Longread: muziek in Amerikaanse verkiezingen

born-in-the-usa

In de strijd om het Witte Huis gaat het niet alleen om wat politici zeggen, maar ook om welke plaatjes ze draaien op hun bijeenkomsten. Muziek kan een kandidaat maken en breken. Hieronder volgt een uitgebreid – maar onvolledig – overzicht van Amerikaanse campagnemuziek door de eeuwen heen.

Het moderne campagnelied is zo oud als de Amerikaanse democratie. In 1788 won George Washington de allereerste presidentsverkiezingen met zijn lijflied ‘God Save Great Washington’, een triomfantelijke variatie op het gehate Britse volkslied ‘God Save The King’. Nog altijd geldt ‘God Save George Washington’ als een blauwdruk voor een effectief campagnelied: de persoonlijkheid van de kandidaat, zijn politieke programma en de stemming onder het volk komen in één song samen.

Er zijn ruwweg twee soorten campagneliederen: een lied dat speciaal voor de kandidaat is geschreven, en de aanhaker: een bestaand, populair liedje dat door de kandidaat wordt ‘geadopteerd’. Zoals Washington al bewees, is een mengvorm ook denkbaar.

Zeldzaam maar niet onopgemerkt is het campagnelied dat door de kandidaat zélf ten gehore wordt gebracht. De Democratische gouverneur/countryzanger Jimmie Davis (1944-1948) wisselde zijn redevoeringen regelmatig af met zijn evergreen ‘You are my sunshine’ (1940), een kinderlijk eenvoudig liefdesliedje dat iedereen meteen mee kan zingen:

https://www.youtube.com/watch?v=Pj0GPTEU198

Het liedje bracht hem behalve het gouverneurschap ook eeuwige roem: ‘You Are My Sunshine’ werd talloze keren gecoverd en schopte het in 1977 zelfs tot het officiële staatslied van Louisiana, ondanks hardnekkige geruchten dat Davis het nummer niet zelf had geschreven.

De musicerende kandidaat leek decennialang uitgestorven, totdat gouverneur Mike Huckabee in 2008 zijn basgitaar omhing en Bostons ‘More Than a Feeling’ (1976) voorzag van een diep zuidelijke christensnik. Huckabee wekte de valse indruk dat Boston (de band, niet de stad) hem steunde door het nummer live te spelen met Barry Goudreau, de voormalige gitarist van de groep. In Rolling Stone schreef componist Tom Scholz een woedende protestbrief: ‘You have taken something of mine and used it to promote ideas to which I am opposed. In other words, I think I’ve been ripped off, dude!

Huckabee verloor Boston en de primaries, maar zijn muzikale kwaliteiten stonden nooit ter discussie. Samen met zijn band Capitol Offense trad hij op met sterren als Dion Warwick, Willie Nelson, REO Speedwagon en Percy Sledge.

Maatwerk

Zowel het speciaal voor de kandidaat geschreven campagnelied als de aanhaker brengt zijn eigen voor- en nadelen met zich mee. Een campagnelied op maat heeft de kans om een knaller van een hit te worden, maar kan net zo goed de plank volledig mis slaan. Bill Clinton weet daar alles van. In 1974 verloor hij zijn allereerste verkiezingsstrijd tegen de zittende afgevaardigde voor Arkansas, John Paul Hammerschmidt (R.). Clintons boers voortsjouwende verkiezingsmars, uitgevoerd door een anonieme countryzanger met een hoorbaar alcoholprobleem, was doortrokken van zelfbeklag en woede. De compositie stond haaks op zijn energie en optimisme.

In 1952 schoot Dwight Eisenhower raak met het ritmische, ‘I Like Ike’, destijds de populairste politieke slogan in de Amerikaanse geschiedenis. Het lied werd geschreven door Irving Berlin, bekend van klassiekers als ‘White Christmas’ en ‘There’s No Business Like Show Business’. Na de aanval op Pearl Harbor in 1941 trok Berlin een patriottisch vlies voor de ogen en ontwikkelde zich tot huiscomponist van de regering, met vaderlandslievende pareltjes als ‘I Paid My Taxes Today’ en de rondreizende musical ‘This Is The Army’ die in 1943 werd verfilmd met Ronald Raegan in een hoofdrol. Na ‘I Like Ike’, ‘I Still Like Ike’ en ‘Ike For Four More Years’ eerde Eisenhower de componist met een presidentiële onderscheiding voor zijn ‘uitzonderlijke muzikale bijdrage aan het land’.

John F. Kennedy maakte in 1960 handig gebruik van het vrolijke ‘High Hopes’ waarmee Frank Sinatra eerder een hit had. Speciaal voor de verkiezingen zong Sinatra nieuwe coupletten in, maar het optimistische refrein bleef nagenoeg ongewijzigd: ‘Everyone is voting for Jack / ‘Cause he’s got what all the rest lack / Everyone wants to back – Jack / Jack is on the right track / ‘Cause he’s got high hopes / He’s got high hopes / 1960’s the year for his high hopes.’

Het op maat gemaakte campagnelied is na de jaren ’60 enigszins uit de mode geraakt, en dat is voor een groot deel te wijten aan de herverkiezingscampagne van Richard Nixon (ook bekend van ‘Click With Dick’ en ‘Nixon’s The One’). In 1972 deed hij een verkrampte poging met zijn herverkiezingslied ‘Nixon Now’, maar kreeg de handen nauwelijks meer op elkaar. Muzikaal gaat het nummer reddeloos ten onder in de mainstream en tekstueel grossiert het in platgetreden rijmelarij. Als het lied een kleur zou hebben, dan was het beige: eerder bedoeld om te camoufleren dan te accentueren. Met de grootst mogelijke tegenzin werd Nixon herkozen, om vervolgens door de zijdeur te vertrekken.

In 2008 blies Will.I.Am het genre nieuw leven in met het mozaïek ‘Yes We Can’, een soulvolle ode aan Obama’s eigen muzikaliteit als spreker. De song bestaat uit fragmenten van Obama’s toespraken, beurtelings in duet met beroemde zangers, muzikanten en acteurs. Hoewel Stevie Wonders behaagzieke ‘Signed, Sealed, Delivered, I’m Yours!’ (1970) en U2’s ‘City Of Blinding Lights (2004) de officiële strijdliederen waren, groeide ‘Yes We Can’ met bijna 30 miljoen hits op YouTube uit tot de ware gospel van Obama’s campagne.

De aanhaker

De tweede variant van het campagnelied, die meelift op een bestaande hit, werd in 1932 met doorslaand succes toegepast door Franklin Roosevelt. Door de Grote Depressie stonden de verkiezingen volledig in het teken van de economie. Roosevelts optimistische boodschap in een tijd van armoede en onzekerheid werd treffend verwoord in ‘Happy Days Are Here Again (1929), een volstrekt apolitiek feelgood-liedje waarmee de componisten Milton Ager en Jack Yellen een megahit hadden gescoord. De song werd de soundtrack van Roosevelts drie aaneengeschakelde ambtstermijnen en gold lange tijd als het onofficiële strijdlied van de Democratische Partij.*

https://www.youtube.com/watch?v=h91glweLuBw

In 1992 had ook Bill Clinton succes. Gepokt en gemazeld in het campagnebedrijf revancheerde de Comeback Kid zich voor zijn eerdere muzikale misstap met ‘Don’t Stop Thinking About Tomorrow’ (1977) van Fleetwood Mac. Dit keer sloot zijn campagnelied naadloos aan op zijn agenda, zijn doelgroep en zijn karakter: opgewekte niets-aan-de-hand-rock voor ex-hippies, verlost van hun idealen. Yesterday’s gone. Het nummer definieerde Clinton’s energieke, optimistische campagne en wist Fleetwood Mac kortstondig te reanimeren. Als Bill Clinton de poster boy van de babyboomers is, dan is ‘Don’t Stop’ het lijflied van die generatie.

De aanhaker lijkt misschien minder risicovol dan een op maat gemaakte campagnesong, maar toch is de lijst uitglijders langer dan de lijst successen. Ronald Reagan kwam in zwaar weer toen hij in 1984 ‘Born in the USA’ van Bruce Springsteen gijzelde zonder eerst naar de tekst te hebben geluisterd: ‘Got in a little hometown jam / So they put a rifle in my hand / Sent me off to a foreign land / To go and kill the yellow man’.

Mitt Romney maakte in 2012 dezelfde fout met Toby Keith’s ‘American Ride’ (2009). Zowel ‘American Ride’ als ‘Born in the USA’ zijn snijdende protestliederen tegen America’s oorlogen, maar het refreintje klinkt lekker vaderlandslievend. ‘The Boss’ dwong Reagens campagneteam te stoppen met het misbruik van zijn song en steunde zijn tegenstander Walter Mondale. Sindsdien staat hij bovenaan de line-up van alle Democratische overwinningsfeestjes.

Twaalf jaar nadat zijn vader de verkiezingen won ondanks Woody Guthrie’s ‘This Is Your Land’ (1940) – nota bene een communistische aubade die als een grauwsluier over de luisteraars neerdaalt – deed de jonge Bush een poging met het strijdbaardere I won’t back down’ (1989, zie de video hieronder) van Tom Petty, die hem subiet verbood het nummer te gebruiken.

Petty’s repertoire is sowieso in trek bij politici van beide partijen: ‘I Won’t Back Down’ werd in 2006 opnieuw ingezet door de Democratische ijzervreter Jim Webb tijdens zijn Senaatsrace, door Hillary Clinton in de Democratische voorverkiezingen van 2008, door Ron Paul in de Republikeinse van datzelfde jaar en opnieuw in 2012. Alleen Webb won. In 2011 gebruikte Tea Party-kandidaat Michele Bachmann Petty’s ‘American Girl’ (1977) als entreemuziek, maar ook zij moest onder druk van cease-and-desist-letters op zoek naar een ander campagnelied.

Misbruik

De laatste jaren protesteren artiesten steeds luider tegen politiek misbruik van hun werk. En met succes. Een hausse aan rechtszaken en slechte pers illustreert de gevaren van een ondoordachte – en vooral onrechtmatige – aanhaker.

In 2008 kon de Republikeinse kandidaat John McCain nauwelijks op de play-knop drukken zonder juridische gevolgen: net als George W. Bush vier jaar eerder kreeg hij een corrigerende tik van componist John Hall toen ook hij ‘Still The One’ (1976) van de groep Orleans wilde gebruiken. De Foo Fighters beschuldigden hem van het perverteren van hun hit ‘My Hero’ (1997) en in dezelfde campagne sleepte zanger Jackson Browne McCain voor de rechter wegens aanranding van zijn nummer ‘Running On Empty’ (1977).

In 2012 moest Mitt Romney zijn verontschuldigingen aanbieden aan de Canadees/Somalische rapper K’naan voor het gebruik van ‘Wavin’ Flag’ (2010), het officiële lied van het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika. De artiest twitterde dat Romney toestemming had gevraagd noch gekregen: ‘Yo @mittromney I am K’naan Warsame and I do not endorse this message’.

Tijdens de Republikeinse primaries van datzelfde jaar koos Newt Gingrich voor de klassieker ‘Eye Of The Tiger’ (Survivor, 1982), wereldberoemd van de boksfilm Rocky III. Het nummer past hem als een handschoen: de vechtjas, de underdog, de lange weg terug naar de top. ‘Eye Of The Tiger’ is de gedroomde entree voor een knokker als Gingrich, maar hij heeft er maar kort van kunnen genieten; platenmaatschappij Rude Music sleepte hem voor de rechter. Als trap na schond zanger Dave Bickler op zijn beurt het copyright van Gingrich door diens boek ‘A Nation Like No Other’ (2011, 264 pagina’s) live in een talkshow te zingen op de melodie van ‘Eye Of The Tiger’. Toen presentator Stephen Colbert vroeg hoeveel tijd dat zou kosten, zei Bickler dat de repetitie 28 uur had geduurd.

Hoewel de campagnes van zowel de Democraten als de Republikeinen op stoom beginnen te komen voor 2016, is het nu nog te vroeg om een ‘signature song’ voor de kandidaten aan te wijzen. Wel duidelijk is dat opnieuw de Republikeinen moeite hebben met het verkrijgen van toestemming: Donald Trump mag ‘Dream on’ van Aerosmith niet meer draaien, en R.E.M. heeft hem, alsmede Ted Cruz, verboden gebruik te maken van ‘It’s the end of the world’.

Simultaan schaken

Na 225 jaar democratie in Amerika lijken de criteria voor een succesvol campagnelied min of meer duidelijk. Binnen een acceptabele foutmarge blijkt dat optimisme effectiever is dan nostalgie, rockliedjes uit de jaren ’70 en ’80 scoren (bij een steeds ouder publiek), dat een uptempo nummer beter werkt dan een ballad, en dat kracht wint van ingetogenheid. Het lied moet passen bij de kandidaat en zijn programma en de componist mag geen bezwaren hebben tegen het gebruik van zijn werk voor politiek gewin.

Toch is de rol van muziek in moderne verkiezingscampagnes aanzienlijk complexer geworden. Wat vroeger uitgespeeld kon worden met één meesterzet of één catastrofale misrekening, is nu uitgegroeid tot een maandenlange marathonpartij simultaan schaken.

De keuze van het campagnelied ligt niet meer exclusief bij de kandidaat en zijn team. Sinds de verkiezingen van 2008 kunnen actieve uploaders de campagne blijvend beïnvloeden met hun eigen bijdrage, zowel in positieve als negatieve zin. Bloggers verminkten met Monty Pythons ‘Every Sperm Is Sacred’ (1983) de campagne van de godsvruchtige Republikein Rick Santorum, maar gaven hem tegelijkertijd zijn tergend keurige grassroots campagnehit ‘Game On’ (2012) van de christenzusjes Harris uit Oklahoma.

Steeds vaker kiezen kandidaten niet voor één, maar meerdere songs. In 2000 probeerde Al Gore het met ‘You Ain’t Seen Nothin’ Yet’ (1973) van Bachman-Turner Overdrive en ‘Let The Day Begin’ (1989) van The Call. En de niet te vermijden Tom Petty natuurlijk: hij zong ‘I Won’t Back Down’ live bij de familie Gore thuis.

Toen een klein leger aan artiesten hem in 2008 de rug toekeerde, kon McCain in ieder geval nog terugvallen op ‘Our Country’ (2007) van huispatriot John Cougar Mellencamp en – gewaagde keuze voor een gestaalde oorlogsheld als John McCain – ‘Take A Chance On Me’ (1978) van ABBA.

Door die grotere diversiteit aan liedjes kunnen kandidaten hun risico’s op kritiek en protest spreiden. Er hoeft geen ongemakkelijke stilte te vallen als er een dagvaarding uit de fax rolt. Nog een voordeel is dat de kandidaat in iedere denkbare situatie het best passende lied kan inzetten. Aan de andere kant: door de vele opties verwatert de kracht van die ene signature song die voor altijd met een kandidaat verbonden zal blijven, zoals ‘Happy Days’ met FDR en ‘Don’t Stop’ met Bill Clinton.

Buitencategorie

In de strijd om het meest succesvolle verkiezingslied lopen de Democraten overduidelijk voorop. Het blijft een kwestie van smaak, maar de Republikeinen zijn toch een beetje de tuthola’s van Washington die met stramme heupen minstens vier jaar achter de feiten aan hopsen. Sinds ‘I Like Ike’ swingt het niet meer. Aan de andere kant hebben de Democraten – uitgezonderd Truman en Carter – steeds de naald precies in de tijdsgroef weten te leggen. Een bijkomende factor is dat veel popmuzikanten wellicht meer naar de linkerkant van het politieke spectrum neigen en hun liedjes daarom liever aan een Democraat gunnen.

Ondertussen heeft president Obama de lat verlegd. Zijn gebruik van muziek heeft een nieuwe standaard gezet. Loepzuiver en met een verrukkelijke timing schudde hij in 2012 zelf wat regels van Al Greene’s ‘Let’s Stay Together’ (1971) uit zijn mouw in het Apollo Theater in New York, de eretempel van de zwarte muziek. Levende muzieklegendes staan in de rij om voor hem op te treden. Tijdens ‘Blues Night in the White House’ was hij de onbetwiste showstopper met zijn – opnieuw korte – vertolking van Robert Johnsons klassieker ‘Sweet Home Chicago’ (1926). In plaats van zijn campagnesongs als reclameblokken om zijn toespraken heen te programmeren, verweeft Obama muziek en politiek hechter dan ooit met elkaar. The music is everywhere. Meer nog dan in 2008 strooide hij in 2012 overal waar hij kwam wat noten rond, waardoor iedere bijeenkomst van begin tot eind meedeinde op een voortdurende groove. Muzikaal waren de verkiezingen van 2012 een ereronde voor Obama. Een vreugdedansje. Het wordt straks afzien met Hillary.

* Het op maat geschreven lied ‘I’m Just Wild About Harry’ (1948) voor de campagne van Truman werd vier jaar na de dood van Roosevelt volledig ondergesneeuwd door diens ‘Happy Days Are Here Again’.

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten