Objectiviteit

Toen ik net met literair vertalen begon, laten we zeggen de eerste vijf jaar (1996-2001), dacht ik dat een vertaling beter werd naarmate je er vaker doorheen ging. Van al mijn vertalingen uit die tijd (de eerste twee Kundera’s, de eerste twee Houellebecqs, Adolphe van Benjamin Constant) staan nog altijd tussen de vijf en de tien achtereenvolgende versies op mijn harde schijf. Wie wat bewaart, heeft wat.

Martin de HaanTegenwoordig werk ik zoals de meeste literair vertalers waarschijnlijk doen: ik maak eerst een snelle kladversie om een Nederlandse basistekst te hebben, daarna werk ik de hele tekst uiterst geconcentreerd door, zin voor zin, waarbij de ijzeren wet geldt dat ik pas naar de volgende zin mag als alle problemen zijn opgelost. En ten slotte volgt er nog een relatief snelle laatste lezing ter controle, met name om de onvermijdelijke storende herhalingen en ongewenste klankeffecten weg te werken.

Dat lijkt misschien een weinig flexibele werkwijze, maar ik weet uit ervaring dat die me heel veel tijd bespaart. Als je telkens opnieuw door de hele tekst heen moet om hangende problemen (misschien) op te lossen, moet je elke keer ook alle zinnen lezen die al wel goed zijn – met bovendien het gevaar op Verschlimbesserungen, in een opwelling aangebrachte verbeteringen die in feite verslechteringen zijn. Hoewel ik eerlijk gezegd niet erg vatbaar ben voor dat soort opwellingen: ik meen altijd heel objectief te weten wanneer een zin af is – wat natuurlijk niet wil zeggen dat ik later niet van mening kan veranderen, of dat andere mensen me niet op bepaalde mankementen kunnen wijzen.

Uit de mond van iemand die graag benadrukt dat literair vertalen een kwestie van keuzes maken is en dat er altijd meerdere vertalingen mogelijk zijn (zie de eerdere afleveringen van deze blog), kan dat woord ‘objectief’ verbazing wekken. Niettemin is het voor mij het enige woord dat in deze context van toepassing is. Niet omdat ik heimelijk toch geloof in de mogelijkheid van een een-op-eenverhouding tussen brontekst en vertaling, maar omdat ik al vertalend altijd het idee heb dat de oplossing ergens op me ligt te wachten, ergens buiten mij. Niet in de brontekst, want die spreekt geen Nederlands, maar in de vertaling zelf, die me eerst influistert dat ik er nog niet ben, en uiteindelijk dat ik er ben: van alle mogelijke keuzes heb ik de beste gevonden, met uitsluiting van alle andere (en met veronachtzaming van eventuele nog betere keuzes waaraan ik niet heb gedacht).

Ik weet het, als je het goed analyseert is het onzin. Een vertaling die zichzelf als een baron van Münchhausen uit het moeras van de taal omhoog trekt, dat klinkt niet bijzonder geloofwaardig. Maar wat objectief gezien subjectief is, is subjectief gezien objectief: elke vertaler maakt andere keuzes, en toch denkt elke vertaler de beste keuze te maken.

Nou ja, sommige vertalers dan toch. En als je al die ‘beste vertalingen’ van dezelfde tekst naast elkaar legt en laat beoordelen door de vertalers zelf, vallen er alsnog heel veel af. Dat heet intersubjectiviteit, en het is geen waarheidsgarantie.

121_2164-2

Martin de Haan


In de Oorshop
  • Nr. 482, 2020
    Op de plank. 75 jaar Uitgeverij Van Oorschot Tirade, in 1957 opgericht als het ‘blaadje’ van Uitgeverij Van Oorschot en nog altijd onderdeel van de uitgeverij, viert met dit nummer het 75-jarig bestaan van de uitgeverij. We gaven een batterij schrijvers de opdracht om te kijken welke boeken van Van Oorschot zij op de plank...
    Lees verder
  • Nr. 481, 2020
    Tirade stuurt haar afgezonderde lezers met nummer 481 een pak brieven toe, zoals altijd in de vorm van nieuw en bijzonder literair werk. De onlangs gedebuteerde Jack de Boer beschrijft in een indrukwekkend essay hoe het coronavirus zijn werk als schoolmeester in de war schopte. Redacteur Anja Sicking herlas Mary Shelley’s Frankenstein en reflecteert op...
    Lees verder
  • Nr. 480, 2020
    In Tirade 480 sprankelende nieuwe poëzie van Tonnus Oosterhoff en van schrijfster en beeldend kunstenares Maria Barnas, en van Twan Schenkels, Merlijn Huntjens en Hanz Mirck. De kersverse Libris-winnaar Sander Kollaard schreef een essay over Onderdak, de tweede roman van Elisabeth van Nimwegen. Andere essays zijn er van Guido van Hengel, over straathonden in voormalig...
    Lees verder
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder
  • Nr. 450, 2013
    Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden. Met bijdragen van: Joop Goudsblom P.F. Thomése Franca Treur A.H.J. Dautzenberg Gilles van der Loo Tomas Lieske Marita Mathijsen Frits Abrahams Detlev van Heest Henk Broekhuis Binnert de Beaufort Roos van Rijswijk Walter van den Berg Maria Barnas Marko...
    Lees verder

Bekkentrekkerij

Na mijn eerste bijdrage aan deze blog ontspon zich een mini-discussie over de al dan niet wenselijke ‘onzichtbaarheid’ van vertalers, waaraan Martin een korte maar krachtige bijdrage leverde. Ik citeer: ‘Een goede vertaler bouwt direct zo veel krediet op bij de lezer, dat ook zijn gewaagdste keuzes onzichtbaar zijn (dwz door de lezer als onvervreemdbaar onderdeel van het boek worden ervaren, en dus als keuzes van de auteur). Je ziet ze pas als je de vertaling met het origineel gaat vergelijken – of beter nog, met andere vertalingen van dezelfde tekst.’

RH.IDEen aantrekkelijk idee, vind ik, de vertaler die ‘krediet’ opbouwt bij de lezer, maar bij nader inzien vraag ik me af of er geen tegenstrijdigheid sluimert tussen de woorden ‘direct’ en ‘opbouwen’. Zoals schrijvers hun lezers ook pas geleidelijk aan voor zich winnen – of verliezen – zo lijkt mij het krediet dat de lezer een vertaling bereid is te geven geen deal die vanaf de eerste bladzijden wordt gesloten maar een beloning voor de volgehouden stilistische inspanning, de overtuigende toon, de visie van de vertaler (ook een woord dat Martin in deze context graag bezigt, zie zijn vorige blog).

Ik stel me met andere woorden voor dat een lezer zo’n vertalersvisie niet van meet af aan, en bloc aanvaardt, maar alleen als zijn leestraject door voldoende herkenningspunten is afgebakend. Krediet bouw je geleidelijk aan op, door je lezer ertoe te verleiden zich ‘thuis’ te voelen in de vertaling, zodat hij bereid is ook bevreemdende passages of gewaagde keuzes voor lief te nemen.

In mijn Michonvertalingen heb ik regelmatig het gevoel gehad dat ik zo’n tweesporenbeleid voerde, dat ik maximaal recht moest doen aan de complexiteit van de tekst maar tegelijk elke kans moest waarnemen om zo gewoon mogelijk Nederlands te gebruiken. Ik heb dat ooit, bij gebrek aan een beter woord, betiteld als ‘bekkentrekkerij’: trekken aan de taal, wrikken aan de zinsbouw, morrelen aan de woordkeus, maar die taal tegelijk zo goed mogelijk laten bekken. Alsof de captatio verborum, de jachtmakerij op woorden, steeds moet worden ingebed in een captatio benevolentiae, een poging om de lezer gunstig te stemmen, door hem het vertrouwen in te boezemen dat de zinnen die hij leest doelbewust gekozen zijn en niet de neerslag van krakkemikkige taalbeheersing.

In zijn pogingen om ‘gewoon’ te vertalen kan een vertaler trouwens ook overdrijven. Ooit heb ik de kans gekregen een eigen Michonvertaling te vergelijken met het werk van een voorganger. Vie de Joseph Roulin uit 1988 verscheen in 1990 (het Van Gogh-jaar) in een vertaling van Marijke Jansen onder de titel Joseph Roulin – de postbode van Van Gogh, maar ook in de enige jaren later door mij vertaalde bundel Meesters en knechten. Michon beschrijft hoe Van Gogh in Arles een voor een alle leden van het gezin Roulin portretteert, ‘tous les membres de cette sainte famille prolétaire comme l’Autre, généreuse et souffrante’ (‘alle leden van dat vrome, edelmoedige, lijdende gezin, proletarisch als Christus’, vertaalde Jansen; ‘alle leden van die heilige familie, gulle, ploeterende proletariërs zoals ook de leden van die Andere’, vertaalde ik): postbode Joseph zelf, zoon Armand, vrouw Augustine met in haar armen de kleine Marcelle. ‘Il peignit aussi le petit infant, le pauvre Camille qui n’est que limon mal pétri coiffé d’une casquette de collégien (…)’. Jansen dacht bij deze zin wellicht aan een bekende zeepreclame uit de jaren 80 (‘de wilde frisheid van limoenen’), en vertaalde Camilles ‘slecht geknede kleikop’ als een ‘slecht uitgeknepen citroen’. Weg krediet!

Maar zulke voorbeelden zijn even beschamend voor wie ze citeert als voor wie erin wordt geciteerd. Het is tendentieus om een vertaling af te rekenen op de enkele faliekante blunder die erin voorkomt. Een vertaler moet niet alleen begrijpen wat er staat – al is dat uiteraard een conditio sine qua non – maar vooral gestalte weten te geven aan de vormkracht van het origineel. De kunst is niet om de betekenis van het origineel correct te interpreteren maar om ritme en toon ervan te herscheppen, parmantiger gezegd: om zich te laten bezielen door de adem die het tot leven wekt. Hoe meer in een literaire tekst de taal wordt vernieuwd en ‘gesubjectiveerd’, hoe meer ook de vertaling ervan het ontwerp van een nieuwe, gesubjectiveerde taal moet zijn. Die laatste frase heb ik overigens niet zelf verzonnen maar ontleend aan de Franse dichter, vertaler en theoreticus Henri Meschonnic.

Over de prikkelende ideeën van Meschonnic, over het vertalen van Michon, Bergounioux en Perec, over het Nederlands van Madonna en over wat zich verder zoal aandient zou ik voor deze blog graag nog willen schrijven. En misschien ook over het wedervaren van een fietsende Nederbelg in Frankrijk, want ik trek er een paar weken tussenuit. Dat alles dus te zijner tijd: Martin, ik geef de pijp aan jou.

Rokus Hofstede

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

I love translators!

Ging het om een Sloterdijkvertaling van Hans Driessen? Ik weet het niet meer. Wat ik nog wel weet is dat collega Paul Beers, nooit te beroerd voor een spetterende reactie, de VPRO Gids er met een boze brief op wees hoe verkeerd het was om een vertaling te bespreken zonder de naam van de vertaler te noemen. En wat ik vooral nog weet is dat daarop een andere ingezonden brief van een lezer uit Groningen volgde, waarvan de strekking luidde: ‘Vertalers moeten juist blij zijn dat hun naam niet wordt vermeld, gezien het prutswerk dat ze vaak afleveren.’ Einde discussie.

MartindeHAndere anekdote. Toen ik eind vorig jaar moest uitleggen waarom de Europese vertalersraad CEATL alsnog een plaats hoorde te krijgen in de werkgroep ‘Creation and Creativity’ van het platform ‘Access to Culture’ (een aardig bedenksel van de Europese Commissie om de versnipperde culturele sector met één stem te laten spreken), luidde de reactie van de overigens bijzonder welwillende moderatrice: ‘Ik snap het niet, vertalers maken toch geen oorspronkelijk werk?’ Maar toen ik begon te zwaaien met Art. 2 lid 4 van de Berner Conventie (‘vertalingen worden beschermd als oorspronkelijke werken’) en betoogde dat de oorspronkelijkheid van literaire vertalingen rechtstreeks voortvloeit uit de esthetische en conceptuele keuzes die elke vertaler moet maken, was ze direct enthousiast: ‘I love translators!’

In mijn cd-kast heb ik tien uitvoeringen van Bachs Wohltemperierte Klavier staan: Sviatoslav Richter, Evgeni Koroliov, Angela Hewitt, Glenn Gould, Edwin Fischer, Till Fellner, Andras Schiff, Léon Berben, Bob van Asperen, Rosalyn Tureck. Dat is geen kwestie van snobisme: elke uitvoering roept een volstrekt eigen klankwereld op, het zijn voor mij echt tien verschillende muziekstukken (die ik afhankelijk van mijn stemming ook nog eens telkens anders waarneem). Tien uitvoeringen is veel, bij andere muziek zijn de verschillen tussen uitvoeringen veel kleiner en is één goede uitvoering genoeg (de muziekindustrie concurreert zichzelf kapot door telkens nieuwe opnamen van telkens dezelfde stukken uit te brengen), maar als vertaler kijk ik hoe dan ook watertandend naar dit hele fenomeen van parallelle versies. In de Volkskrant schreef ik daar op 2 februari 2007 het volgende over (het grotere stuk waar het uit komt staat niet meer online dus ik citeer maar even, met een paar kleine aanpassingen):

Homerus, Euripides, Dante, Montaigne, Rabelais, Shakespeare, Baudelaire, Rimbaud, Szymborska: van al deze groten zijn de laatste decennia parallelle vertalingen verschenen, doorgaans van hoog niveau. Dante spant de kroon met maar liefst drie recente versies, wat drie van de vier vertalers zelfs een tv-optreden bij Hanneke Groenteman opleverde. Ook het moddergevecht tussen de Baudelaire-vertalers Peter Verstegen en Petrus Hoosemans werd in de pers breed uitgemeten. De tendens is duidelijk en begrijpelijk: als er meerdere vertalingen van eenzelfde werk uitkomen, is er ineens veel meer aandacht voor de vertalers en hun prestaties.

Het recentste voorbeeld van zo’n dubbelvertaling, en waarschijnlijk ook het mooiste, vormen de onlangs verschenen Rimbaud-bundels van Paul Claes en Hans van Pinxteren. Beide topvertalers zijn al decennialang in de weer met de kind-dichter, en beiden hebben nu een herziene versie van hun eerdere vertalingen uitgebracht (waarin ze elkaars keuzes ongetwijfeld hebben meegewogen, al vermeldt Claes Van Pinxteren vreemd genoeg niet in zijn bibliografie), dus dit is de ideale situatie voor een vergelijking in muzikale zin, waarbij niet de correctheid van de uitvoeringen centraal staat, maar de visie die erin besloten ligt.

Die draait niet alleen om woordbetekenissen, maar vooral ook om stilistische keuzes, vederlichte details die pas samen gewicht krijgen. Beide vertalers hebben esthetische vertalingen gemaakt en zich dus hypothetisch afgevraagd hoe Rimbaud in het Nederlands zou hebben geschreven, en ze komen daarbij soms tot heel andere oplossingen. Neem het begin van ‘Alchimie du verbe’. Claes maakt daarvan: ‘Mijn beurt. Het verhaal van een van mijn dwaasheden. / Allang voelde ik mij de meester van alle mogelijke landschappen en vond ik de grote namen uit de moderne schilderkunst en poëzie belachelijk.’

Van Pinxteren: ‘Nu ik! Verhaal van een van mijn bevliegingen. / Al tijden lang bazuinde ik rond dat ik alle mogelijke landschappen bezat, en ik maakte mij vrolijk over de kopstukken van de moderne poëzie en schilderkunst.’ Beide versies ‘kloppen’ met het Frans, maar in die van Claes klinkt de inkeer haast sereen, in die van Van Pinxteren eerder spottend. Pas door de twee vertalingen wordt die keuzemogelijkheid in de Franse tekst zichtbaar: ook de Franse lezer kan er iets van leren. En ook de vertalingen zelf kunnen weer op eindeloos veel manieren worden gelezen.

Piet Gerbrandy schreef in zijn Volkskrantrecensie: ‘Dat Rimbaud steeds opnieuw vertalers trekt, komt doordat geen enkele weergave erin slaagt de rijkdom van de Franse tekst te doen wedervaren. […] Iedere vertaling benadrukt noodzakelijkerwijs bepaalde aspecten en maakt andere onzichtbaar.’ Die uitspraak behoeft op zijn minst enige nuancering, en je zou hem zelfs kunnen omdraaien: elke goede vertaling werpt een nieuw licht op de oorspronkelijke tekst en vergroot daarvan de rijkdom, die alleen maar bestaat als interactie, interpretatie, vertaling. Een tekst is geen hermetisch afgesloten schatkist.

Kortom, moeten vertalers blij zijn als hun naam niet wordt vermeld? Nee, natuurlijk niet, maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat is niet de vraag of de individuele vertaler blij is met zijn lot (persoonlijk ben ik bijzonder blij, zoals mijn foto al laat zien), maar simpelweg de elementaire vraag of we vinden dat de maker van een oorspronkelijk werk bij name moet worden genoemd. En als dat werk een prutswerk is, ook prima: dan weet je als lezer de volgende keer wat je kunt verwachten bij het zien van die naam.

Martin de Haan


Meer blogs

  • Al het zichtbare gaat open

    De sekswerkers gaan de straat op om weer aan het werk te kunnen. Ze zijn de stilstand zat. Ik loop vaak over de Wallen naar mijn werk. Als ik aan sekswerkers denk kom ik snel uit bij twee zaken, nu drie. De eerste is: ik heb altijd in de binnenstad gewoond, toen ik 21 was...
    Lees verder
  • Nectar

    Op een van de late feestjes die kennissen van Gijs organiseerden in een loodsvormig café aan de rand van wat IJburg zou worden, kwam Issa Julie weer tegen. Bij wijze van groet stompte ze hem met zoveel kracht op zijn schouder dat de wodka en het bier dat hij vasthield over de rand van hun...
    Lees verder
  • Café do Brasil

    Vandaag werk ik in mijn eentje. Ik zoek de zwakke plekken in het stalen dek, slijp ze uit en las er nieuwe platen over. De zon is bijna even heet als de vlam van de brander. Vanuit het open raam van de stuurhut boven mijn hoofd klinkt calypso, reggaeton en soms zelfs samba. Dat betekent...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

  • Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.