{"id":301598,"date":"1985-01-01T00:01:01","date_gmt":"1984-12-31T23:01:01","guid":{"rendered":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/"},"modified":"2021-06-04T15:06:49","modified_gmt":"2021-06-04T14:06:49","slug":"h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t","status":"publish","type":"dbnl","link":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/","title":{"rendered":"H. Drion\r\n\r\nHoe bestaat &#8216;t&#8230; hoe verzint ie &#8216;t"},"content":{"rendered":"<div class=\"wp-block-columns alignwide is-layout-flex wp-container-core-columns-is-layout-9d6595d7 wp-block-columns-is-layout-flex\"><div class=\"wp-block-column dbnl-links is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:66.66%\">\r\n\r\n <interp type=\"primair\" value=\"drio001\"><\/interp><interp type=\"secundair\" value=\"glaz001\"><\/interp><div class=\"pb\">[p. 600]<\/div>\r\n<a name=\"55\"><\/a>\r\n<h3>\r\n<i>H. Drion<\/i>\r\n\r\n<br>\r\nHoe bestaat &#8216;t&#8230; hoe verzint ie &#8216;t<\/h3>\r\n\r\n<p>Johan Hendriksz Glazemaker moet ongeveer vijfentwintig jaar oud zijn geweest, toen in 1645 bij Jan Jacobs Schipper te Amsterdam het <i>Toonneel der werreltsche veranderingen<\/i> verscheen, \u2018uyt verscheyde schrijvers, door J.H. Glazemaker, vertaalt\u2019. Hij had toen al twee vertalingen op zijn naam staan. In haar fraaie bibliografie van Glazemakers vertalingen<a href=\"#196\" name=\"196T\"><span class=\"notenr\">1.<\/span><\/a> heeft Marja Keyser waarschijnlijk gemaakt dat Glazemaker tot zijn eerste vertalingen is aangezet door de uitgever J.J. Schipper, die ook zelf heeft vertaald.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het <i>Toonneel der werreltsche veranderingen<\/i> is een bundel van wat ik voorlopig maar \u2018verhalen\u2019 zal noemen, in omvang vari\u00ebrend van 2 tot 65 bladzijden, de meeste verhalen niet veel meer dan 4 \u00e0 5 bladzijden lang. In 1645 verschenen de eerste 69, in 1650 kwamen er nog 104 bij. Het boek had kennelijk succes,<a href=\"#197\" name=\"197T\"><span class=\"notenr\">2.<\/span><\/a> want er volgden verschillende herdrukken, gedeeltelijk bij andere uitgevers. De laatst bekende herdruk van 1669 is, merkwaardigerwijs, nog eens met zes korte verhalen aangevuld. De kwaliteit van deze laatste zes maakt niet duidelijk wat Glazemaker tot deze late aanvulling heeft gebracht.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In de tijd dat Glazemaker zijn <i>Toonneel der werreltsche veranderingen<\/i> publiceerde, bevond het verhalend proza zich nog in een ontwikkelingsstadium dat men, met enige fantasie, als \u2018polymorf pervers\u2019 zou kunnen karakteriseren. En dat niet alleen voor wat betreft onze Republiek; bijna al het Nederlandse verhalende proza van de eerste helft van de zeventiende eeuw was trouwens nog van buiten de Republiek ge\u00efmporteerd, hoofdzakelijk uit of via Frankrijk.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Hoewel ik er bij lange na nog niet in geslaagd ben alle bronnen te traceren waaruit Glazemaker heeft geput, bleek een aanzienlijk aantal van zijn verhalen vertalingen te zijn van geschriften van de zeer productieve bisschop van Belley, Jean Pierre Camus, die in die eerste helft van die eeuw een stuk of 960 korte verhalen &#8211; in 21 verzamelingen &#8211; heeft gepubliceerd naast nog een 15 min of meer omvangrijke romans. Op zijn 25e bisschop\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 601]<\/div><p>geworden, had deze leerling en vriend van de later heilig verklaarde Fran\u00e7ois de Sales zich geroepen gevoeld met zijn verhalen en romans een tegenwicht te vormen tegen al de lichtzinnigheden en onzinnigheden die er volgens hem op dit gebied verschenen. De verhalen die hij publiceerde, hadden dan ook de pretentie w\u00e1\u00e1rgebeurd te zijn, zij werden immers gebracht als voorbeelden van hoe het mis kan gaan als een mens zich niet houdt aan de christelijke normen van een goed leven. Te dien einde werden zij meestal voorzien van stichtelijke inleidingen en conclusies. Deze heeft Glazemaker in zijn vertalingen weggelaten, wat Camus, als hij het had geweten, ongetwijfeld bijzonder zou hebben verdroten. Zo bleven er dan betrekkelijk korte relazen van roofmoorden, verkrachtingen, gevallen van overspel enzovoort over, waarvan de lezer geacht werd aan te nemen dat zij werkelijk waren gebeurd, zoals de lezer van een krant geacht wordt te geloven in het werkelijk gebeurd zijn van de gemengde berichten. Maar daartussendoor nam Glazemaker in zijn bundel verhalen op, waarbij het kennelijk niet ging om het echt gebeurd zijn maar om de treffendheid van het verhaal. Voor een twintigste-eeuwse lezer heeft dat iets merkwaardigs. Het curieuze &#8211; het polymorf perverse &#8211; zit niet in de combinatie van zuivere fictie en van verhalen die op de werkelijkheid zijn gebaseerd, maar in het combineren van proza dat zijn betekenis all\u00e9\u00e9n ontleent aan de gepretendeerde overeenstemming met de werkelijkheid, en verhalen waarvan de waarde niet d\u00e1\u00e1rin mag worden gezocht; om het een beetje simplistisch uit te drukken: verhalen waar de na\u00efeve lezer op kan reageren met een \u2018hoe best\u00e1\u00e1t &#8216;t!\u2019, samengebundeld met verhalen die aan diezelfde lezer een \u2018hoe verzint ie &#8216;t!\u2019 ontlokken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Voordat ik hierover meer ga zeggen, is het goed erop te wijzen dat dit samen laten gaan van twee soorten proza in \u00e9\u00e9n bundel niet een vondst van Glazemaker is geweest. Italiaanse verhalenvertellers zoals Bandello waren hem daarin voorgegaan en zij hadden in Frankrijk bij verschillende schrijvers navolging gevonden. Hierbij zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld dat er in die tijd nog geen kranten bestonden die voorzagen in de behoefte van het publiek aan \u2018gemengde berichten\u2019, aan \u2018faits divers\u2019. Een eeuw of twee later zouden de dagbladen zelf, door hun kolommen te openen voor feuilletons &#8211; dit belangrijke verschijnsel van de 19de eeuwse romancultuur &#8211; gaan voorzien in een zelfde gecombineerde behoefte aan proza met werkelijkheidspretentie en proza als fictie.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Hoe dit ook zij: dit door elkaar gooien door Glazemaker van wat ik maar \u2018gemengde berichten\u2019 zal blijven noemen en van kennelijk verzonnen verhalen, heeft me weer eens aan het peinzen gezet over de betekenis\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 602]<\/div><p>van de werkelijkheid in verhalen, waarbij ik me niet wil laten intimideren door het besef dat er over dit onderwerp bibliotheken vol zijn geschreven. Bibliotheken zijn er tenslotte niet om het mensen onmogelijk te maken, zelf te blijven denken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Voordat ik aan overpeinzingen hierover begin, lijkt het me goed nog \u00e9\u00e9n opmerking vooraf te maken. Ik wil het hier niet gaan hebben over de vraag of en in hoever schrijvers van verhalen uit hun eigen werkelijkheid putten ook in de gevallen waar het niet hun bedoeling is die werkelijkheid als zodanig aan de lezer over te brengen. In moderne studies over auteurs, als bijvoorbeeld Balzac of Proust, is naarstig gezocht naar de figuren uit de re\u00eble wereld die model zouden hebben gestaan voor de personages in de romans. Ik heb een lichte verdenking dat hier een zeker eigen \u2018belang\u2019 van de specialisten mede een rol speelt. Met de modellenjacht is, zeker wat Balzac betreft, een onmetelijke gasbel aangeboord waarmee men nog jaren vooruit kan. Het zoeken naar modellen kan ongetwijfeld van belang zijn voor een studie van de techniek van de schrijver van fictie. Het kan, zoals bij Balzac, ook een historisch belang hebben. Maar voor een literaire waardering van romans lijkt het mij zonder betekenis.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">\u00a0<\/p>\r\n\r\n<p>Om een beetje greep te krijgen op de vragen die rijzen, is het van belang een onderscheid te maken tussen de vraag wat de betekenis voor de <i>schrijver<\/i> is van de werkelijkheid in of van zijn verhalen, en de vraag naar de betekenis die die werkelijkheid heeft voor de <i>lezer.<\/i> Ongetwijfeld bestaat er verband tussen beide vragen, maar de twee betekenissen hoeven niet samen te vallen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Om dit met twee voorbeelden te illustreren: als <i>Ulysses<\/i> al in een ver stadium van voltooiing is, schrijft Joyce aan zijn tante Josephine: \u2018Is it possible for an ordinary person to climb over the area railings of no 7 Eccles street, either from the path or the steps, lower himself from the lowest part of the railings till his feet are within 2 feet or 3 of the ground and drop unhurt?<a href=\"#198\" name=\"198T\"><span class=\"notenr\">3.<\/span><\/a> Deze informatie wilde hij hebben met het oog op Blooms klimpartij aan het eind van het boek, maar voor een lezer &#8211; althans een die niet in de Eccles Street woonde &#8211; is het van geen enkel belang of de werkelijke hoogte van het hek ter plaatse een overklimmen ervan, zoals door Bloom werd uitgevoerd, toeliet.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">En nu het tweede voorbeeld, dat ik ontleen aan Aristoteles\u2019 <i>Poetica<\/i>: De schrijver die een paard met beide rechter-, respectievelijk linkerbenen tegelijk vooruit laat stappen, zal aan de &#8211; door Aristoteles kennelijk aangenomen &#8211; strijd met de werkelijkheid hiervan minder belang hechten\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 603]<\/div><p>dan de lezer die weet hoe paarden plegen te lopen, ook al zal deze lezer misschien &#8211; maar dat hangt mede van zijn temperament af &#8211; net als Aristoteles de vergissing van de schrijver niet essentieel vinden voor de waarde van het verhaal.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De schrijver maakt zijn verhalen uit elementen van zijn eigen realiteit, z\u00edjn waarnemingen, z\u00edjn ervaringen, z\u00edjn kennis van mensen en van de wereld, z\u00edjn gevoelens en z\u00edjn dromen. Om van die realiteit ook een realiteit voor anderen &#8211; zijn lezers &#8211; te maken, d\u00e1\u00e1rom schrijft hij zijn verhalen. De lezer wil door het lezen van een verhaal zijn eigen realiteit vergroten, en die eigen realiteit van de lezer wordt gedeeltelijk door andere regels en verwachtingen beheerst dan die van de schrijver. Daarbij lijkt me nog van belang dat, voorzover men al &#8211; in weinig opwindend proza &#8211; van een literaire tekst kan zeggen dat zij \u2018functioneert in een communicatieproces dat plaats vindt tussen auteur en lezer\u2019, voor de schrijver het schrijven van zijn verhaal altijd begonnen is als een communicatie met zichzelf. En die twee \u2018communicatieprocessen\u2019 behoeven niet volledig samen te vallen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Zo legitiem als het voor Joyce was om het concrete huis aan de Eccles Street met het concrete daarbij behorende hek in de realiteit van zijn verhaal te willen brengen, en om daarom dan ook de re\u00eble overklimbaarheid van het hek te willen controleren, zo dwaas zou het voor een lezer zijn geweest om Joyce op dit punt door een plaatselijk onderzoek op een \u2018fout\u2019 te willen betrappen. Wat voor Joyce, na een eenmaal ingesteld onderzoek, een onaanvaardbare fout zou zijn geweest, zou geen fout zijn als Joyce het onderzoek overbodig zou hebben gevonden, daarmede een geringere concreetheid van huis en hek in de realiteit van zijn verhaal aanvaardend.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Van Glazemakers <i>Toonneel der werreltsche veranderingen<\/i> naar Joyce&#8217;s <i>Ulysses<\/i> is nogal een stap. Een grotere stap dan die welke deze 17de eeuwse verhalenbundel scheidt van Aristoteles&#8217; <i>Poetica,<\/i> waaraan ik mijn tweede voorbeeld ontleende. Want al zal de vijfentwintigjarige Glazemaker Aristoteles&#8217; verhandeling wel niet hebben gelezen, in de tijd dat hij zijn verzameling publiceerde was, via de Italiaanse commentatoren, de invloed van de <i>Poetica<\/i> in Frankrijk al overheersend. Wel was dat vooral het geval voor het theater, maar ook voor de roman gaan we in deze tijd de wens van eenheid van handeling uitgewerkt vinden op een wijze, die niet zoveel verschilt van de manier waarop Hermans in zijn <i>Experimentele romans<\/i> (opgenomen in <i>Het sadistisch universum<\/i>) zijn ideaal van de \u2018klassieke roman\u2019 heeft beschreven. Zo vinden we in het voorwoord van Mlle de\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 604]<\/div><p>Scud\u00e9ry&#8217;s roman <i>Ibrahim<\/i> van 1641 als norm voor een goede roman geformuleerd: \u2018que toutes ses parties ne fassent qu&#8217;un corps, et que l&#8217;homme n&#8217;y puisse rien voir de d\u00e9tach\u00e9 ni d&#8217;inutile\u2019.<a href=\"#199\" name=\"199T\"><span class=\"notenr\">4.<\/span><\/a> Hoe moeilijk het vooral voor de sterk autobiografische schrijver kan zijn om die \u2018zinloze feiten\u2019 &#8211; detach\u00e9s et inutiles &#8211; uit zijn verhaal te houden, daarover heeft Gerard van het Reve in <i>Op weg naar het einde<\/i> een boekje open gedaan.<a href=\"#200\" name=\"200T\"><span class=\"notenr\">5.<\/span><\/a> \u2018Zinloze feiten\u2019 kunnen met voor de schrijver heel re\u00eble vezels vastzitten aan di\u00e9 realiteit, waarvan hij zijn verhaal wil maken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Glazemaker zal zich, zo min als zijn lezers, het hoofd hebben gebroken over de vraag, in hoeverre de werkelijkheid in zijn verhalen voor die verhalen van betekenis was. Hij wilde zijn lezers boeiende lectuur bieden. Dat was het waar, blijkens de vele drukken van het boek, ook zijn publiek op uit was. Fictie en werkelijkheid lieten zich voor hen en voor hun leesgenoegen nog niet scherp scheiden, zoals ze zich trouwens voor ons langzamerhand niet m\u00e9\u00e9r scherp laten scheiden. Maar dat laatste geldt dan <i>binnen<\/i> het gebied van de literatuur; daarbuiten vallen nu di\u00e9 mededelingen over de werkelijkheid die uitsluitend gedaan worden om te vertellen over iets dat echt gebeurd is en die ook alleen met het oog d\u00e1\u00e1rop worden gelezen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">In 1624 verscheen in Leiden, als een van de eerste oorspronkelijke Nederlandse prozaverhalen, het aardige <i>Wonderlicke avontuer van twee goelieven, de ene ghenaemt Sr. Waterbrandt en de ander Joufvrouw Wintergroen.<\/i><a href=\"#201\" name=\"201T\"><span class=\"notenr\">6.<\/span><\/a> Het verhaal wordt gepresenteerd als een ware geschiedenis. Dat wordt natuurlijk ieder verhaal, maar hier lijkt het twijfelachtig of de schrijver de lezer niet inderd\u00e1\u00e1d wil laten geloven dat het om een relaas van werkelijke gebeurtenissen gaat. In zover geeft ook deze novelle een goed voorbeeld van de onzekere verhouding van fictie en werkelijkheidsbeschrijving in deze periode. Wat het relaas trouwens zo aardig maakt is, dat het met z\u00f3veel concrete details wordt gegeven dat er in ieder geval re\u00eble ervaringen aan ten grondslag moeten liggen.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het verhaal wordt gepresenteerd als door \u00e9\u00e9n van de personages aan de schrijver ter hand gesteld. Dat is natuurlijk een vertelfiguur die nog heel lang in zwang zal blijven, en waarschijnlijk als vertelconstructie nooit volledig zal verdwijnen. Maar in deze begintijd van het prozaverhaal is de constructie vermoedelijk nog als weergave van de werkelijkheid bedoeld. Hoe lang in de verdere ontwikkeling van de roman een dergelijke bedoeling nog mag worden aangenomen, daarover kan men twijfelen. Wilde een Defoe bijvoorbeeld, dat de lezers van Robinson Cruso\u00eb voor w\u00e1\u00e1r aannamen wat Defoe in de Preface zegt: \u2018The editor believes the thing to\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 605]<\/div><p>be a just History of Fact; neither is there any Appearance of Fiction in it\u2019? In het voorwoord bij het eerste vervolg laat hij die pretentie in ieder geval in z\u00f3ver al los dat hij daar spreekt over \u2018all the Part that may be call&#8217;d Invention or Parable in the Story.\u2019 Wat hier ook van zij, al vrij gauw in de 18de eeuw zal de schrijver die zijn verhaal bracht in de vorm van een hem door een ander vertelde of door een ander geschreven relaas van gebeurtenissen, niet meer de illusie noch de wens hebben gehad dat de lezer door deze constructie in het werkelijk gebeurd zijn van het verhaalde zou geloven. Ongetwijfeld kan een dergelijke constructie allerlei functies in een verhaal vervullen. Maar in ieder geval tot in de 19de eeuw moet, dunkt mij, toch altijd rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de schrijver de schijn van werkelijkheid wilde versterken door niet zichzelf als de almachtige schepper van het verhaal te presenteren. Bij het verhaal dat de auteur door een ander laat vertellen, hoeft de lezer alleen maar het gefingeerde karakter van die verteller weg te denken, om het verhaal zo re\u00ebel te maken als uit de betrouwbaarheid van de verteller voortvloeit.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Er bestaan nog andere trucs om de werkelijkheidsschijn van het verhaal te versterken. In de handboeken waar Karel van het Reve zo van houdt, zullen zij allemaal wel staan opgesomd. E\u00e9n van de aardigste vind ik die van de schrijver die mededeelt dat hij van een bepaald detail van het gebeuren of van een personage niet op de hoogte is. \u2018Zie je wel\u2019, geeft hij daarmede aan, \u2018dat ik niet gewoon maar wat zit te verzinnen; dan zou ik dit detail immers ook wel hebben kunnen verzinnen\u2019. Hier is het niet een \u2018cacher l&#8217;imaginaire sous le r\u00e9el\u2019, waarop volgens Zola al het streven van de moderne romanschrijver gericht zou zijn, maar een \u2018cacher l&#8217;imaginaire sous l&#8217;omission d&#8217;une partie du r\u00e9el.\u2019<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wat men schrijvers ook ziet &#8211; en vooral zag &#8211; doen is: beweren dat zij aan de personen van een verhaal een andere naam hebben gegeven dan hun werkelijke om de werkelijke personen niet in opspraak te brengen. In dezelfde lijn lijkt mij de gewoonte van 19de eeuwse Russische vertellers te liggen om het stadje waar het verhaal speelt met <span class=\"small-caps\">x<\/span> of <span class=\"small-caps\">y<\/span> aan te duiden.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Het boeiende van al deze figuren is dat de schrijver, hoewel hij niet de bedoeling heeft zijn lezers echt in de waan te brengen dat wat hij hun vertelt allemaal werkelijk gebeurd is, wel <i>doet alsof<\/i> hij die bedoeling heeft. Dat \u2018doen alsof\u2019 kan moeilijk een andere strekking hebben dan om de waarschijnlijkheid van het verhaal te vergroten, die waarschijnlijkheid die Aristoteles een hogere literaire waarde achtte dan de overeenstemming met de werkelijkheid.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 606]<\/div>\r\n<p>Wat betekent de waarheid van het verhaal &#8211; in de zin van overeenstemming met de realiteit &#8211; <i>voor de lezer<\/i>? Dat hangt natuurlijk in de eerste plaats af van de pretentie waarmee het verhaal wordt gebracht. Presenteert het zichzelf als geschiedschrijving, dan&#8230; maar hier moet ik al gaan oppassen. Want hoe belangrijk is het voor de huidige lezer van Herodotus dat hij aan de waarheid van diens verhalen kan geloven? Het belang van de waarheid van verhalen, ook van als historisch gebrachte verhalen, wordt nu eenmaal altijd weer gecompliceerd door dat voor de verbeelding zo essenti\u00eble \u2018se non \u00e8 vero, \u00e8 ben trovato\u2019. Of, zoals de levenslustige Dumas p\u00e8re het indertijd uitdrukte: \u2018Het is geoorloofd de geschiedenis te verkrachten, als je haar maar een kind maakt\u2019.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Tegenover het toegeven aan de verbeelding, gelegen in het \u2018se non \u00e8 vero, \u00e8 ben trovato\u2019, staat dan het merkwaardige verschijnsel waarvoor Ethel Portnoy enige jaren geleden de aandacht heeft gevraagd:<a href=\"#202\" name=\"202T\"><span class=\"notenr\">7.<\/span><\/a> het verschijnsel van het tegelijkertijd op een aantal plaatsen in omloop komen van een \u2018mooi verhaal\u2019, dat gebracht pleegt te worden in de vorm van een aan een vriend (of een vriend van een vriend) van de verteller overkomen voorval. De essentie van het verhaal zit voor de verteller in de illusie van het waar gebeurd zijn. Voor de versterking van die illusie is ook een waarheidslievende verteller bereid althans in zoverre met de waarheid te knoeien, dat hij op zijn minst \u00e9\u00e9n tussenschakel tussen degeen die het gebeurde zelf zou hebben meegemaakt en de verteller weglaat. Wanneer <span class=\"small-caps\">a<\/span> van <span class=\"small-caps\">b<\/span> hoort dat <span class=\"small-caps\">c<\/span> aan <span class=\"small-caps\">b<\/span> een wonderlijke ervaring van <span class=\"small-caps\">c<\/span>&#8216;s vriend <span class=\"small-caps\">d<\/span> heeft verteld, zal <span class=\"small-caps\">a<\/span>, wanneer hij dit aan anderen oververtelt, <span class=\"small-caps\">b<\/span> of <span class=\"small-caps\">c<\/span> uit de serie weglaten (is hij wat minder waarheidslievend, dan laat hij <span class=\"small-caps\">b<\/span> en <span class=\"small-caps\">c<\/span> weg). Doet hij dat niet, dan wordt de werkelijkheidssuggestie van het verhaal te sterk aangetast. Speciaal bij het berichten over paranormale gebeurtenissen &#8211; voor vrij veel mensen de mooiste verhalen- is dit een heel algemeen verschijnsel. Het is een leugentje om \u2018bestwil\u2019 &#8211; eufemistisch: een kleine vereenvoudiging van het verhaal &#8211; waar de meesten wel toe bereid zijn. En waar het me hier om gaat, is dat dan de illusie van het werkelijk gebeurd zijn het \u2018beste\u2019 is dat zij \u2018willen\u2019. Men zou deze vertellers dan ook kwetsen door te reageren met een \u2018se non \u00e8 vero\u2019.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">\u00a0<\/p>\r\n\r\n<p>Van tijd tot tijd is het probleem van fictie en werkelijkheid in de romanliteratuur zelf aan de orde gekomen. Zo komt al in Murasaki Shikibu&#8217;s grote roman, <i>De geschiedenis van Prins Genji,<\/i> in het 25e Boek een passage voor over de betekenis van de in die tijd gelezen romantische verhalen. Het is een gesprek tussen een enthousiaste lezeres van deze verhalen, de\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 607]<\/div><p>jonge Tamakazura (een dochter van Genji&#8217;s vriend) en Genji zelf. Genji begint de draak te steken met al dit soort verhalen en zich af te vragen hoe \u2018jullie vrouwen\u2019 die blijven verslinden, terwijl \u2018jullie vrouwen\u2019 toch heel goed weten dat er niets van waar is. Nadat hij met deze plagerij een beetje is doorgegaan, zegt Tamakazura kattig: \u2018Ik kan me begrijpen dat dat de opvatting is van iemand die zelf graag bedriegt. Eerlijke mensen zijn overtuigd van de waarheid ervan\u2019.<a href=\"#203\" name=\"203T\"><span class=\"notenr\">8.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Tamakazura zegt dus ni\u00e9t: \u2018Wat doet het ertoe, of het allemaal waar is, als het maar mooie verhalen zijn\u2019 (of zelfs, Aristoteliaans: \u2018als de verhalen maar waarschijnlijk zijn\u2019)? Nee, zij gelooft in de waarheid van de verhalen. En dan komt prins Genji &#8211; altijd aardig tegenover vrouwen &#8211; haar tegemoet, niet door de waarheid van de verhalen te erkennen, maar, en hier wordt hij kennelijk de tolk van Murasaki, door de betekenis van die waarheid te relativeren. Hij doet dat met aan het Boeddhisme ontleende argumenten die hier niet terzake doen. Misschien dat Murasaki, in die tijd van Chinese cultuurinvloed, met haar relativering van het belang van het echt gebeurd zijn, stelling heeft willen nemen tegen een beginsel van de klassieke Chinese traditie, door Idema in de titel van zijn oratie van 1976 samengevat als: \u2018Verzinsels zijn geen letterkunde\u2019.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Onder de lezers en lezeressen van Glazemakers verhalenbundel zullen vermoedelijk nog vrij veel Tamakazura&#8217;s zijn geweest, maar men mag aannemen dat zowel Tamakazura zelf als deze lezers, wanneer men er hun op d\u00f3\u00f3r zou hebben gevraagd, zouden hebben toegegeven dat sommige elementen in de verhalen wel eens verzonnen zouden kunnen zijn.<a href=\"#204\" name=\"204T\"><span class=\"notenr\">9.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Murasaki&#8217;s roman uit het begin van de 11de eeuw is de eerste die ik ken, waarin het probleem van verhaal en werkelijkheid aan de orde is gesteld. Voor onze Nederlandse literatuur denk je aan de <i>Max Havelaar.<\/i> Er kan geen twijfel over bestaan dat Multatuli in de ad absurdum doorgedreven opvattingen van Droogstoppel iets van zijn eigen idee\u00ebn heeft weergegeven,<a href=\"#205\" name=\"205T\"><span class=\"notenr\">10.<\/span><\/a> maar anders dan Droogstoppel was Multatuli ook een bewonderaar van \u2018Fancy\u2019, en aldus blijft de spanning tussen verhaal en werkelijkheid behouden.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ruim zestig jaar later heeft Gide de problematiek nog principi\u00ebler en vanuit een tegengesteld standpunt aangepakt in <i>Les faux-monnayeurs.<\/i> De roman als werkelijkheid en de werkelijkheid als roman zijn hier op moeilijk te ontwarren wijze door elkaar geweven, en in het midden van het verhaal (het derde hoofdstuk van het tweede deel) wordt de spanning tussen roman en werkelijkheid expliciet in een gesprek tussen vier van de romanfiguren aan de orde gesteld: \u2018Est-ce parce que, de tous les genres\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 608]<\/div><p>litt\u00e9raires (&#8230;) le roman, reste le plus libre (&#8230;) que le roman, toujours, s&#8217;est si craintivement cramponn\u00e9 \u00e0 la r\u00e9alit\u00e9?\u2019 vraagt Edouard. Uit Gide&#8217;s <i>Journal desfaux-monnayeurs<\/i> weten we dat Gide hiermee zijn eigen opvatting heeft weergegeven.<a href=\"#206\" name=\"206T\"><span class=\"notenr\">11.<\/span><\/a> In <i>dat Journal<\/i> schrijft hij ook nog dat hij zich er wel rekenschap van m\u00f3\u00e9st geven dat de beste gedeelten van <i>Les fauxmonnayeurs<\/i> de gedeelten van zuivere inventie zijn. \u2018Sij&#8217;ai rat\u00e9 le portrait du vieux Laperouse, ce fut pour l&#8217;avoir trop approch\u00e9 de la r\u00e9alit\u00e9.\u2019<a href=\"#207\" name=\"207T\"><span class=\"notenr\">12.<\/span><\/a> Edouard beschrijft in <i>Les faux-monnayeurs<\/i> het onderwerp van zijn roman (die \u2018Les faux-monnayeurs\u2019 moet gaan heten) als \u2018la lutte entre les faits propos\u00e9s par la r\u00e9alit\u00e9, et la r\u00e9alit\u00e9 id\u00e9ale\u2019.<a href=\"#208\" name=\"208T\"><span class=\"notenr\">13.<\/span><\/a> Dat lijkt me in wezen niet zover af te liggen van Van het Reve&#8217;s strijd tegen de \u2018zinloze feiten\u2019.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">\u00a0<\/p>\r\n\r\n<p>Om terug te komen op de vaagheid in de verwachtingen ten aanzien van werkelijkheid en fictie bij verhalenlezers zoals Kamakazura of de lezers van Glazemakers verhalenbundel: het lijkt me een daad van eenvoudige rechtvaardigheid jegens deze \u2018na\u00efeve\u2019 lezers, te constateren dat de vaagheid in werkelijkheidsverwachtingen bij de moderne en \u2018dus\u2019 niet-na\u00efeve lezer niet zoveel minder zal zijn, zij het wel van andere aard.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Die vaagheid is bijna onontkoombaar en heeft op zijn minst twee oorzaken. De verteller van een verhaal bedient zich van woorden en werkelijkheid. Uitgangspunt daarbij is dat hij woorden en werkelijkheid met de lezer gemeen heeft. Maar dat \u2018gemeen hebben\u2019 is natuurlijk maar betrekkelijk. Ik beperk me nu tot de \u2018werkelijkheid\u2019. De schrijver die een verhaal in Den Haag laat spelen, heeft daarbij nooit een Den Haag voor ogen, dat identiek is aan het Den Haag van zijn lezer, ook niet als schrijver en lezer beiden in den Haag wonen. Voor de lezer die g\u00e9\u00e9n Hagenaar is, is de werkelijkheid van Den Haag helemaal een andere, immers veel vagere dan voor wie het woord \u2018Den Haag\u2019 kan opvullen &#8211; en dan ook automatisch opvult &#8211; met zijn eigen herinneringen van die stad.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Ons beeld van \u2018de werkelijkheid\u2019 wordt ook bepaald door de regelmatigheden en de wetten die, naar ons oordeel, in die werkelijkheid gelden. Dat een auto die met honderd kilometer vaart tegen een boom oprijdt, kapot is, of dat water bij 100 graden Celsius kookt, behoort ook tot onze werkelijkheid.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Zo vaak de verteller elementen van de werkelijkheid in zijn verhaal stopt, gaat hij ervan uit dat zij overeenkomen met die van de werkelijkheid van zijn lezer. Veelal is dat niet meer dan een \u2018ongeveer overeenkomen\u2019, en soms is zelfs d\u00e1\u00e1rvan geen sprake. Dat leidt ertoe, dat het verhaal er in het hoofd van de lezer altijd meer of minder anders uit zal zien dan in het hoofd van de schrijver.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 609]<\/div>\r\n<p>Dat is overigens niet alleen maar een handicap bij het verhalen vertellen. Het maakt immers voor een belangrijk deel juist ook de overleving van verhalen mogelijk. Als ik bij het lezen van de <i>Geschiedenis van Genji<\/i> precies dezelfde werkelijkheid voor ogen zou hebben als de schrijfster in het Japan van het begin van de 11de eeuw voor ogen had, zou deze roman mij ongetwijfeld vreemd zijn gebleven. Dit zou er ook wel eens toe kunnen leiden dat de overlevingskans van films geringer zal blijken te zijn dan die van geschreven verhalen. De marge voor overbruggend misverstand is daar zoveel kleiner.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wat gebeurt er aan de kant van de lezer, als de schrijver zich ten aanzien van een werkelijkheidselement in zijn verhaal vergist? Dat hangt er natuurlijk in de eerste plaats van af of de lezer die vergissing bemerkt. Doet hij dat niet, dan is de vergissing voor zijn waardering van het verhaal van geen belang. Doet hij het wel, dan kan, al naar de betekenis van de vergissing voor het verhaal of voor de lezer, de gemaakte fout meer of minder desori\u00ebnterend, meer of minder verwarrend werken. En dan laat ik nog d\u00e1\u00e1r de wat schoolmeesterlijke irritatie van de deskundige over een fout op het gebied van zijn deskundigheid. Met een literaire waardering van het verhaal heeft deze irritatie weinig te maken, al zal de deskundige graag naar een reden zoeken, waarom de geconstateerde fout ook literair van betekenis zou kunnen zijn.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">\u00a0<\/p>\r\n\r\n<p>Dit had allemaal nog betrekking &#8211; tenminste dat hoop ik &#8211; op de eerste van de twee door mij bedoelde oorzaken van de vaagheid in werkelijkheidsverwachtingen bij de lezer.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">De tweede oorzaak die ik op het oog heb, betreft iets anders, namelijk de verhouding van fictie tot werkelijkheid in het vertelde verhaal. Zelfs een schrijver als Zola, die in het verval van de verbeelding \u2018la caract\u00e9ristique m\u00eame du roman moderne\u2019 zag &#8211; en met de moderne roman bedoelde hij zijn ideaal van de \u2018experimentele roman\u2019 &#8211; moet toegeven dat de romanschrijver een plot, een drama <i>verzint.<\/i><a href=\"#209\" name=\"209T\"><span class=\"notenr\">14.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Hoeveel fictie, hoeveel werkelijkheid? Het is de verteller van het verhaal die de regels van dit spel bepaalt. Heet \u2018zij\u2019 Sheherazade, en vertelt zij verhalen van 1001 nacht, dan kiest zij andere spelregels dan wanneer hij Balzac heet en een \u2018sc\u00e8ne de la vie parisienne\u2019 schrijft. De gekozen spelregel voor een <i>Brommer op zee<\/i> is niet dezelfde als die voor <i>De aanslag.<\/i>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wat men echter van de schrijver van een verhaal mag eisen is, dat hij zich houdt aan de, in de aard van zijn verhaal opgesloten, zelf gekozen spelregels. Dat klinkt misschien aardig, misschien ook niet, maar een\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 610]<\/div><p>probleem hierbij is dat de schrijver zijn spelregels alleen maar impliciet aangeeft. Dit laat de mogelijkheid open van discussie over de vraag of een met de werkelijkheid strijdig feit wel of niet binnen het door de spelregels van het verhaal bepaalde gebied van de fantasie valt. Als dat het geval is, is er geen sprake van een fout.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Stel: in een verhaal kijken inwoners van Grenoble in hun stad naar de Eiffeltoren. Voor alle lezers die van de Eiffeltoren hebben gehoord en weten dat deze in Parijs staat, is dit een moeilijk te verteren fout. Maar laat die bewoners van Grenoble in het verhaal nou eens met stomme verwondering naar de Eiffeltoren kijken, omdat die daar nooit heeft gestaan: de strijd met de werkelijkheid ligt dan binnen het door het verhaal aangegeven veld van de fantasie, het is geen fout meer. Zoals brommers soms op zee mogen rijden, en mensen soms veranderen in kevers.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Geldt dit alles nu ook voor de <i>psychologische<\/i> realiteit in verhalen, of beter &#8211; want het gaat hier om een toetsen aan de in het menselijke gedrag of het menselijk karakter aangenomen regelmatigheden &#8211; geldt het ook voor de psychologische waarschijnlijkheid? Ik geloof eigenlijk van wel. Ook hier mag de schrijver door de opzet van zijn verhaal bepaalde waarschijnlijkheden buiten spel zetten. Het is geen intelligente kritiek op Kafka&#8217;s <i>Proces<\/i> om alle in die roman optredende figuren aan normen van psychologische waarschijnlijkheid te toetsen. Iets wat men wel mag doen bij romans als <i>Madame Bovary<\/i> of <i>Een nagelaten bekentenis.<\/i> Maar bij de door een Wodehouse gekozen spelregels is juist het \u2018ignoring life altogether\u2019 essentieel. \u2018I go off the rails\u2019, schreef hij aan zijn vriend Townend, \u2018unless I stay all the time in a sort of artificial world of my own creation. A real character in one of my books sticks out like a sore thumb\u2019.<a href=\"#210\" name=\"210T\"><span class=\"notenr\">15.<\/span><\/a>\r\n<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Vaak worden de spelregels voor de verdeling van werkelijkheid en fictie aan de schrijver aangereikt door conventies. Als zo&#8217;n conventie gaat verdwijnen, krijgt de lezer dan moeilijkheid met de onwaarschijnlijkheden van het verhaal. Tot zeker de helft van de zeventiende eeuw &#8211; en in de Russische literatuur volgens Karel van het Reve nog tot in de negentiende eeuw &#8211; bestond er een literaire conventie dat men zich door zich te verkleden ook voor zijn naaste vrienden en verwanten onherkenbaar maakt. In West-Europa werd die conventie nog tot aan het eind van de achttiende eeuw (en waarschijnlijk ook later) in de opera gehandhaafd. Een kras staaltje van deze conventie vinden we in de in zijn tijd meest beroemde Franse roman uit het begin van de zeventiende eeuw, de eindeloze en eindeloos nagevolgde herdersroman <i>Astr\u00e9e<\/i> van de abb\u00e9 d&#8217;Urf\u00e9. De wonderschone \u2018herderin\u2019 Astr\u00e9e heeft aan de haar vurig beminnende\r\n<\/p><div class=\"pb\">[p. 611]<\/div><p>\u2018herder\u2019 C\u00e9ladon te kennen gegeven dat hij haar nooit meer onder de ogen mag komen. Dit decretum horribile moet uiteraard naar de letter worden uitgevoerd, wat C\u00e9ladon tot een zelfmoordpoging en alle mogelijke verdere ellende brengt. Tenslotte weet een oude en wijze dru\u00efde hem te bewegen om als meisje verkleed en uiteraard onder een andere naam met Astr\u00e9e en haar vriendinnen te gaan samenleven. Dat leidt dan tot veel en extensief geliefkoos tussen Astr\u00e9e en de verklede C\u00e9ladon (tussen meisjes mag zoiets immers), zonder dat Astr\u00e9e de sexe en de identiteit van C\u00e9ladon ontdekt. Volgens de regels van het spel kijkt een romanpersonnage niet door een verkleedpartij heen. In ieder geval stond het Astr\u00e9e vrij, er niet doorheen te kijken.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Als conventionele spelregels hun kracht verliezen, verliest het verhaal de betekenis die het voor de schrijver en zijn contemporaine lezers had. Maar zo&#8217;n verjaring van spelregels kan een latere lezer de bewegingsvrijheid geven om een andere betekenis aan het verhaal toe te kennen. Zo staat het de moderne lezer van het verhaal van Astr\u00e9e en C\u00e9ladon vrij, achter Astr\u00e9c&#8217;s niet doorzien van C\u00e9ladons ware identiteit te vermoeden dat zij die identiteit liever niet <i>w\u00eclde<\/i> doorzien. En daarmee hebben we dan \u2018le serpent dans la bergerie\u2019.<a href=\"#211\" name=\"211T\"><span class=\"notenr\">16.<\/span><\/a> Dat d&#8217;Urf\u00e9 dit niet bedoeld heeft, is nu niet meer van doorslaggevend belang. Een literair werk kan soms profiteren van verjaringen van conventies.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">\u00a0<\/p>\r\n\r\n<p>Aanleiding tot het schrijven van dit stuk is voor mij geweest mijn verwondering over het samengaan van faits divers en fictieverhalen in Glazemakers verhalenbundel: faits divers gebracht om hun \u2018echt gebeurd\u2019 zijn, en fictieverhalen waarbij dat echt gebeurd zijn niet van belang is. Wat me fascineerde was het doorelkaarlopen van de belangstelling voor de wonderlijke werkelijkheid en die voor het mooie verhaal.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Wat mij n\u00fa frappeert, is, dat dat doorelkaarlopen van belangstellingen, of die dubbelzinnigheid in belangstelling, eigenlijk is bl\u00edjven bestaan, al openbaart zij zich nu op andere manieren.<\/p>\r\n\r\n<p class=\"indent\">Daarbij is het goed te bedenken, dat het hier niet gaat om een tegenstelling tussen werkelijkheidsrelaas en literatuur. Of de fictieverhalen in Glazemakers bundel tot de literatuur kunnen worden gerekend &#8211; of ze die pretentie hadden &#8211; is voor het probleem waar het mij om gaat van geen belang. Ook een verhaal uit de Bouquetreeks wordt niet gebracht als een verslag van wat werkelijk gebeurd is, maar het pretendeert evenmin \u2018literatuur\u2019 te zijn, en wordt niet als zodanig gelezen. Omgekeerd pleegt ook het literaire proza een verhaal te vertellen. \u2018Yes &#8211; oh dear yes &#8211; the novel tells a story\u2019, zuchtte Forster.<\/p>\r\n<div class=\"pb\">[p. 612]<\/div>\r\n<p>Het probleem van het belang van de werkelijkheid in de verhalen die mensen elkaar vertellen is een probleem van het verhalen vertellen, niet speciaal een probleem van de literatuur. Maar wel is het \u00f3\u00f3k een probleem van de literatuur, voor zover deze verhalen vertelt. Wie zou, om een van onze belangrijkste vertellers van korte verhalen op te voeren, wie zou bij de \u2018Kronkels\u2019 van Carmiggelt durven beweren, dat naast de perfectie van het verhaal de illusie van werkelijkheid nooit enige rol speelt in zijn appreciatie ervan?<\/p>\r\n\r\n<\/div><div class=\"wp-block-column dbnl-rechts is-layout-flow wp-block-column-is-layout-flow\" style=\"flex-basis:33.33%\"><div id=\"noten-apparaat\"><div class=\"interp\">\n<h3>Over dit hoofdstuk\/artikel<\/h3>\n<p><label>auteurs<\/label><\/p>\n<p> <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=drio001\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">H. Drion<\/a><\/p>\n<p>over  <a href=\"https:\/\/www.dbnl.org\/auteurs\/auteur.php?id=glaz001\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">Jan Hendriksz Glazemaker<\/a><\/p>\n<br>\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-196\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#196T\" name=\"196\"><span class=\"notenr\">1.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>Glazemaker 1682-1982, Catalogus bij een tentoonstelling over de vertaler Jan Hendriksz Glazemaker in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.<\/i> 1982.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-197\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#197T\" name=\"197\"><span class=\"notenr\">2.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Het is dan ook merkwaardig dat het door Te Winkel niet genoemd wordt in zijn overzicht van vertaalde verhalenbundels uit die tijd (<i>Ontwikkelingsgang<\/i> 2e druk, <span class=\"small-caps\">iv<\/span> (1924), hfdst. <span class=\"small-caps\">lvii<\/span>, blz. 319 e.v.). De vertaling door Johan Grindal van John Reynolds&#8217; <i>Tonneel der wereldtse rampsaligheden<\/i> (1667), die Te Winkel w?l noemt, schrijft hij, zoals lang gebruikelijk is geweest, ten onrechte aan Glazemaker toe (zie hierover C.W. Schoneveld, <i>Intertraffic of the mind.<\/i> Diss. Leiden, 1983, blz. 90 e.v.).<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-198\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#198T\" name=\"198\"><span class=\"notenr\">3.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Joyce, <i>Letters<\/i> <span class=\"small-caps\">i<\/span>, blz. 175, geciteerd door R. Ellmann, <i>James Joyce,<\/i> new ed. 1982, blz. 519.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-199\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#199T\" name=\"199\"><span class=\"notenr\">4.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Ik ontleen dit citaat aan Ph. Van Tieghem, <i>Petite histoire des grandes doctrines litt?raires en France.<\/i> Paris, 1946, blz. 25. Het voorwoord bij <i>Ibrahim<\/i> is ook &#8211; in een 17e eeuwse Engelse vertaling &#8211; te vinden in <i>Prefaces to fiction,<\/i> The Augustan Reprint Society, publ. nr. 32 (Los Angeles 1952), blz. <span class=\"small-caps\">i<\/span> e.v. In de Nederlandse vertaling van de roman (1679) is het voorwoord weggelaten en vervangen door een voorwoord van de vertaler.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-200\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#200T\" name=\"200\"><span class=\"notenr\">5.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Blz. 153 e.v. Ik ben het met H. van den Bergh (Tirade 1971, nr. 167\/168, blz. 345 e.v.) eens, dat Van het Reve hiermee een voor hem re?el schrijversprobleem heeft willen aansnijden.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-201\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#201T\" name=\"201\"><span class=\"notenr\">6.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Leiden, 1624 (36 blzz.). Het verhaal is onlangs als deel 3 van de serie <i>Literatuur en maatschappij in de zeventiende eeuw<\/i> op voortreffelijke wijze heruitgegeven door een werkgroep van Amsterdamse neerlandici onder leiding van E.K. Grootes (Muiderberg, D. Coutinho, 1984).<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-202\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#202T\" name=\"202\"><span class=\"notenr\">7.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>Broodje aap.<\/i> Amsterdam, 1978.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-203\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#203T\" name=\"203\"><span class=\"notenr\">8.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Zoals altijd lopen de verschillende vertalingen niet onaanzienlijk uit elkaar, maar niet in wat voor mijn doel de kern van de zaak betreft. Vgl. de vertalingen van Arthur Waley I, blz. 501 (in de editie van Allen and Unwin van 1973), van Ivan Morris in <i>The world of the shining Prince,<\/i> App. 5 (Penguin Books 1969, blz. 316), van E.G. Seidensticker (1976), blz. 437, en van Oscar Benl (Duits) I, blz. 727 (Z?rich, Manesse Verlag, 1966).<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-204\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#204T\" name=\"204\"><span class=\"notenr\">9.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Wat Kamakazura betreft, blijkt trouwens wel uit een eerdere passage haar realizering van het mengsel van werkelijkheid en fictie in veel van de romantische verhalen die zij zo graag hoort of leest.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-205\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#205T\" name=\"205\"><span class=\"notenr\">10.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Zie onder meer de voortreffelijke beschouwing van H. van den Bergh, <i>Literatuur als gelogen werkelijkheid<\/i> in Tirade no. 167\/168 (1971), blz. 345 e.v.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-206\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#206T\" name=\"206\"><span class=\"notenr\">11.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>\r\n<i>Journal des faux-monnayeurs<\/i> (1926), blz. 72.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-207\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#207T\" name=\"207\"><span class=\"notenr\">12.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Ibidem, blz. 90. In <i>Les faux-monnayeurs<\/i> (Ed. Pl?iade, blz. 1086) zegt Edouard dat hij wel ge?nteresseerd is in de werkelijkheid, maar dat deze hem hindert. Andr? Breton was een paar jaar eerder in zijn <i>Manifeste du surr?alisme<\/i> van 1924 nog veel feller tegen het realisme in de romans van leer getrokken.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-208\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#208T\" name=\"208\"><span class=\"notenr\">13.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>Ed. Pl?iade, blz. 1082.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-209\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#209T\" name=\"209\"><span class=\"notenr\">14.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>In zijn essaybundel <i>Le roman exp?rimental<\/i> (1880), blz. 206 (in het opstel over <i>Le sens du r?el).<\/i>\r\n<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-210\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#210T\" name=\"210\"><span class=\"notenr\">15.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>P.G. Wodehouse, <i>Performing flea<\/i> (1953), herdrukt in <i>Wodehouse on Wodehouse<\/i> (Penguin Books 1980) ad blz. 342.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><div class=\"notes-container\" id=\"noot-211\">\r\n<div class=\"note\">\r\n<dl>\n<dt>\r\n<a href=\"#211T\" name=\"211\"><span class=\"notenr\">16.<\/span><\/a>\r\n<\/dt>\r\n<dd>G. Genette in zijn inleiding bij de &#8211; zeer verkorte &#8211; uitgave van <i>L&#8217;Astr?e<\/i> in de ?10\/18?-editie van 1964.<\/dd>\r\n<\/dl>\n<\/div>\r\n<\/div><\/div><\/div><\/div>","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[p. 600] H. Drion Hoe bestaat &#8216;t&#8230; hoe verzint ie &#8216;t Johan Hendriksz Glazemaker moet ongeveer vijfentwintig jaar oud zijn geweest, toen in 1645 bij Jan Jacobs Schipper te Amsterdam het Toonneel der werreltsche veranderingen verscheen, \u2018uyt verscheyde schrijvers, door J.H. Glazemaker, vertaalt\u2019. Hij had toen al twee vertalingen op zijn naam staan. In haar&#8230; <a class=\"more-link\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/\">Lees verder <span class=\"read-more-arrow\"><\/span><\/a><\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","class_list":["post-301598","dbnl","type-dbnl","status-publish","hentry"],"acf":[],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO plugin v26.4 - https:\/\/yoast.com\/wordpress\/plugins\/seo\/ -->\n<title>H. Drion  Hoe bestaat &#039;t... hoe verzint ie &#039;t &#183; Uitgeverij Van Oorschot<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"H. Drion  Hoe bestaat &#039;t... hoe verzint ie &#039;t &#183; Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"[p. 600] H. Drion Hoe bestaat &#8216;t&#8230; hoe verzint ie &#8216;t Johan Hendriksz Glazemaker moet ongeveer vijfentwintig jaar oud zijn geweest, toen in 1645 bij Jan Jacobs Schipper te Amsterdam het Toonneel der werreltsche veranderingen verscheen, \u2018uyt verscheyde schrijvers, door J.H. Glazemaker, vertaalt\u2019. Hij had toen al twee vertalingen op zijn naam staan. In haar... Lees verder\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Uitgeverij Van Oorschot\" \/>\n<meta property=\"article:modified_time\" content=\"2021-06-04T14:06:49+00:00\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"29 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\/\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/\",\"name\":\"H. Drion Hoe bestaat 't... hoe verzint ie 't &#183; Uitgeverij Van Oorschot\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\"},\"datePublished\":\"1984-12-31T23:01:01+00:00\",\"dateModified\":\"2021-06-04T14:06:49+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"DBNL\",\"item\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"H. Drion Hoe bestaat &#8216;t&#8230; hoe verzint ie &#8216;t\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website\",\"url\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/\",\"name\":\"Uitgeverij Van Oorschot\",\"description\":\"\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"H. Drion  Hoe bestaat 't... hoe verzint ie 't &#183; Uitgeverij Van Oorschot","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"H. Drion  Hoe bestaat 't... hoe verzint ie 't &#183; Uitgeverij Van Oorschot","og_description":"[p. 600] H. Drion Hoe bestaat &#8216;t&#8230; hoe verzint ie &#8216;t Johan Hendriksz Glazemaker moet ongeveer vijfentwintig jaar oud zijn geweest, toen in 1645 bij Jan Jacobs Schipper te Amsterdam het Toonneel der werreltsche veranderingen verscheen, \u2018uyt verscheyde schrijvers, door J.H. Glazemaker, vertaalt\u2019. Hij had toen al twee vertalingen op zijn naam staan. In haar... Lees verder","og_url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/","og_site_name":"Uitgeverij Van Oorschot","article_modified_time":"2021-06-04T14:06:49+00:00","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"29 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/","name":"H. Drion Hoe bestaat 't... hoe verzint ie 't &#183; Uitgeverij Van Oorschot","isPartOf":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website"},"datePublished":"1984-12-31T23:01:01+00:00","dateModified":"2021-06-04T14:06:49+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/h-drionhoe-bestaat-t-hoe-verzint-ie-t\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"DBNL","item":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/dbnl\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"H. Drion Hoe bestaat &#8216;t&#8230; hoe verzint ie &#8216;t"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/#website","url":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/","name":"Uitgeverij Van Oorschot","description":"","potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"}]}},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl\/301598","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/dbnl"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/dbnl"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=301598"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vanoorschot.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=301598"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}