Blecquenecques

Terug van weggeweest. Veel wind in Noord-Frankrijk, 5 à 6 op de schaal van Beaufort. Dat was zwaar fietsen, maar de stranden aan de Côte d’Opale waren weids en leeg. En wij altijd moe genoeg om lekker te slapen – in de tent, in trekkershutten, in hotelletjes of in wat een ‘mobilhome’ werd genoemd, in dit geval een aftandse caravan op een camping in Audinghen.

Norse blik.2Op dagen dat de weersomstandigheden ons tot immobilisme dwongen, kon ik me wijden aan mijn favoriete vakantielectuur: regionale bladen. Thuis zou ik die geen blik waardig keuren, maar op vakantie vormen ze een van mijn vaste geneugten. Het lezen van een zogeheten sufferdje, zoals La voix du Nord of Nord Littoral, past goed in de omkering van waarden waaruit vakantie voor mij bestaat; de vaak hilarische banaliteit van het lokale nieuws vormt een prettige, tijdelijke relativering van de zwaarwichtigheid, om niet te zeggen de dikdoenerigheid, van het literaire bedrijf.

In Echinghen vond het ‘Feest van de Vogelverschrikker’ plaats; in Calais is een jong poesje door de brandweer gered van een zes meter hoge tak; twee moeders in Outreau hebben de bronzen medaille van het Franse gezin gekregen; een wandeling voor bejaarden in Colembert werd afgesloten met een bedrijfsbezoek; in Alincthun trok de mosselen-friet-avond van de plaatselijke kegelvereniging een volle zaal – dat alles rijkelijk met foto’s geïllustreerd.

Voor wat doorgaans ‘nieuws’ heet hoef je dat soort bladen dus niet te kopen. Binnenlands nieuws (de socialisten zijn weer aan het bekvechten) en buitenlands nieuws (er zijn weer een paar Fransen ontvoerd in Somalië) worden in rap tempo afgehandeld. Daarentegen krijgen, afgezien van de Tour de France en de paardenraces, de faits divers alle ruimte. Vier parochieleden van een Haïtiaans kerkgenootschap verdrinken in de buurt van Trouville; een als loodgieter vermomde oplichter vergrijpt zich aan het spaargeld van ouden van dagen in Audresselles; in het gehucht Blecquenecques is het lichaam van een dode man aangetroffen, ‘in ontbinding op de canapé’. Zijn moeder lag bewusteloos aan zijn zijde. Volgens een buurvrouw ging het om ‘sociale gevallen’.

Sowieso valt het contrast op, in oude stadjes als Saint-Omer of Béthune, tussen de statige historische centra en de troosteloze arbeiderswijken waardoor ze worden omringd, algemener gezegd: tussen voormalige rijkdom en hedendaagse armoede. Dat Noord-Frankrijk een van de armste gebieden van Frankrijk vormt, verklaart wellicht ook voor een deel het electorale succes van het Front National in de regio – en het ongenoegen van regionalisten als deze, die de eeuwenlange overheersing van het centralistische Frankrijk bestrijden en de band met Vlaanderen willen aanhalen.

Het is iets wat ik nauwelijks besefte vóór deze reis: ooit behoorden de Franse Nederlanden, oftewel de huidige regio Nord-Pas de Calais plus een deel van Picardië, tot de Zeventien Provinciën, voordat de Unie van Atrecht en later de Unie van Utrecht de scheiding van de zuidelijke en noordelijke Nederlanden bezegelden.

Van de ‘Belgische’ sfeer in de streek getuigen nu, behalve die stadskernen, vooral de fraaie toponiemen. Een aardig gezelschapsspelletje voor fietsers: raad de Germaanse plaatsnaam achter de Romaanse. Caudescure: Koudeschuur. Audruicq: Ouderwijk. Esquelbecq: Ekelsbeek. Wissant: Witzand. Sangatte: Zandgat. Het oude Atrecht is door de Fransen ooit herdoopt tot Arras, misschien hadden ze Utrecht in één moeite door Urras moeten noemen. Maar plaatsnamen hoeven in principe niet te worden vertaald, dus die opmerking is voor vertalers irrelevant. Gelukkig maar. In het moerasgebied nabij Arras, in het dorpje Agnez-lès-Duisans, stuitten we op de prachtige ‘Rue Au-delà de l’eau’ – nee, met het vertalen van zo’n straatnaam valt geen vertaalwinst te boeken.

Rokus Hofstede

In de Oorshop
  • Nr. 481, 2020
    Tirade stuurt haar afgezonderde lezers met nummer 481 een pak brieven toe, zoals altijd in de vorm van nieuw en bijzonder literair werk. De onlangs gedebuteerde Jack de Boer beschrijft in een indrukwekkend essay hoe het coronavirus zijn werk als schoolmeester in de war schopte. Redacteur Anja Sicking herlas Mary Shelley’s Frankenstein en reflecteert op...
    Lees verder
  • Nr. 480, 2020
    In Tirade 480 sprankelende nieuwe poëzie van Tonnus Oosterhoff en van schrijfster en beeldend kunstenares Maria Barnas, en van Twan Schenkels, Merlijn Huntjens en Hanz Mirck. De kersverse Libris-winnaar Sander Kollaard schreef een essay over Onderdak, de tweede roman van Elisabeth van Nimwegen. Andere essays zijn er van Guido van Hengel, over straathonden in voormalig...
    Lees verder
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder
  • Nr. 450, 2013
    Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden. Met bijdragen van: Joop Goudsblom P.F. Thomése Franca Treur A.H.J. Dautzenberg Gilles van der Loo Tomas Lieske Marita Mathijsen Frits Abrahams Detlev van Heest Henk Broekhuis Binnert de Beaufort Roos van Rijswijk Walter van den Berg Maria Barnas Marko...
    Lees verder
  • Nr. 449, 2013
    Met bijdragen van: Heather BellWalter van den BergWim BrandsNikki DekkerMatthew DickmanAuke HulstFlorian Illichmann-RajchlSander KollaardHalbo KoolDelphine LecompteEva MeijerAki OllikainenZośka PapużankaCarel PeetersStine PilgaardLiz RosenbergBrenda ShaughnessyRichard SikenLize SpitLeo VromanJoost Zwagerman

Babel

Je zou het haast niet voor mogelijk houden, en dat is het eerlijk gezegd ook haast niet, maar soms doen vertalers iets anders dan vertalen of bloggen. Nadenken over een zelf te schrijven roman, bijvoorbeeld.

Martin de HaanMijn vroegste plannen voor een roman met de titel Babel moeten uit het jaar 2000 stammen: in mijn aantekenboekje staan de eerste ideeën die er betrekking op hebben vlak voor een krantenknipsel met Arnon Grunbergs ‘rechten van een schrijver’ (New York, 22 oktober 2000). Lange tijd heb ik er kennelijk niets mee gedaan, of alleen in gedachten, want pas op 10 augustus 2001 zette ik een aantal ideeën in de computer. Als ik die nu teruglees begrijp ik niet alles meer (bijvoorbeeld: ‘Schubert, sonate D960. Richter in de sneeuw’ – dat is een verwijzing naar het begin van Bruno Monsaingeons prachtige documentaire over Sviatoslav Richter, het is me alleen een raadsel wat ik ermee kan hebben bedoeld), maar de grote lijnen van het plan staan me direct weer helder voor de geest.

Het zou beginnen met een proloog, ontleend aan een verhaal dat ik in Le Monde had gelezen. Nadat Lodewijk XVI met de valbijl was terechtgesteld, riepen zijn gevluchte volgelingen zijn zoon Louis Charles tot koning uit. De kersverse Lodewijk XVII was op dat moment zeven jaar oud en zat eenzaam opgesloten in de Temple – waar hij ruim twee jaar later overleed. Dan begint er een dolle episode: een arts ontvreemdt het hart van de dode jonge koning en zet het thuis op sterkwater, het wordt gestolen en weer teruggegeven, aan het in ere herstelde koningshuis aangeboden en geweigerd, tijdens een nieuwe revolutie op straat gegooid en zes dagen later teruggevonden onder een hoop zand, om uiteindelijk in 1975 te worden bijgezet in de basiliek van Saint-Denis, waar de Franse koningen begraven liggen. En al die tweehonderd jaar doen er de wildste verhalen de ronde over het lot van Lodewijk XVII. Is hij wel echt gestorven in de Temple? Is het hart wel echt van hem?

De titel die ik voor de proloog in gedachten had was ‘Een toepasselijke oerhandeling’ (met dank aan Graa Boomsma, die dat ooit heeft bedacht als vertaling van ‘a relatively basic thing’; misschien gebruikte hij een vertaalprogramma?). Met de Franse Revolutie begon symbolisch gezien het tijdperk van mensenrechten en universele waarden, en de tragikomische lotgevallen van het hart van Lodewijk XVII leken me een toepasselijke opmaat voor een roman die daarbij een paar bescheiden kanttekeningen wilde plaatsen.

Het hoofdverhaal moest zich afspelen in New York. Een Nederlandse jongeman, Jasper van de Berg, gaat als vertaler bij de Verenigde Naties werken en maakt daar kennis met wat je de bureaucratie van het vertalen zou kunnen noemen: de vertaalafdeling van de VN is (in de roman) een logge moloch waarvan de alledaagse praktijk de nobele gedachte van de eenheid der volkeren voortdurend weerspreekt. De ‘Toren van Babel’, zoals het vertalersgebouw (het hoogste gebouw ter wereld) in de volksmond wordt genoemd, vormt op die manier de groteske achtergrond voor de hartstochtelijke liefdesrelatie die zich ontspint tussen Jasper en een doofstomme jonge vrouw, Maria, die hij is tegengekomen bij een antiglobalistische demonstratie. Precies op de helft van het boek, tijdens een ontmoeting in de kapel van het vertalersgebouw, blijkt ze wel te kunnen praten en de leidster te zijn van een extremistische splintergroepering die de replica van het vertalersgebouw in Minimundus (‘Die kleine Welt am Wörthersee’) heeft opgeblazen. Plannen voor een aanslag op het echte gebouw zijn in de maak, Maria wil Jasper erbij betrekken, en hij wordt heen en weer geslingerd tussen zijn liefde voor haar en zijn afkeer van haar extremistische ideeën. Aan het eind van het boek komt Maria na een ruzie om het leven door een auto-ongeluk. Zonder dat hij het wist blijkt ze zwanger te zijn geweest, maar gezien de geschatte leeftijd van de foetus moet de bevruchting hebben plaatsgevonden voordat ze elkaar leerden kennen – terwijl ze beweerde nog maagd te zijn. Na lang aandringen krijgt hij gedaan dat er een DNA-test wordt verricht naar de vader; de uitslag wordt niet meer vermeld.

Wel wordt in de epiloog, die aanvankelijk naadloos lijkt aan te sluiten bij het voorafgaande, de uitslag van een ander DNA-onderzoek bekendgemaakt. Het hart uit de proloog blijkt namelijk inderdaad afkomstig van de zoon van Lodewijk XVI en Marie-Antoinette. En daarmee zijn alle fabeltjes over de kindkoning in één keer uit de wereld geholpen.

Maar toen kwam 11 september 2001 en kon mijn romanplan de prullenbak in.

N.B. Nee, een vertaler is geen gemankeerde schrijver.

Martin de Haan


Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Het vertaalprobleem

In een blog over vertalen mag een concreet vertaalprobleem niet ontbreken, bij wijze van blik in de keuken. Zoals gezegd werk ik momenteel aan de essaybundel Une rencontre van Milan Kundera, en het ligt dus voor de hand om daar een voorbeeld aan te ontlenen: een willekeurig vertaalprobleem van het hardnekkige soort, waar je zittend, lopend, douchend, slapend en etend urenlang over nadenkt voordat je in de buurt komt van een oplossing – die soms verrassend dicht bij het beginpunt kan liggen, maar soms ook helemaal niet.

Martin de HaanEerst de tekst maar even in het Frans: ‘Je la connaissais depuis longtemps. Elle était intelligente, pleine d’esprit, elle savait parfaitement maîtriser ses émotions et était toujours habillée si impeccablement que sa robe, tout comme son comportement, ne permettait pas d’entrevoir la moindre parcelle de sa nudité. Et voilà que, tout d’un coup, la peur, tel un grand couteau, l’avait ouverte. Elle se trouvait devant moi, béante, comme le tronc scindé d’une génisse suspendu à un croc de boucherie.’

Dan de context. De geciteerde alinea maakt deel uit van een essay dat Kundera in 1996 wijdde aan de schilder Francis Bacon, of om precies te zijn van een daarin geciteerde korte beschouwing over dezelfde schilder, eveneens van de hand van Kundera, die zijn oude tekstje gebruikt als beginpunt van de nieuwe, langere tekst. De alinea gaat over een jonge vrouw uit Praag met wie Kundera een afspraak had in een geleend flatje, niet om amoureuze redenen maar om een gemeenschappelijke strategie te bepalen ten aanzien van de politie, die haar over hem heeft uitgehoord. In haar angst is de vrouw haar emoties niet meer de baas, ze moet om de drie minuten naar de wc en de ontmoeting wordt begeleid door het geluid van de vollopende stortbak.

Net als het essay zelf heeft mijn vertaling verschillende fases gekend: een eerste versie verscheen in 2000 in De revisor, een grondig herziene versie verscheen in 2006 als zelfstandig boekje in de reeks Perlouses van uitgeverij Voetnoot, en nu ik er in 2009 opnieuw naar kijk verandert er opnieuw vrij veel.

In mijn versie van 2006 luidde de alinea als volgt: ‘Ik kende haar al lang. Ze was geestig en intelligent, had haar emoties volledig onder controle en was altijd zo onberispelijk gekleed dat haar jurk net als haar gedrag niet het kleinste stukje naaktheid prijsgaf. En nu, ineens, had de angst, als een groot mes, haar opengesneden. Ik zag haar daar tegenover me, gapend, als de gespleten romp van een vaarskalf aan een slagershaak.’

Het probleem zit in de staart, namelijk in de laatste twee zinnen. En eigenlijk is het een kluster van samenhangende problemen, zoals zo vaak het geval is. Eerst is er de opvallende vijfdeling van de voorlaatste zin, die kan worden gezien als een vorm van expressiviteit of iconiciteit: de vorm lijkt de inhoud te onderstrepen (wat uiteraard een illusie is, zoals de eerdergenoemde Paul de Man uitentreuren betoogt). En daarna is er de laatste zin, een typisch Franse constructie, met het woord ‘béant’ als grootste struikelblok omdat de woordelijke vertaling ‘gapend’ algauw de ongewenste associatie met slaap oproept.

In mijn oude vertaling ben ik na lang peinzen vrij dicht bij de brontekst gebleven. De vijfdeling van de voorlaatste zin is omwille van het effect een vijfdeling gebleven (of beter: opnieuw geworden), ook al klinkt die in het Nederlands onnatuurlijker dan in het Frans. Het lastige ‘béant’ heb ik toch maar vertaald met ‘gapend’, vanuit de gedachte dat de context de associatie met slaap wel zou onderdrukken. Wel heb ik ‘Elle se trouvait devant moi’ omwille van het ritme niet woordelijk vertaald (‘Ze bevond zich voor me, gapend, etc.’) en ook ‘suspendu’ onvertaald gelaten of liever gezegd geïmpliciteerd omdat het anders een onhandige en zelfs dubbelzinnige Nederlandse constructie zou opleveren (‘als de gespleten romp van een vaarskalf hangend aan een slagershaak’).

Maar toen ik de twee zinnen onlangs herlas, was ik er niet meer tevreden over. De vijfdeling leek me te vergezocht (Kundera is trouwens ook een schrijver die doorgaans weinig moet hebben van expressiviteit), ‘gapend’ deed me toch onmiddellijk aan slaap denken (misschien juist wel omdat ik daar bang voor was), en ‘Ik zag haar daar tegenover me’ vond ik omslachtig klinken. Maar wat dan? De vijfdeling kan makkelijk worden omgevormd tot vierdeling (‘Maar nu, ineens, had de angst haar opengesneden, als een groot mes’), maar dan is de zin dubbelzinnig: wat wordt er met de angst vergeleken, het mes of de vrouw? En voor ‘gapend’ is eigenlijk nauwelijks een alternatief (‘wijd open’ doet eerder aan een deur of een raam denken), terwijl ook het begin van de laatste zin lastig blijft (je zou ‘ze zat daar voor me’ of ‘ze stond daar voor me’ willen schrijven, maar de context zegt niets over zitten of staan – misschien lag ze wel).

Na lang douchen besloot ik het over een heel andere boeg te gooien, me te richten op de kern van de metafoor en de elementen daarvan helemaal opnieuw in elkaar te knutselen. Dat leverde vrij snel het volgende op, dat ik waarschijnlijk laat staan: ‘En nu, ineens, had het grote mes van de angst haar opengesneden. Ik keek recht in haar binnenste, als in de gespleten romp van een vaarskalf aan een slagershaak.’

Vrij vertaald? Ja en nee. Ten opzichte van een woordelijke vertaling is het vrij, maar die woordelijke vertaling dekt op haar beurt de brontekst niet en is dus zelf te ver ervan verwijderd (ergo: te vrij). Dat is de paradox: soms moet je je ogenschijnlijk ver van de tekst verwijderen om dichterbij te kunnen komen.

Martin de Haan


Meer blogs

  • Joseph Roth - Leviathan 3

    (eerst deel 1 lezen) 2 Hij had arme en rijke clientèle, vaste en toevallige. Onder zijn rijke klanten waren twee boeren uit de omgeving van wie er een, Timon Semjonowitsj, hop verbouwde en ieder jaar goede zaken deed als de graanmakelaars uit Neurenberg, Saaz en Judenburg langskwamen. De andere boer heette Nikita Ivanovitsj. Hij had...
    Lees verder
  • Izmir (II)

    Aan het begin van ons verblijf in Izmir was de vastenmaand Ramadan volop gaande, maar we merkten er in de wijk waar mijn moeder woonde weinig van. Alle cafés en restaurants waren overdag redelijk bezet en niemand leek zich te storen aan korte broeken of blousjes met korte mouwen. Twee dagen voor het Suikerfeest, de...
    Lees verder
  • Do not go gentle, Roode Bioscoop...

    Het is nogal een gedicht, dat van Dylan Thomas: ‘Do not go gentle into that good night’ een villanelle, niet beter ten gehore gebracht dan door de meester zelf: Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rave at close of day; Rage, rage against the dying of the light....
    Lees verder