Druilende burgerij

In de weinige nagelaten papieren van Jan van Nijlen werden vier kleine cahiers gevonden die een onafgewerkte maar doorlopende en samenhangende prozatekst bleken te bevatten. De dichter van Het oude kind kijkt daarin, omstreeks zijn 75e jaar, terug op zijn vroege jeugd: die van een in zich zelf gekeerde jongen in het met bevreemding en wantrouwen waargenomen milieu van de Antwerpse kleine burgerij rond de eeuwwisseling. Tegen de achtergrond van hun sombere huizen en, soms, hun wonderlijke tuinen doet hij de min of meer kleurrijke figuren herleven waartussen hij opgroeide. Hij vertelt over zijn verblijf in de nonnenschool onder de rook van de steenbakkerijen, over het onderwijs door de jezuïeten dat hij als een automaat onderging, over zijn contact met de natuur tijdens de vakantie in de Antwerpse Kempen. Hij beschrijft de verbazing waarmee hij de wereld van planten en insekten ontdekte, het vage gevoel van herkenning toen hij voor het eerst echte poëzie (van Gezelle) las, en zijn teleurstelling toen hem duidelijk werd dat die liefhebberijen niet au sérieux genomen werden, want ‘onze Jan moest in de zaak komen’. Nadat deze herinneringen postuum in Tirade waren gepubliceerd, schreef Kees Fens in De Tijd dat hij ‘niet alleen geboeid, maar vooral getroffen was en niet het minst hierdoor, dat Van Nijlen in staat blijkt bijna onhoorbaar proza te schrijven’.

ISBN 9789028205567
108 pagina's

Prijs:

 9,25

Op voorraad