Een tijd van zwijgen, een tijd van schrijven

Toen ik op de basisschool zat, kleurde ik me steevast in met roze. Daar dacht ik niet bij na: iedereen deed het zo, dus ik ook. Tot een jongetje uit mijn klas op een dag tegen mij zei dat ik mezelf niet roze moest inkleuren, maar bruin. Ik vroeg hem waarom: omdat roze niet jouw kleur is, was zijn antwoord. Hij was roze. Ik was bruin. Wel lichtbruin, voegde hij toe, maar echt niet roze. Ik snapte niet zo goed wat hij bedoelde, want ik vond mezelf niet anders dan mijn klasgenootjes. Alle andere jongens en meisjes waren roze – waarom zou ik af moeten wijken? Op de tekening die ik toen maakte, sta ik naast mijn adoptieouders: we hebben alle drie een roze huid.

De eerste keer dat ik op straat werd nageroepen, was door twee jochies op een scooter. Of ze bami bij me konden bestellen, riepen ze, en ze scheurden hard weg. Een paar jaar later vroeg ik een meisje mee uit. Ze antwoordde: Ik vind je heel leuk, echt, en als je niet Aziatisch was, dan had ik je gedaan. 

Nog later, op vakantie in Limburg, stond ik met mijn broertje in een snackbar aan de rand van de camping op onze friet te wachten, toen er jongeren binnenkwamen, die grapjes begonnen te maken over onze ogen en onze huidskleur. Ze schaterden om wat er in onze nekken stond: made in China. De snackbarhouder moet het hebben gehoord, maar hij zei niets. Ja, twee friet met, zei hij, toen onze bestelling klaar was, en vijf euro alsjeblieft.

Mijn broertje snapte niet wat er aan de hand was. Op de terugweg vroeg hij me wat ze precies bedoelden. Niets van aantrekken, zei ik, gewoon negeren, want dat had ik mezelf aangeleerd: gewoon negeren, niet over hebben, stug doorlopen. Thuis hadden we het nooit over kleur en racisme: voor ons was de situatie normaal, mijn directe omgeving was heel verdraagzaam en respectvol, dus ik voelde me de eerste keer enorm bezwaard om over deze gebeurtenis te beginnen, het voelde als het droppen van een bom in het paradijs.

Vorig jaar, in de supermarkt, vroeg een vrouw of ik niet te dicht in de buurt wilde komen, want ze wilde geen kroona van dat vleermuizenvolk van mij. Ook toen ben ik stug doorgelopen – ik heb me zelfs verontschuldigd. Ik wachtte wat langer bij de schappen met kaas, zodat ik haar niet tegen zou komen bij de kassa.  

Toen ik laatst met iemand discussieerde over nationaliteit, zei ik dat ik me Nederlander voel. Daar was hij het niet mee eens: ik was hier niet geboren, dus ik was geen Nederlander. Volgens hem was ik Zuid-Koreaans. Ik bracht in dat ik me Nederlands voel, alleen in Zuid-Korea ben geboren en verder geen kennis, geen binding heb met dat land. Dan was ik ook geen Koreaan, beaamde hij, maar ook geen Nederlander. Zijn conclusie: eigenlijk val je overal tussen, eigenlijk ben je niets.

Ik ben me altijd bewust van het gezelschap waar ik in verkeer – mijn familie is wit, op mijn middelbare school was bijna iedereen wit en al mijn vrienden en hun vrienden waren dat ook. In dat gezelschap voel ik me donkerder dan de rest. Constant draait er een overbewustzijn in mijn achterhoofd, van mijn huidskleur in verhouding tot mijn omgeving. Nu ik in meer diverse kringen rondloop, voel ik me soms juist erg wit, zowel in kleur als in taalgebruik, interesses en gewoontes. Alleen bij mijn broertje, dat ook geadopteerd is, valt alles samen, wordt de stroom van mijn overbewustzijnsmotor uitgeschakeld.  

Zo ben ik me ook altijd bezig met eventuele reacties van anderen: zijn er op feestjes, in kroegen, op festivals, mensen (voornamelijk mannen) die door mij te schofferen een zogenaamd humoristische indruk willen achterlaten op hun vrienden? En nog erger: zijn er andere mensen bij, als ze weer over spleetogen, vleermuizen en bami beginnen? Vernederd worden is erg, maar vernederd worden in het bijzijn van andere, zwijgende mensen is achteraf gezien nog erger. Het allerergste vind ik het feit dat ik telkens niets zei, niet opkwam voor mezelf; maar ook niet voor mijn broertje, voor anderen bij wie ik dit zag gebeuren. Ik was zelf een zwijger, omdat ik bang was voor de discussie, het conflict, maar daarmee was ik onderdeel van het probleem.

Toen ik begon met schrijven, schreef ik over geliefdes, over overleden dierbaren, over de klimaatproblematiek, maar niet over mijn huidskleur – ik schaamde me ervoor. Ik heb gewenst dat ik een andere huidskleur had, dat ik nooit meer naar buiten hoefde, dat ik nooit was geboren. De stemmen van de mensen die niet nadachten, die iets riepen en lachten, die na zo’n opmerking of misplaatste grap wel fluitend door konden met hun leven – die stemmen galmen altijd ergens in mijn achterhoofd.

Als ik er niet over schreef, werd ik er niet aan herinnerd en hoefde ik niet na te denken over de onverdraagzaamheid van sommige mensen – ja, ook in ons land. Je ogen sluiten, je oren dichthouden en hard werken aan je dromen, dat dacht ik toen.

Een mens kan van gedachte veranderen. Racisme gaat niet weg als niemand iets zegt. Ik wil geen zwijger meer zijn, en ook geen schreeuwer, maar een prater. De laatste tijd zie ik veel mensen die vechten tegen racisme en Aziatisch racisme in het bijzonder. Ze komen op voor gelijkwaardigheid, stellen deze problematiek aan de kaak. Ik ben zo trots op al die mensen, want dat kost moed, kracht en heel veel durf – de weg naar het uitspreken is een zware, hobbelige en vaak eenzame weg. Bij mij duurde het jaren totdat ik onder woorden kon brengen wat al die opmerkingen met me deden. Nog steeds heb ik het gevoel dat ik het nog niet heb omschreven, niet zoals ik zou willen, maar dat is honderd keer beter dan het helemaal niet omschrijven.

Vanavond ga ik een tekening maken. De oude tekening ligt ergens onderin een kast, maar deze krijgt een prominente plek in huis. Mijn ouders kleur ik roze, mezelf kleur ik lichtbruin – met de grootst mogelijke trots, want ik heb mijn huidskleur geaccepteerd, omarmd zelfs. Dat omarmen kostte me meer dan twintig jaar en nu is het tijd dat anderen dat doen.

Ik kan me niet voorstellen dat de meeste mensen die racistische dingen zeggen bewust bij willen dragen aan worsteling en schaamte – maar ze moeten wel weten dat een voor hen nietszeggende grap voor mij en alle andere Aziaten een allesbepalende gebeurtenis kan zijn. Het is de hoogste tijd dat ik stop met sorry zeggen voor mijn bestaan: nu is de tijd gekomen dat de anderen sorry zeggen voor hun racistische uitspraken. Maar daar stopt het niet. Na het excuus is het tijd voor bezinning, begrip, bewustwording – met alleen sorry is de racistische kous nog niet af.

Twan Vet

Twan Vet (1998) publiceerde eerder gedichten op o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote. Dit jaar is hij Ambassadeur van de Vrijheid van het Bevrijdingsfestival Utrecht.