in het zeer lezenswaardige artikel ?Mulisch als mani?rist? dat P. Meeuse publiceerde in <i>De revisor<\/i> VII\/6 (december 1980). Meeuse baseert zich vnl. op <i>De verteller<\/i>, maar zijn conclusies laten zich in de meeste gevallen moeiteloos uitbreiden tot <i>De compositie van de wereld<\/i>, dat hij nog niet kon kennen toen hij zijn artikel schreef Alleen geef ik er de voorkeur aan Mulisch romanticus te noemen i.p.v. mani?rist; deze benaming lijkt me trouwens in sterke mate ingegeven door het gebruik dat Meeuse heeft gemaakt van Hocke&#8217;s <i>Manierismus in der Literatur.<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-044\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#044T\" name=\"044\"><span class=\"notenr\">3.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>De volkskrant<\/i> van 13 december 1980 en 7 februari 1981; <i>Mare<\/i> van 29 januari 1981.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><\/div><\/div><\/div>","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[p. 130] [Tirade maart 1981] Jaap Goedegebuure Het ondenkbare denken Aangeland bij de introductie van het verschijnsel van de octave harmonie, dat als \u2018oerfenomeen\u2019, door een \u2018canon\u2019 (formele afbeelding van de octaviteit) gerepresenteerd, het fundament vormt waarop De compositie van de wereld berust, schrijft Harry Mulisch op pag. 108 van het gelijknamige boek: \u2018Zo is&#8230; <a class=\"more-link\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/\">Lees verder <span class=\"read-more-arrow\"><\/span><\/a><\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","class_list":["post-301168","dbnl","type-dbnl","status-publish","hentry"],"acf":[],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO plugin v26.4 - https:\/\/yoast.com\/wordpress\/plugins\/seo\/ -->\n<title>Jaap Goedegebuure  Het ondenkbare denken &#183; Uitgeverij Van Oorschot<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"Jaap Goedegebuure  Het ondenkbare denken &#183; Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"[p. 130] [Tirade maart 1981] Jaap Goedegebuure Het ondenkbare denken Aangeland bij de introductie van het verschijnsel van de octave harmonie, dat als \u2018oerfenomeen\u2019, door een \u2018canon\u2019 (formele afbeelding van de octaviteit) gerepresenteerd, het fundament vormt waarop De compositie van de wereld berust, schrijft Harry Mulisch op pag. 108 van het gelijknamige boek: \u2018Zo is... Lees verder\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"article:modified_time\" content=\"2021-07-08T11:52:36+00:00\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"26 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\/\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/\",\"name\":\"Jaap Goedegebuure Het ondenkbare denken &#183; Uitgeverij Van Oorschot\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\"},\"datePublished\":\"1980-12-31T23:00:19+00:00\",\"dateModified\":\"2021-07-08T11:52:36+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"DBNL\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"Jaap Goedegebuure Het ondenkbare denken\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\",\"name\":\"Uitgeverij Van Oorschot\",\"description\":\"\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"Jaap Goedegebuure  Het ondenkbare denken &#183; Uitgeverij Van Oorschot","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"Jaap Goedegebuure  Het ondenkbare denken &#183; Uitgeverij Van Oorschot","og_description":"[p. 130] [Tirade maart 1981] Jaap Goedegebuure Het ondenkbare denken Aangeland bij de introductie van het verschijnsel van de octave harmonie, dat als \u2018oerfenomeen\u2019, door een \u2018canon\u2019 (formele afbeelding van de octaviteit) gerepresenteerd, het fundament vormt waarop De compositie van de wereld berust, schrijft Harry Mulisch op pag. 108 van het gelijknamige boek: \u2018Zo is... Lees verder","og_url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/","og_site_name":"Uitgeverij Van Oorschot","article_modified_time":"2021-07-08T11:52:36+00:00","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"26 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/","name":"Jaap Goedegebuure Het ondenkbare denken &#183; Uitgeverij Van Oorschot","isPartOf":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website"},"datePublished":"1980-12-31T23:00:19+00:00","dateModified":"2021-07-08T11:52:36+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/jaap-goedegebuurehet-ondenkbare-denken\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"DBNL","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"Jaap Goedegebuure Het ondenkbare denken"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/","name":"Uitgeverij Van Oorschot","description":"","potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"}]}},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl\/301168","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/dbnl"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=301168"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=301168"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}