Foto Edward S. Curtis, 1908, naam nog niet achterhaald

Broadway the Hard Way – over al of niet uitsterven

De encyclopedie van het geluk 29

Een van de opvallendste straten in New York is natuurlijk Broadway, alleen al op de kaart als je de schuine lijn al die rechte blokken ziet snijden. Het is een mooie, voortdurende herinnering aan wat niet voorbij is: de aanwezigheid van Native Americans in Amerika. Het is oorspronkelijk de ‘Wickquasgeck trail,’ het brede pad waarmee de Wickquasgeck – een Native American volk – het schiereiland Manhattan opreden. In wezen schijnt het 600 km door te lopen richting het noorden.

In Rebecca Solnits hoopgevende nieuwe boek The Beginning Comes After the End gaat het veel over de ‘Indeginous people’ de mensen die voor Columbus al in Amerika woonden. Haar hoopvol verhaal spitst zich toe op de vele na pakweg 1870 ontstane emancipatiebewegingen: van vrouwen, van Afro-Amerikanen, Hispanics en van Native People. Deze bewegingen – versneld na 1950 – die ook veel aan elkaar te danken hebben, elkaar nogal versterkt hebben, brachten een verandering in gang die nu weliswaar heftig bestreden wordt, maar waarvan de geest niet meer terug in de fles gaat. Volgens Solnit zijn de autocraten en oorlogshitsers van vandaag, ze noemt ze maar zelden bij naam, de ‘monsters uit de duisternis’  die nu eenmaal verschijnen bij het einde van een tijdperk. Hun rijk is stervende. Dat is wel de hoop die je wilt horen. Verandering is ingezet, de haviken voeren een achterhoedegevecht tegen de duiven.

Op een bijeenkomst in de jaren -90 van de twintigste eeuw, over de geschiedenis van zijn volk werd een leider van het volk van de Ahwahneechee van Yosemite verteld dat hij en zijn volk uitgestorven waren. Een vreemde opmerking om te maken in het gezicht van een levend mens. In het boek van Solnit blijkt dan ook dat niets minder waar is. Veel Native American volken zijn recentelijk succesvol geweest in het terugkrijgen van hun land. En er wordt steeds meer geluisterd naar hun manier van met land omgaan: zo is in California geleerd dat de manier waarop daar levende volken met vuur hun land onderhielden uiteindelijk tot minder natuurbranden leidt. De kolonisten vonden het belachelijk: maar zo nu en dan preventief een stuk grasland of bos in de hens zetten creëert vuurdrempels die veel erger voorkomen

David Graeber schrijft in The Dawn of Everything over zeventiende-eeuwse europeanen: ‘ In feite waren [ze] in veel opzichten totaal anders dan wij. Als het ging om kwesties van persoonlijke vrijheid, de gelijkheid van mannen en vrouwen, seksuele zeden of volkssoevereiniteit—of zelfs, wat dat aangaat, theorieën over dieptepsychologie—liggen inheemse Amerikaanse opvattingen waarschijnlijk veel dichter bij die van de lezer dan die van de zeventiende-eeuwse Europeanen.’

Kortom, ze zijn niet uitgestorven, en hebben Europa veel meer beïnvloed dan we wel dachten, claimt Solnit met Graeber. En dat betekent dus dat we nog steeds leren van inzichten die we eeuwen terug belachelijk en primitief vonden. We zitten midden in een grote paradigmawisseling.

In Michael J. Bentons Extinctions wordt diep ingegaan op de verschillende golven van uitsterven die de wereld al heeft ondergaan. Vijf golven van massa-uitsterven over de loop van 540 miljoen jaar. Misschien minder opwekkende lectuur dan Solnit, maar ergens zie ik overeenkomsten: een uitsterven is zelden een compleet uitsterven. En wat er overblijft, tsja, dat leidde ook tot wat wij nu een te beschermen wereld vinden. Ik doe dit boek eveneens veel onrecht door het te kort samen te vatten, maar: pieken in soortenverlies: ‘uitsterfgolven’ volgen een min of meer gelijksoortig patroon, vaak temperatuurschommelingen door verhoogd co2, sterfte op land, troep in zee, verzuring van de zee. In wat er aan soorten overblijft volgt vervolgens vaak een diversificatie: snel veel nieuwe soorten…

Door nauwkeurig naar uitsterven te kijken wordt het wel wat minder eng. De voor de hand liggende gedachte: ‘er overleven vast wel een paar dieren en planten en die ontwikkelen zich tot nieuwe boeiende soorten’ helpt ons Homo sapiens niet zo veel. Maar iets vrolijks zit er toch in. Helemaal uitsterven, dat kan ook ons nog bespaard blijven.

Laten we hopen dat de monsters van de duisternis, volgens Solnit, de achterhoedevechters van de ongelijke samenleving het eerst het loodje leggen.

Trump is al een end heen. Volgens Geert Mak is hij gewoon een psychiatrisch patiënt, een oude man die ontremd is geraakt en niet meer bijgestuurd wordt.

Ook hij krijgt de geest van verandering niet meer in de fles. Het tijdperk van de Trumposaurus komt tot een einde…

Lezen:

Rebecca Solnits The Beginning Comes after the End, Notes on a World of Change
Michael J. Benton Extinctions How Life Survives, Adapts and Evolves
David Graeber and David Wengrow, The Dawn of Everything A New History Of Humanity

En natuurlijk luisteren: Broadway the Hard Way, Frank Zappa

ps, de Curtis foto (niet uit The North American Indian The Complete Portfolios, maar uit the Unpublished Plains) sprak me – zoals veel van zijn foto’s – enorm aan. Nu vind ik tot mijn ergernis niet de naam en het volk van deze man. Graag Schrijf ik de volgende keer verder over de ongemakkelijke kwestie van antropologische fotografie: zonder Curtis zouden we deze prachtige man niet kennen, maar met Curtis… kennen we ook voornamelijk Curtis….

Zie ook hier.

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Collage – over de schoonheid van een snipper

De encyclopedie van het geluk 28

13 april 1923 arriveert op station Drachten een man wiens belangrijkste bezit een koffer vol papiersnippers is. Hij wordt afgehaald door de broers Thijs en Evert Rinsema, beiden kunstenaar, de eerste ook schoenmaker. Het intieme detail dat de man meteen sympathiek maakt.

Lijm moet een redelijk vroeg gereedschap van de mensheid zijn geweest: na de ontdekking van het vuur zal een mensachtige zijn opgevallen dat wat in de pan zit aan botresten nadat je het vlees hebt opgegeten, plakkerig is, soms zeer plakkerig.

Kurt Schwitters – de kofferdrager – is naast veel meer een eigenzinnig collageartiest: hij zoekt, verzamelt, scheurt en knipt en plaatst en plakt, daar komt het woord ook vandaan: colle is lijm. Het Woordenboek der Nederlandse taal zegt bij collage: ‘non-conformistische, vooral dadaïstische kunstuiting, bestaande uit een geheel van aan elkaar geplakte of gehechte knipsels, (deelen van) foto’s e.d. en/of veelal ongelijksoortige gebruiksvoorwerpen. Rond 1910 geïntroduceerd door G. Braque en P. Picasso en aanvankelijk bekend onder de fr. ben. papiers collés.’

Het echte collagemaken heeft massaproductie nodig: duur papier scheur en knip je niet: afvalpapier, tijdschriften en kranten, sigarettenpakjes, aanplakbiljetten, die knip en plak je. En dan gaat het om vorm, kleur, betekenis. Rijm, analogie, ritme. Het is een democratiserende kunstvorm. Er is geen vooropleiding of al te veel talent voor nodig. Het gaat om samenstellen, herkennen wat mooi is, een reactieve kunstvorm dus eigenlijk. Als je op zeker moment genoeg gekeken hebt in je leven, voldoende schilderijen hebt zien langskomen, landschappen, dan kun je een collage maken.

Een vreemde opeenvolging van andersoortige gebeurtenissen: een leven. Twee dingen die je na elkaar meemaakt gaan een verbinding aan: contaminatie, het een neemt iets van het ander over.

Of je wilt iets aan iets anders verbinden en brengt je twee beste vrienden met elkaar in contact. Collage. Als je erover gaan nadenken is alles collage. Ik ben bijvoorbeeld steeds onder de indruk van historici als Geert Mak. Soms vraag je je af: hoe doet hij dat? Welnu, in wezen is elke geschiedschrijving niet heel veel meer dan een kundige collage. De schrijver was er niet bij, hij plakt wat hij hier las aan wat hij daar las en verheldert soms het verband. Poëzie: collage. Heel veel film is collage van beeldmateriaal. Ook een nieuw gemaakte film is aaneenplakken van beelden uit het hoofd van de cinematograaf. Dansen: als je goed oplet is niet alleen dansen op een feest, maar ook veel choreografie vaak citeren van elkaars bewegingen of citeren van bewegingen die eens zijn gezien bij een ander ballet. Het essay zelf is het collagekunstwerk bij uitstek, citaten worden gebruikt als lijm van contrasterende tekstdelen. Een tuin is een collage van leven: het naast elkaar plaatsen van kunstwerken uit de natuur die een aantrekkelijk geheel vormen.

Het Lied van Alma

De jongen zat bij de beek,
Het water was zo hel-
der, op de bodem een vis zo leek
De vis zwom bliksemsnel
De jongen sprong naar beneden,
Het water was zo diep,
En beneden op de bodem,
Hoe het vanuit de verte riep:

Je bent hier niet bij de beek
En wat hier flitst zo fel,
is geen wendbare vis.
Je springt bliksemsnel,
Je springt diep naar beneden,
Je springt een end en ver:
Hier beneden op de bodem
Daar is de vreemde ster.

Kurt Schwitters

En zo is de collage de meest democratische kunstvorm: je hoeft er niets voor te kunnen, je moet iets herkennen als mooi. En vinden dat dingen bij en naast elkaar horen. En liefde voor het toeval helpt. Je creëert niet: je voegt samen, je stelt samen uit wat er al is. Je herkent en assembleert. In mijn collagepoging hier wordt Kurt Schwitters gedicht nog een poëticaler gedicht denk ik, en Martinus Nijhoffs gedicht misschien kosmischer. Maar ergens zit er een analoge centrale gedachte in deze gedichten. En ergens heeft die met een herinnering te maken, iets met water, vissen, een jongetje. En ik ben dan hier slechts lijm. Erg knap is dat niet, maar misschien stonden deze gedichten wel nooit eerder zo dicht bij elkaar.

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Martinus Nijhoff

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

DE MENS ALS BIOPIC 15 Vincent van Gogh en de anderen 1

Afwezigen behoren tot de meest aanwezige karakters in verhalen. Ze zijn er niet, maar beheersen alle fictie en non-fictie van sprookjes tot nieuwsfeiten, van mythe tot cult movie, van Homerus tot Harry Potter.

Favoriet in de categorie der afwezigen zijn God en Allah, maar wat te denken van een nog steeds rondlopende seriemoordenaar, een verdwenen geliefde, de ondergedoken dictator, een onvindbare erfgenaam, de al te stille buurvrouw, de slimme veelpleger, de geheime aanbidder, Dr. Livingstone, de geest van vader, Bolle Jos?

Het zijn de niet-aanwezigen die spanning en dynamiek genereren. AMBER Alert! 

Dit dramaturgisch gegeven gebruikte ik in de achtdelige dramaserie Langs de Kant van de Weg. De serie gaat over mensen die tijdelijk een rol speelden in het leven van Vincent van Gogh. Mensen die straal vergeten – niet aanwezig – zouden zijn wanneer zij niet kort beschenen werden door het licht en het genie van Vincent van Gogh. Zij vormen de acht hoofdrollen in deze tv-serie.

*

Deel 1 VROUW MET KIND

Clasina (Sien) Maria Hoornik (1850–1904)

De serie begint met een hoogzwangere vrouw in een ziekenhuisbed. Haar dochtertje Willemien – vijf jaar – tikt as van een sigaar die haar moeder daar rookt. Sien Hoornik werkte als prostituee en hoogstwaarschijnlijk hebben Van Gogh en Hoornik elkaar op die manier ontmoet. Ze woonden twee jaar samen. Vincent timmerde een wiegje voor de baby – niet de zijne – en hij tekende alles wat los en vast zat in hun Haagse buurtje. Van trouwen kwam het niet.

Dat er over de aard van hun samenleven niet veel bekend is, maakte het mij voor makkelijk scènes te bedenken over Vincents artistieke ambities en hoe die ten slotte het samenzijn met Sien onmogelijk maakten.  

SIEN:

‘Jij bent geen kunstschilder, want die zijn rijk.’

‘Die rotzooi van jou, daar kan ik nog geen kachel van stoken.’

‘Ik ben ook niks, maar ik heb wel twee kinderen.’

VINCENT:

‘Als jij niks bent, zou ik je niet kunnen tekenen!’

Vincent wil weg. Naar Drenthe.

SIEN:

‘Ga dan! Ik zit niet verlegen om die Jezuïeten-smoel van je.’

Vincent vertrekt, op 11 september 1883. Op 22 september 1904 wordt aan rand van de Provenierssingel in Rotterdam het lichaam van een vrouw gevonden, ‘zeer vermagerd en met loshangend haar’. Sien.

*

Deel 2 DIE VERREKTE VAN RAPPARD

Anthon Gerard Alexander van Rappard – vijf jaar jonger dan Vincent – is ook zo’n naam die alleen genoemd wordt in relatie tot Van Gogh. Is dat jammer?

Zijn werk is opvallend vergelijkbaar met dat van George Hendrik Breitner, maar Van Rappard lijkt meer betrokken bij de mensen die hij schilderde en dat verbond hem dan weer met Van Gogh, met wie hij veel optrok.

De twee mannen werden goede vrienden, kameraden zelfs. Ze schilderden de watermolen van Nuenen, markante koppen van boeren, wevers, drukkers en arbeiders in hun werkplaatsen.

Anthon van Rappard was ook de eerste mens op aarde die oog in oog stond met De Aardappeleters.

Daar ging, zoals vaker bij Van Gogh, een ruzie aan vooraf.

VINCENT:

‘Anthon… Jij denkt schilderen te leren zoals je dansen leert, of eten met bestek. Ga weg van die academie, een ijzige, kouwe hoer.
De zucht naar harmonie is de dood!’

Hierna zagen de twee vrienden elkaar een tijd niet. Maar dan gaat Anthon toch onaangekondigd naar Nuenen. Vincent is daar niet, zo blijkt.

Anthon staat ten slotte achter de pastorie in het atelier/de schuur van zijn kunstbroeder.

Het is er doodstil.

Voorzichtig trekt hij uit een tiental onaffe doeken een nogal groot schilderij tevoorschijn. Hij bekijkt eerst de achterzijde, draait het dan om en ziet een boerengezin rond een tafel. Bij lamplicht prikken ze aardappelen uit een grote schaal.

ANTHON:

‘Dit is…
Dit is verschrikkelijk.
Een vloek. Een vloek is ‘t.
Ik kan jou hierin niet volgen.’

Zonder op Vincent te wachten, vertrekt Anthon van Rappard uit Nuenen.

*

Deel 3 DIRECTEUR IN ANTWERPEN

Michiel Karel Verlat (1824–1890)

Karel Verlat was een groot kunstenaar, maar werd te laat geboren. Dat was tragisch, althans zo portretteer ik hem in Langs de Kant van de Weg.

Verlat maakte tableaus met dieren in actie en verbleef een paar jaar in Jeruzalem om daar Bijbelse taferelen te schilderen. Hij werd gerespecteerd, maar Verlat komt ook de eer toe een van onze allergrootste kunstenaars van zijn Antwerpse academie geschopt te hebben met teksten als: ‘Kunst is moeder en dienares van het volk, maar zij is ook mannelijk, stoer en strijdbaar. Indien nodig is kunst vernietigend, streng en onbarmhartig.’

En tegen Vincent persoonlijk:

‘Uw boer Theo heeft in Parijs een… kunsthandel. Daar verkoopt hij kinderlijke uitsmeersels gemaakt door hasjies-gebruikers, absintdrinkers, impressionisten!’

En als Vincent nota bene een sigaret rokende schedel heeft geschilderd:

‘Er is in onze academielokalen geen plaats voor primitieve, onbeschaafde gemoedsuitstortingen, geen… verf-ophopingen! Ons monument van Schone Kunsten zal niet aangevreten worden door… charlatans.’

Het was voor mij een wellustig genoegen om de academievorst Verlat – prachtig gespeeld door Julien Schoenaerts – te zien vechten tegen het aanstormend modernisme. Ik had met hem te doen en dus zegt Verlat ten slotte ook tegen Vincent:

‘Mogelijk is er enig genie in u, Vincent van Gogh. Maar u zult begrijpen dat nabijheid van genie voor mij onverdraaglijk is.’

*

Deel 4 BROER IN PARIJS

Theodorus van Gogh (1857–1891) steunde zijn broer Vincent in elk opzicht, een aangrijpende broederliefde die legendarisch werd.

Als je zielsveel van iemand houdt, hoelang verdraag je dan diens kuren, diens stapels door iedereen afgewezen tekeningen en schilderijen? Hoe rekbaar is Theo’s geloof in zijn broer, met wie hij ook nog eens samenwoont: Rue Lepic 54.

Kunsthandel Boussod Valadon aan Boulevard Montmartre, najaar 1887. Theo is daar bedrijfsleider, maar heeft het moeilijk.

VALADON:

‘Hoe vaak heb ik u al gezegd dat ik nooit meer die rommel van uw broer in mijn zaak wil. Wanneer u nog eenmaal die smerigheid durft op te hangen, dan vliegt u eruit!’

Theo geeft toe, waarna het tussen de broers opnieuw hoog oploopt.

VINCENT:

‘Je stagneert een evolutionair proces, Theo. De generaties die na ons komen zullen je met de vinger nawijzen.’

Nu glimlacht Theo toch even. Hij herkent door alle teleurstellingen heen het vermogen van Vincent om de schilderkunst, zelfs het hele begrip ‘afbeelden’, te vernieuwen. Theo weet zich overigens wel gesteund door tijdgenoten als Claude Monet, Edgar Degas, Paul Gauguin, Toulouse Lautrec en Paul Signac.

Het was voor regisseur Jan Keja, voor mij en het hele productieteam een feest om al deze kunstenaars te laten leven en om te horen hoe zij lacherig op het werk van Vincent reageerden.

En dat allemaal in de schaduw van een nog half gebouwde Eiffeltoren.

Aan het eind van de aflevering wordt de situatie tussen de broers aan de Rue Lepic onhoudbaar.

THEO:

‘Je bent bloeddorstig. Elke kruimel brood die je eet, elke vezel textiel aan je lichaam komt uit mijn zak. Ik wil me niet schamen voor jou. Ga weg uit Parijs.
En eh…
Ik ga trouwen.’

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Dingen kwijtraken

Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp.

Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet aanspraken. Het verbaasde me hoe weinig duurzame spullen ze in zestig jaar samen hadden verzameld. Ik nam een schilderij van mijn grootvader mee, B draagt nu mijn moeders ringen.

Een paar praktische spulletjes waren er natuurlijk wel, waaronder een vulpotlood van Jos en een e-reader die ik in haar laatste maanden nog voor Ine heb gekocht. Nadim (14) wilde graag de kristallen snoeppot die altijd bij zijn opa en oma had gestaan. Een paar maanden geleden sneuvelde die pot, schijnbaar vanzelf. Opeens was hij gebarsten.

Nadim tilde het deksel eraf en de onderkant viel uiteen in twee doodenge scherpe ringen. Hij was verdrietig, onze jongen. ‘Nu heb ik niets meer van opa en oma,’ zei hij, en probeerde alles weer zo te stapelen dat het overeind zou blijven, maar ik gooide de scherven weg. Te gevaarlijk.

Het vulpotlood van mijn vader raakte ik ergens in de stad kwijt; het had in mijn binnenzak gezeten tot het daar na een late avond in het café opeens niet meer in zat.

Je hechten aan spullen is onverstandig omdat ze uiteindelijk altijd stukgaan of kwijtraken; toch voelde ik het verlies van dat potlood sterk. Het was van zilver en ik had het aan mijn vader gegeven als dank voor al zijn jaren hulp bij mijn boekhouding en belastingaangiften. Hij was duidelijk ontroerd door het cadeau en de nieuwe autonomie van zijn zoon waar het voor stond (ik was net vijfenveertig geworden).

Gisteren is mijn moeders e-reader kwijtgeraakt – ergens in huis, want niemand heeft hem mee naar buiten genomen; hoe dan ook is hij onvindbaar. Een modern apparaatje zonder patina, los van herinneringen, maar wél een van de laatste dingen die ik van haar had. Mijn moeder heeft altijd veel gelezen en vertrouwde in haar laatste jaren op mijn smaak: die e-reader was ingelogd op mijn account.

Ik wil geen nieuwe kopen. Ik wil mijn moeders Kobo terug, met dat oranje hoesje met die barst erin.


beeld: mijn vader, voor zijn ouderlijk huis in Eindhoven, circa 1946

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

‘Met een nog net coherent “goedenavond” eindigen,  dat is een ongeschreven wet’* – Over het café

De encyclopedie van het geluk 27

In een café rijg je drankjes aan elkaar.

Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De bestelling van de eerste borrel ontvalt hem vijf minuten later als een achteloosheid. Maar met die eerste begint een ketting, waaraan hij ‘s avonds om 10:00 uur nog staat te rijgen.’

Wanneer wij rustig bij elkander zaten
in de een of andre Amsterdamse kroeg,
wisten wij eigenlijk niet meer te praten
dan wat de dagelijkse dag ons vroeg.

Want, waar de één de late lucht gelaten,
de ander slechts de wilde meeuwen droeg,
schiepen drie zielen tijdens de hiaten
het zingend lied, en dat was ruim genoeg.

[…]

(Gerard den Brabander)

En even goed rijg je in je leven, cafés aan elkaar. Er is een eerste, er is een laatste en afhankelijk van je dorst zal daar van alles tussen zitten.

Mijn vader kieperde vroeger na zijn werk en voor het eten even twee jenevertjes naar binnen, ingeschonken op de ijskast. Daar bleef het dan ook bij.

De Reiger, Oorlam, Het Blaauhooft, De Ooievaar, Café Krom, Het Loosje, Bloemers, De Engelsche Reet, Brandon, het Molentje – het zijn enkele van de mooie Amsterdams kroegen waar ik heb zitten rijgen, en waar dat nog steeds kan.

En dus heb ik een beeld van wat een mooi café is. Uit de vaste elementen kun je je ideaal samenstellen: in mijn café is een L-vormige bar, met erachter een ruimte met voorraad, een keukentje. Spiegels in de drankkast, zodat je tussen twee Schotse whisky’s naar een bezoeker kunt staren. Er zijn tussen de vier en tien tafeltjes. De vloer is van houten planken met schelpenzand erop gestrooid. Hoge ramen in een hoge ruimte. Het is een hoekpand. Je moet kunnen uitkijken over een gracht en een straatje. Er is een donker hoekje voor wie daar behoefte toe voelt. De kastelein heeft een speciale kwaliteit. Hij of zij is een filosoof. Laconiek, zwijgzaam. Niet te jong. Geen pusher maar steeds aanwezig als het nodig is. Dat is een vak. Geen student beheerst dat vak. De kastelein is meester in het uitspreken van korte zinnen waar je alle kanten mee op kunt, geen gemeenplaatsen, maar vreemd filosofische meesterwerken die toch uit heel gewone woorden bestaan.

Er is een posterwand, die is zo dik als een dijbeen: decennia posters over elkaar heen geplakt. Het culturele leven in de hoofdstad maakt het café jaarlijks een paar millimeter kleiner. De vaste klanten zitten als een parlement uilen in hun glas te loeren. ‘Making love to his tonic and gin’ zong Billy Joel.

Gister zat ik in een café met een vrouw van 78 die fijntjes twee jonge klaren dronk terwijl ik mutsig aan mijn nulprocentje zat. ‘Zij smikkelde even uit haar kelkje op zo’n manier die tijdelijk geheelonthouders als ik het vuur aan de schenen legt,’ heet het bij Carmiggelt. En achter haar een man, eveneens uit Carmiggelt die ‘ouder was dan ik, maar miste de chagrijnigheid waarmee veel oude mannen hun niet langer gehonoreerd gelijk door het leven vervoeren.’

Ja het bestaat nog. Het Amsterdams café, en je mag het zelf vormgeven. Geen tapijtjes op de tafels, wel een bareitje voor 50 cent graag.

Het rijgen valt mij het meest op in een café: elk kroegbezoek vervolgt gewoon het vorige: het is een eigen universum met de tien vaste elementen in eindeloze afwisseling. De tijd staat niet stil maar gaat verder daar waar hij bij het vertrek uit de vorige kroeg gebleven was. Kroegtijd.

Die scharniert tussen de andere tijden, werktijd, vakantietijd, gezinstijd, kindertijd, relatietijd. Over of alcohol noodzakelijk is voor kroegbezoek ben ik nog niet uit. Een koffie of een thee kan ook. Maar enige beneveling helpt, al kan die goed opgedaan worden door traagheid van denken. Traagheid überhaupt. Een dromerige wereld is het eigenlijk. Daarom werkt gelijkvormigheid: god verhoede een ‘vormgegeven’, café, een nadrukkelijke omgeving weerhoudt het brein van doorrijgen in de stroom van Eerdere Cafés. En een overtreffende trap van wijze afwezigheid is een boek lezen in een café. Een binnenwereld in een binnenwereld. Een kroeg is een dromerige herhaling.

Het café moet zichzelf voegen naar het archetype van het café, zodat de bezoeker kan afdalen in alle cafébezoeken van zijn leven. En dromen van een wereld die heel even alleen maar dat is.

Een goed meisje droomt

Zij droomde, zij trof hem in een café.
Hij las en zat te eten
en keek haar aan en zei tot haar:
e hebt het boek vergeten!

Toen knikte zij en keerde om
en lachte verstolen en stralend.
En zij ging de late straten op
en dacht: ik zal het halen.

De weg was lang. Zij liep en liep
en neuriede een liedje teder.
Zij klom in de woning en bleef er een tijd
en eindelijk ging zij weder.

En toen zij het café betrad
zat hij nog altijd te eten.
Hij zag haar komen en riep haar toe:
Je hebt het boek vergeten!

Toen stond zij lang en geschrokken stil
en kon het maar niet verstaan.
Dan knikte zij weer en ging naar de deur
om de weg nog eenmaal te gaan.

Zij was zo moe en ging en kwam
en zij had toch zo gaarne gezeten.
Hij zag nauwelijks op en hij zei alleen:
Je hebt het boek vergeten!

Gerard den Brabander

lezen:

Patrick Modiano, alles, geen boek zonder uitgebreid café bezoek.
Gilles van der Loo Café Dorian
*uit S. Carmiggelt Gedundrukt

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Er geen vrij voor nemen

Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin.

Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was om begrijpelijk te maken waarom Ioannis en Ilse op het moment van hun ontmoeting zo sterk ontvankelijk waren voor elkaar.

Een niet gering aandeel in de bereidheid om de ware in een ander te zien ligt in het gevoel zonder die ander niet compleet te zijn, wat best op een probleem in de ontwikkeling kan wijzen. Maar ik wilde niet cynisch worden in dit proces – die twee verhalen moesten zo geschreven worden dat het er allebei kon zijn: geloof in ware liefde én een verleden dat hen daarvoor ontvankelijk maakte.

Gisteren belde uitgever en redacteur Menno. We vroegen hoe het met de ander ging en gaven antwoord op die vraag. Daarna zei hij dat hij wilde weten of mijn nieuwste mee zou kunnen in de najaarsaanbieding van dit jaar.

‘Nee,’ zei ik vrijwel meteen. ‘Dat lijkt me niet.’

Voorheen zou ik ja hebben geantwoord en daarna grote druk op mijn project hebben gezet, maar de haast die ik sinds het begin van mijn schrijverschap in 2010 gevoeld heb is weg. Ik had kennelijk iets in te halen, al die tijd – dacht dat ik méér moest maken, moest presteren. Mijn debuut Hier sneeuwt het nooit kwam ook pas op mijn achtendertigste.

Een reden voor het wegvallen van die haast zal in de erkenning liggen die ik voor mijn laatste boeken kreeg, en misschien helpt het dat ik sinds een paar jaar kan leven van mijn schrijverschap (wat betekent dat ik mijn inkomen haal uit optredens, lesgeven, manuscriptbegeleiding, royalties en projectsubsidies van het Letterenfonds).

Ik ben benieuwd of mijn afgenomen werkdruk tot betere boeken zal leiden. In 2010 heb ik een halfjaar vrij genomen om me volledig aan een paar korte verhalen voor mijn debuut te wijden, maar ik zou dat iedereen afraden: het kostte al mijn spaargeld en leidde niet tot meer of beter werk.

Sinds Ivo Victoria en ik als manuscriptbegeleiders samen verder gingen onder de noemer Victoria & Van der Loo, bespreken we binnengekomen werk eerst altijd even met zijn tweeën. Laatst schreef iemand in haar aanvraag dat ze een sabbatical genomen had om deze roman nu eindelijk eens af te kunnen maken. Ze had wat spaargeld, dus het was oké.

‘Wie van ons zal het haar zeggen?’ zei Ivo in die lichte toon van hem.

Don’t quit your day job is een Amerikaanse uitdrukking bedoeld om hoopvolle kunstenaars te wijzen op hun zeer magere kansen. Binnen het moderne schrijverschap hoor ik mezelf vaak Neem er vooral geen vrij voor zeggen.

Als je het echt meent, bedoel ik daarmee, dan kun je beter meteen beginnen met verdienen naast je schrijverschap.

–––––––––––––––––––––––––––––––––

beeld: Rob Waumans

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Ida Hondelink"
    Ida Hondelink

    Ida Hondelink is schrijver en performer. Ze studeert momenteel af aan de studie Writing For Performance aan de HKU. Reeds is ze actief als dichter en essayist op verschillende platforms en podia, waaronder Notulen van het Onzichtbare, Hard//hoofd, Dichters in de Prinsentuin, de U-Slam en de Nacht van de Literatuur. Haar werk is fantasierijk, maatschappijkritisch en heeft doorgaans een poëtische ondertoon.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.