De verhoogde weg

Voordat de verhoogde weg er was, viel het zonlicht ongehinderd over het hout van de werkbank, de tegels en het meel dat in elke voeg van de bakkerij was vastgezet zoals het in alle poriën van Miko’s vader zat, en nu ook in die van Miko zelf. Het basketbalveldje waar de zwarte jongens spelen is er nog, al ligt het in de schaduw van de weg, en Miko gaat nog steeds naar ze kijken terwijl hij rookt, wachtend op het rijzen van zijn deeg. 

De weg snijdt zijn wijk tweeën: aan deze kant liggen de zes huizenblokken waar Miko opgroeide; voorbij de betonnen dragers die al dat verkeer hooghouden staan de flats waar ook de zwarte jongens van het veldje wonen. Dichtbij genoeg om met een steen te kunnen raken, maar de taal die ze spreken lijkt thuis te horen in een ander land. 

Miko weet nog dat de plannen toegelicht werden op het stadsdeel. Iedereen uit de wijk was welkom en Miko’s vader had gebak geleverd, éclairs voor de aanwezigen. De flats zouden woonruimte betekenen voor de laagste inkomens, met voorrang voor degenen die in de wijk geboren waren. Manuel en Bianca hadden ingetekend, Merle met haar drie zoons en Roger, een hoop mensen met wie Miko was opgegroeid. Toen de flats werden opgeleverd verhuisden ze, en niet veel later verhuisden degenen die het zich konden veroorloven weer terug naar hun verzakte woningen aan deze kant van de weg, de lucht zélf leek te scheiden in een hemel voor de mensen hier, en eentje voor de flatbewoners.

Mensen uit de flats komen ook in Miko’s winkel. Dat begon toen Rashid van de minimarkt bij het parkje zijn zaak sloot en naar zijn oom in Pittsburgh verhuisde. De eerste die binnenstapte was Rose, bijna honderd jaar oud en gierig als een ekster, maar ze bleef komen voor zijn millefeuille, zijn rozijnenbrood en de donuts die hij op vrijdag bakte. Het stak Miko dat het stilviel als Rose binnenkwam, en hij had er lange tijd voor gekozen die stilte als een teken van respect voor haar ouderdom te zien. Aan zijn kant van de weg woonden genoeg zwarte mensen, er woonden arabieren, joden, Italianen, Duitsers, Chinezen en Ieren, maar de bewoners hier leken niet te kunnen wennen aan die uit de flats. Miko’s vader kwam uit Polen, zijn moeder is half Iraans, en zelf is hij meer dan eens voor zandneger uitgemaakt, wat hij – als hij in de spiegel naar zijn kleine neus, zijn brede voorhoofd en zijn stijle haar kijkt – niet goed begrijpt. 

Toen Rose te slecht ter been werd kwam Stephen, haar kleinzoon van zestig, in haar plaats. Hij haalt nu haar millefeuille, rozijnenbrood en donuts. Rose zelf laat zich nog eens in de zoveel tijd zien, maar loopt dan steevast aan de arm van Stephen. Hij geeft geschiedenis op de school van Miko’s dochter en woont zelf niet in de flat, maar samen met zijn vriend in een appartement op de hoek boven Schimmels tabakswinkel. Over Stephen worden wél grappen gemaakt in de winkel, maar alleen als hij de deur uit is; sommige van die grappen gaan Miko te ver, maar klanten zijn klanten en sinds de New Bakery erbij gekomen is, nog geen drie blokken bij hem vandaan, kan hij het zich niet veroorloven mensen de zaak uit te zetten. 

Miko is langsgeweest bij de New Bakery, haalde vanalles bij ze en snelde met de tas onder zijn arm langs de binnentuinen terug naar zijn eigen winkel, waar hij elk baksel met aandacht proefde boven de werkbank in de bakkerij. Slecht was het niet, echt goed ook niet, maar hoe kon New Bakery al deze spullen voor zo weinig geld verkopen en tóch de huur van zo’n groot pand betalen? Met al die medewerkers? In zijn beste tijd had Miko’s vader drie man in dienst, nu heeft Miko alleen Berndt nog, en die wordt niet jonger, maar schijnbaar ook nooit oud genoeg om met pensioen te gaan. De omzet is lang gelijkgebleven, maar sinds New Bakery er is lopen zijn inkomsten terug. De nieuwe mensen in zijn buurt, witte tweeverdieners met kinderwagens op brede banden die hele panden kopen en voortdurend renoveren, komen nooit zo ver als zijn straat, laat staan aan de andere kant van de verhoogde weg. Onlangs zag Miko zo’n kinderwagen op het internet, en die dingen blijken meer te kosten dan hij gekregen heeft voor zijn oude bestelbus.

Terwijl hij de rijsbakken uitwast, te drogen zet op stalen rekken die hij één voor een de steeg in rolt, luistert Miko naar de radio. Een liedje uit zijn jongensjaren: Broken Wings, van Mr. Mister. Neuriënd trapt hij de remmen van de rekken aan, hij zet de deur op de knip en rommelt met de knop van de radio, die altijd stoort als de rekken buitenstaan, alsof het staal ervan een Faradaykooi vormt, zo’n bouwsel dat alle straling buitenhoudt. Miko’s vader wilde eigenlijk ingenieur worden en het huis lag altijd vol met tijdschriften over robotica en computers. Tato automatiseerde vanalles in de bakkerij, wat het zijn zoon nu mogelijk maakt om drie dagen alleen te werken, de andere drie met Berndt erbij. 

‘And learn to fly again, Learn to live so free,’ zingt Miko, en weegt bloem en zout af voor zijn soezenbeslag. Als hij opkijkt door de ruit boven zijn werkbank en het meisje met de capuchon ziet staan beseft hij dat hij haar al een tijdje hoorde kloppen. Hij steekt zijn schep terug in de bloembak en schuift de grendel van de bakkerijdeur terug, houdt de deur op een kier. That you’re half of the flesh, and blood makes me whole.

‘Kan ik je helpen?’

Ze is even oud als zijn dochter, en draagt de kleding die alle tienermeiden dragen, de sneakers en glimmende broek en capuchontrui en koptelefoon zonder draadjes, maar er is iets aan de hand met haar gezicht, iets wat Miko niet meteen kan plaatsen, en ondanks de donsjas die ze over haar trui draagt, rilt ze van de kou. Het meisje zegt iets, maar de woorden blijven binnen de stof van haar capuchon. Over haar schouder scant Miko de stoep aan de overkant tot aan de hoeken van de straat, er is niemand anders te bekennen en zo op het oog heeft ze niet eens de helft van zijn gewicht. 

‘Wat zeg je?’

The book of love will open up and let us in.

‘Mijn oom vraagt of je donuts wilt bakken.’

Miko trekt een reep papier uit de rol boven de werkbank en droogt zijn handen, gooit de prop in de vuilnisbak. ‘Donuts is op vrijdag.’ Hij knikt in de richting van de frituur, die ondersteboven op de plank boven de kneedmachine staat. ‘Op andere dagen bak ik die niet.’

Met haar gympen op zijn drempel en haar blik op de gebarsten vloertegels mompelt het kind iets over bananengist. Miko loopt naar de radio en zet de laatste gitaarnoten van Mr. Mister uit, die hem altijd aan een sirene deden denken.

‘Praat eens wat duidelijker?’ 

‘Mijn oma is dood,’ zegt het meisje. ‘Het is voor haar begrafenis.’

Hij trekt zijn wenkbrauwen op en tuurt naar de kalender die bij de deur naar de donkere winkel hangt. Op die nieuwjaarsreceptie van de tiende en een verjaardagstaart voor drie januari na is het hele ding leeg. Een paar honderd extra omzet zou goed uitkomen. ‘Kom binnen, kind. Wanneer is die begrafenis en hoeveel mensen komen er?’ 

‘Overmorgen. De dag daarna.’

‘Twee januari?’

Ze knikt. Olie, zal hij moeten halen. Extra dozen. Die laten bezorgen gaat niet meer. Sinds het meisje binnenstaat lijkt het rillen erger geworden. 

‘En hoe laat wil je oom ze hebben?’

Ze haalt een schouder op.

‘Hoe laat begint de receptie?’

‘De wat?’

Miko zucht, kijkt naar de klok boven de deur. Over vijf minuten mogen de rekken weer naar binnen; daarna gaat hij brooddeeg zetten voor morgen, chocolade tempereren voor de soezen. De rijskast moet ook nog schoon. 

‘Misschien moet je oom me zelf even bellen,’ zegt hij, en schrijft zijn nummer op een hoekje van de kalender, dat hij aan het meisje geeft. Ze neemt het aan, sluit het in haar hand, die ze terugtrekt in de mouw van haar jas. ‘Weet je hoeveel mensen er komen?’

Het meisje kijkt naar een punt schuin boven hem en beweegt haar lippen. Als vanzelf draait Miko zich om, maar waar ze kijkt hangen alleen zijn bakringen en meelzeven. ‘Ik denk zes.’

‘Zestig?’

‘Zes. Of vijf.’

Voor zes donuts moet hij een uur in de rij staan bij de groothandel? ‘Het spijt me, maar het begint met vijftig stuks, anders verdien ik er niks aan. Wie was je oma?’

‘Oma Rose.’

Miko kijkt naar de verhoogde weg, de verdiepingen van de flats die er bovenuit steken. ‘Van verderop?’

Het meisje knikt en Miko denkt aan de keren dat Rose de afgelopen jaren in zijn winkel was, aan haar trillende bruine vingers die kleingeld uittelden tot op de cent precies, aan hoe haar mond openstond als ze naar je toe leunde omdat ze je niet goed kon horen, aan hoe tevreden ze was geweest met haar nieuwe hoorapparaat, dat afstak bij haar huidskleur omdat het Miko’s huidskleur had, en een vreselijke fluittoon uitzond omdat ze het volume altijd hoog had staan. Hij dacht aan haar laatste keren in de winkel, ondersteund door Stephen, en aan zijn eigen ongeduld als het haar beurt was om te bestellen in een spraak die na een klein infarct veel trager was geworden. Warm zou Miko haar nooit genoemd hebben, vriendelijk ook niet. Rose was vooral beleefd geweest, iemand uit een andere tijd, die vertrouwde op een correctheid die niet meer bestond.

‘Goed,’ zei hij. ‘Laat hem me bellen, ja?’

Met zijn hand tegen de sponning van de bakkerijdeur kijkt hij het meisje na totdat ze op de kruising met de Matteostraat uit het zicht verdwijnt, niet begrijpend waar het enorme verdriet vandaan gekomen is, dat zich als uitzettend deeg in zijn binnenste verspreidt. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.